Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
‘zeer hoge waarden’aan, zodat hij het vermoeden had dat er in deze woning een hennepplantage aanwezig was (dossierpagina 18). Vervolgens hebben de verbalisanten de woning betreden en 239 hennepplanten aangetroffen van ongeveer zeven weken oud, en heeft de fraude-expert van Liander geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van deze hennepkwekerij illegaal werd afgenomen (dossierpagina’s 18 tot en met 20). Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op grond van de bevindingen van de fraude-expert van Liander redelijkerwijs konden vermoeden dat sprake was van een overtreding van de Opiumwet.
teneindein die woning hennepplanten aanwezig te hebben.
"een wisselend inkomen had tussen de 100 en 1.000 euro per maand".Bij het opmaken van het proces-verbaal is geconstateerd dat deze weergave van hetgeen de verdachte ter zitting heeft verklaard over zijn inkomsten, niet juist is. Er had moeten staan:
“ik verdiende 100 euro per dag, soms meer soms minder. Dit was tussen de 1.500 en 2.000 euro netto per maand”.
(het hof begrijpt: de woning aan de [a-straat 1] , [postcode] , te Amsterdam, hierna: de woning).Ik heb alles alleen vervalst. Op het moment dat ik de woning ging huren, verdiende ik tussen de 1.500 en 2.000 euro netto per maand. Ik had een sleutel. Ik ben - nadat de politie is binnengetreden - nog in de woning geweest. U, jongste raadsheer, houdt mij voor dat ik in een grote woning ging wonen waar alleen een matras lag en dat die woning niet was ingericht. Ik had geen televisie. Het ging om de basisbehoeften. Ik had geen stoel, geen pan. Ik doe niet aan koken. Ik gebruikte de woning alleen om te slapen.
(het hof begrijpt: verbalisant),toon u de bijlagen bij dit huurcontract, het overzicht van de ING, de werkgeversverklaring en salarisafrekeningen, door u aan de verhuurder verstrekt op het moment dat u de woning aan de [a-straat 1] te Amsterdam ging huren.
eerstemiddel klaagt dat het hof heeft geoordeeld dat het binnentreden in een pand waar een hennepplantage is aangetroffen rechtmatig heeft plaatsgevonden en er dus geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, terwijl de motivering die het hof hieraan ten grondslag heeft gelegd onvoldoende begrijpelijk is. De mededeling van de fraude-expert van Liander dat er op het betreffende perceel ‘zeer hoge waarden’ op het elektriciteitsnetwerk waren gemeten, zou nog niet kunnen leiden tot een redelijk vermoeden als bedoeld in art. 9 Opiumwet Pro. De steller van het middel wijst daarbij op enkele uitspraken van lagere rechters waarin zou zijn aangenomen dat een hoge elektriciteitswaarde onvoldoende grond is voor binnentreden. [1]
NJ2008/329 gezichtspunten geformuleerd ‘voor de toepassing van het verdenkingscriterium in concrete zaken. Relevant zijn de inhoud van de anonieme melding, een zelfstandige beoordeling van die inhoud door politie en/of justitie, de concrete mogelijkheden – mede gelet op de noodzakelijke spoed van strafvorderlijk optreden – tot verificatie van de informatie, de aard van de toegepaste bevoegdheid, de mogelijkheid van de voorafgaande inzet van minder verstrekkende bevoegdheden alsmede de eventuele alternatieven voor strafvorderlijk optreden’ (nr. 6). Borgers en Kooijmans menen (eveneens) dat, ‘(w)il men de eis van objectivering niet laten verwateren’, als uitgangspunt dient te worden gehanteerd ‘dat een verdenking op grond van een anonieme melding eerst wordt aangenomen, wanneer de in die melding opgenomen informatie is geverifieerd, waarbij tot op zekere hoogte bevestiging is gevonden van de juistheid van die informatie’. In de rechtspraak van Uw Raad wordt, zo menen zij, ‘dat uitgangspunt echter niet zo stellig beleden’. [3] Dat kan zijn verklaring wellicht (mede) vinden in de omstandigheid dat de uitleg van verdenkingseisen wordt beheerst door een afweging van belangen, waarbij het belang van rechtsbescherming wordt afgewogen tegen het belang van wetshandhaving. [4] Ook bij andere indicaties van hennepteelt dan een anonieme melding, zoals in casu een hoog elektriciteitsverbruik, kunnen de door Borgers geformuleerde uitgangspunten – in het bijzonder mogelijkheden tot verificatie – in beginsel van nut zijn en speelt de hiervoor genoemde belangenafweging een rol.
NJ2015/28. Daarin was, zo volgt uit de vaststellingen van het hof, met een warmtebeeldcamera geconstateerd dat op de zolder van een bepaald perceel ‘een extreme warmtebron aanwezig moest zijn’. Uit de conclusie van A-G Spronken kan worden opgemaakt dat een verbalisant bezig was met de controle van een aantal adressen waarover informatie bekend was, en dat de afwijkende warmte-uitstraling toevallig opviel terwijl de verbalisant bezig was met het onderzoek naar die andere adressen (randnummer 7). A-G Spronken meent dat de vraag naar het aannemen van een redelijk vermoeden neerkomt op ‘de specificiteit van de warmtebeeldcamera’ en wijst op mogelijke alternatieve verklaringen als een zonnebank, een sauna en een wasdroger. Zij meent dat de warmtemeting onvoldoende is voor het aannemen van een redelijk vermoeden als bedoeld in art. 9, eerste lid, onder b, Opiumwet (randnummers 13, 14 en 15). Uw Raad denkt daar anders over:
tweedemiddel klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde feit door de bewijsmiddelen, ook in samenhang met de nadere bewijsoverweging, onvoldoende met redenen is omkleed. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte ‘ten aanzien van de diefstal enige uitvoeringshandeling heeft verricht’. De steller van het middel wijst daarbij op HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0431.
derdemiddel klaagt dat art. 6 EVRM Pro is geschonden nu een periode van meer dan acht maanden is verstreken tussen het instellen van beroep in cassatie en de ontvangst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad.