Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
1 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag inzake witwassen van geldbedragen. De verdachte werd veroordeeld op grond van het oude art. 420bis.1.b Sr. De kernvraag betrof vanaf welk moment verworven geldbedragen, waarop belastingverplichting rust, als afkomstig uit een misdrijf kunnen worden beschouwd en wanneer wetenschap daarvan kan worden aangenomen.
De advocaat van de verdachte stelde een middel van cassatie voor, maar de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kan leiden en dat geen nadere motivering nodig is omdat het middel geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproept.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en het beroep werd verworpen. Hiermee blijft het oordeel van het hof in stand dat het moment van wetenschap bepalend is voor de kwalificatie van de geldbedragen als uit misdrijf afkomstig, conform de wettelijke bepalingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.