Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
Witwassen Hongaarse gelden
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van witwassen van ruim vijf miljoen euro afkomstig uit oplichting bij banken. Het hof stelde vast dat verdachte als directeur van twee Hongaarse BV’s de rekeningen beschikbaar stelde om crimineel geld te ontvangen en dat hij wist van de illegale herkomst. Verdachte voerde aan dat hij niet wist dat het geld crimineel was, maar het hof achtte zijn verklaring ongeloofwaardig.
In cassatie werd betoogd dat het hof onvoldoende motivering gaf voor het oordeel dat verdachte wetenschap had van de criminele herkomst. De procureur-generaal stelde dat het hof terecht oordeelde dat verdachte wist dat het geld uit een misdrijf kwam, gelet op de omvang van het bedrag, de communicatie en het ontbreken van een aannemelijke verklaring van verdachte.
Daarnaast werd een klacht over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie gegrond verklaard, omdat de stukken drie dagen te laat werden ingediend. De procureur-generaal adviseerde de zaak af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro en strafvermindering toe te passen wegens termijnoverschrijding.
De Hoge Raad vernietigde het arrest alleen voor wat betreft de strafmaat en verwierp het cassatieberoep verder. De zaak betreft witwassen van geld afkomstig uit een omvangrijke oplichtingspraktijk waarbij verdachte en medeverdachten via complexe constructies geld verplaatsten en verhulden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt afgewezen, het arrest van het hof wordt bevestigd behalve voor de strafmaat die wordt verminderd wegens termijnoverschrijding.