Belanghebbende, een stichting die primair onderwijs verzorgt, richtte een dochtervennootschap op die personeel ter beschikking stelt aan haarzelf en andere onderwijsinstellingen binnen een samenwerkingsverband. Belanghebbende hield 70% van de aandelen in deze dochtervennootschap. De dochter behaalde slechts 27,2% van haar omzet uit diensten aan belanghebbende.
De Inspecteur weigerde de fiscale eenheid toe te kennen, waarop belanghebbende in beroep ging. Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat onvoldoende economische verwevenheid bestond omdat de dochtervennootschap ook diensten aan derden verleende en slechts een beperkt deel van de omzet aan belanghebbende toerekenbaar was.
De Hoge Raad stelt dat het Hof ten onrechte het criterium van economische verwevenheid beperkt heeft toegepast. Op grond van eerdere jurisprudentie geldt dat bij nauwe financiële en organisatorische verwevenheid ook niet-verwaarloosbare economische betrekkingen voldoende zijn voor een fiscale eenheid. Gezien de feiten is er sprake van een fiscale eenheid vanaf 1 januari 2013.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof, bevestigt de uitspraak van de Rechtbank Gelderland die de beschikking van de Inspecteur vernietigde, en veroordeelt de Staatssecretaris en Inspecteur in proceskosten. Tevens worden griffierechten toegewezen aan belanghebbende en het Hof.