Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
1 januari 2013 met [X2] te worden aangemerkt als fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7(4) Wet OB. De Inspecteur [4] heeft dit verzoek bij beschikking van 26 augustus 2013 afgewezen.
HR BNB 1989/112 [5] heeft geoordeeld dat van verwevenheid in economisch opzicht sprake is, indien de activiteiten van de vennootschappen in hoofdzaak strekken tot verwezenlijking van een zelfde economisch doel, zoals de bediening van een gemeenschappelijke klantenkring, dan wel de activiteiten van de ene vennootschap in hoofdzaak ten behoeve van de andere vennootschap worden uitgeoefend.
HR BNB 2014/7 [6] , door te overwegen: “In een geval als het onderhavige waarin een houdstermaatschappij alle aandelen bezit van een of meer vennootschappen (…) en [tussen] elk van deze vennootschappen (…) onderling niet verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan, zoals in dit geval (…) is (…) sprake nauwe verbondenheid in economisch opzicht”. Uit deze overweging leidt de Rechtbank af dat voor economische verwevenheid voldoende is dat sprake is van onderling niet-verwaarloosbare economische betrekkingen tussen de partijen die een fiscale eenheid willen vormen. Er hoeft derhalve naar het oordeel van de Rechtbank niet tevens te zijn voldaan aan de eis van een gemeenschappelijke klantenkring en ook niet aan de eis dat sprake moet zijn van een zelfde economisch doel.
HR BNB 2014/7dat kan worden volstaan met de toets of tussen de vennootschappen niet-verwaarloosbare betrekkingen bestaan, aldus de Rechtbank.
HR BNB 2014/7af dat het in
HR BNB 1989/112ontwikkelde hoofdzaakcriterium en het in
HR BNB 2014/7ontwikkelde onderling-niet-verwaarloosbaarcriterium naast elkaar blijven bestaan. Het laatstgenoemde criterium vervangt het eerstgenoemde criterium niet. Van geval tot geval dient te worden beoordeeld welk criterium moet worden toegepast. Gelet op de casus van
HR BNB 2014/7heeft de Hoge Raad het nieuwe criterium volgens het Hof geïntroduceerd om volle werking te geven aan de buitenwettelijke uitbreiding van de fiscale eenheid in de holdingresolutie [8] . Indien de houdstermaatschappij een beleidsbepalend en sturend orgaan is, kan zij met de in Nederland gevestigde werkmaatschappijen een fiscale eenheid vormen voor de heffing van omzetbelasting. Deze houdstermaatschappij vervult een wezenlijke economische functie binnen concernverband en heeft als gevolg van haar intensieve bemoeienis in het beheer van de werkmaatschappijen voldoende verwevenheid met elk van de werkmaatschappijen in economisch opzicht. Indien aan de economische betrekkingen opzij, dus tussen de werkmaatschappijen onderling, de eis wordt gesteld dat deze in hoofdzaak hetzelfde economische doel dienen of in hoofdzaak complementair zijn, wordt de werking van de uitbreiding aanzienlijk beperkt. Dit is in strijd met een van de doelstellingen van de fiscale eenheid, namelijk administratieve vereenvoudiging. Vooral bij een groter concern staat de toepassing van het hoofdzaakcriterium aan de vorming van een fiscale eenheid in de weg. Belanghebbende en [X2] vormen niet een dergelijk concern. De economische verwevenheid dient dus te worden getoetst aan het hoofdzaakcriterium, aldus het Hof.
Commissie/Nederland [9] . Hierin overweegt het HvJ dat niet kan worden uitgesloten dat wanneer niet-belastingplichtigen lid zijn van een fiscale eenheid, dit zowel voor deze eenheid als voor de Belastingdienst administratieve vereenvoudiging in de hand werkt en het mogelijk maakt bepaalde vormen van misbruik te voorkomen, en zelfs daartoe onontbeerlijk kan blijken te zijn ingeval alleen daardoor de nauwe verbondenheid ontstaat die financieel, economisch en organisatorisch tussen de leden van deze groep moet bestaan om als één belastingplichtige te worden aangemerkt, aldus het Hof. Het Hof leidt hieruit af dat het mogelijk is dat in een dergelijke situatie de nauwe verbondenheid juist ontstaat als gevolg van vorming van de fiscale eenheid met een niet-belastingplichtige, in dit geval de sturende en beleidsbepalende houdstermaatschappij. Het is mogelijk dat de Hoge Raad in
HR BNB 2014/7deze overweging heeft meegenomen en om die reden een nieuw criterium heeft geformuleerd, zo overweegt het Hof.
3.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddel);
tweede cassatiemiddel);
derde cassatiemiddel).
eerste cassatiemiddeldat het Hof
HR BNB 2014/7te beperkt uitlegt. Anders dan het Hof, meent zij dat de Hoge Raad met dit arrest geen uitleg heeft gegeven aan de holdingresolutie, maar dat hij een extra criterium in het leven heeft geroepen naast het in
HR BNB 1989/112ontwikkelde hoofdzaakcriterium. Naar het belanghebbende voorkomt vloeit uit eerstgenoemd arrest voort dat de Hoge Raad het hoofdzaakcriterium als te knellend heeft ervaren en enige verruiming heeft willen geven aan het begrip ‘economische verwevenheid’. Het Hof had dan ook niet alleen aan het hoofdzaakcriterium moeten toetsen, maar ook aan het onderling-niet-verwaarloosbaarcriterium. Volgens belanghebbende wordt in de omstandigheden van haar geval aan het onderling-niet-verwaarloosbaarcriterium voldaan.
tweede cassatiemiddelstelt belanghebbende dat het Hof de term ‘in hoofdzaak strekken tot verwezenlijking van eenzelfde economisch doel’, in de zin van een gemeenschappelijke klantenkring bedienen, te beperkt uitlegt.
derde cassatiemiddelstelt belanghebbende dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten te toetsen of, indien belanghebbende en [X2] niet overeenkomstig artikel 7(4) Wet OB als fiscale eenheid kunnen worden aangemerkt, zij wel op grond van de holdingresolutie als fiscale eenheid kunnen worden aangemerkt. Aangezien belanghebbende een moeiende holding is ten opzichte van [X2] , is volgens belanghebbende ingevolge de holdingresolutie sprake van economische verwevenheid.
4.Economische verwevenheid
eerste cassatiemiddelverwijs ik naar hoofdstuk 5 van de bij deze conclusie en de conclusie in de zaak met nr. 17/03702 behorende bijlage, waarin ik de verhouding tussen de arresten
HR BNB 1989/112en
HR BNB 2014/7bespreek.
HR BNB 2014/7volgt mijns inziens, zoals belanghebbende terecht opmerkt, dat het onderling-niet-verwaarloosbaarcriterium is bedoeld als aanvulling op het hoofdzaakcriterium. Anders dan belanghebbende aanneemt zijn de omstandigheden van haar geval echter niet gelijk aan die van
HR BNB 2014/7. In die zaak was immers sprake van een holding die tegen vergoeding managementactiviteiten verricht voor één of meer van haar 100%-dochtervennootschappen waartussen onderling niet verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan. Belanghebbende houdt in de onderhavige periode slechts 70% van de aandelen in [X2] en uit de vastgestelde feiten blijkt niet dat belanghebbende dochtervennootschappen heeft naast [X2] waarmee [X2] niet verwaarloosbare economische betrekkingen heeft.
HR BNB 1989/112en de in HR BNB 2014/7 bedoelde gevallen – sprake van nauwe verbondenheid in economisch opzicht in de zin van artikel 7(4) Wet OB.
eerste cassatiemiddelen behoeft het
tweede cassatiemiddel(dat betoogt dat aan het hoofdzaakcriterium is voldaan) geen behandeling meer.
tweede cassatiemiddeltoegekomen en komt de vraag aan de orde of de activiteiten van belanghebbende en [X2] strekken tot verwezenlijking van een zelfde economisch doel (de in HR BNB 1989/112 eerstgenoemde vorm van het hoofdzaakcriterium). Partijen zijn het eens dat de activiteiten van de bv niet in hoofdzaak ten behoeve van de onderwijsstichting worden verricht (de tweede vorm van het hoofdzaakcriterium; zie onderdeel 5.1 van de gemeenschappelijke bijlage). Zij gaan mijns inziens uit van een juiste rechtsopvatting, nu [X2] slechts 27,2% van haar diensten aan belanghebbende verleent.
HR BNB 1991/270 [13] . Enerzijds kan dit arrest zo worden uitgelegd dat de activiteiten van ondernemers strekken tot verwezenlijking van een zelfde economisch doel indien zij zich binnen één brancheschakel met gelijksoortige prestaties op dezelfde markt begeven. Indien deze uitlegging juist is, dan heeft het Hof terecht geoordeeld dat in casu geen sprake is van verwezenlijking van een zelfde economisch doel, nu belanghebbende en [X2] binnen verschillende brancheschakels (de onderwijsstichting richt zich op de consument en [X2] richt zich op leveranciers van onderwijs) opereren.
HR BNB 2014/7volgt dat de Hoge Raad een ruime interpretatie van het begrip economische verwevenheid beoogt, ligt het in de rede dat de Hoge Raad – tot nog toe de enige met overheidsgezag beklede instantie die namens Nederland het begrip economische verwevenheid heeft gedefinieerd (zie onderdeel 5.15 van de gemeenschappelijke bijlage) - een ruime interpretatie van het begrip ‘verwezenlijking van een zelfde economisch doel’ voor ogen heeft gehad. Ik meen daarom dat belanghebbende het
tweede cassatiemiddelterecht heeft voorgesteld.
tweede cassatiemiddelslaagt.
5.Toetsing aan holdingresolutie
derde cassatiemiddel, ga ik in op de vraag of het Hof ten onrechte heeft nagelaten te toetsen of belanghebbende en [X2] op grond van de holdingresolutie een fiscale eenheid vormen.
derde cassatiemiddelfaalt.