Conclusie
proces-verbaal Aantreffen hennepkwekerij, nummer PL0600-2015501176-1, afgesloten op 12 november 2015, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland (pagina’s 1 tot en met 3 van het politiedossier), inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:
Op woensdag 11 november 2015 stelden wij naar aanleiding van een MMA melding, een onderzoek in op de tussenwoning aan de [a-straat 1]. Hieruit bleek dat bij het kelderluik een sterke warmte afgifte werd waargenomen. Op het genoemde adres [a-straat 1], [postcode] [plaats], staat volgens het GBA niemand ingeschreven. In voornoemde woning werd op 11 november 2015 binnengetreden. (...) Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij met planten aanwezig was. (...) Na het binnentreden zagen wij het volgende: de kweekruimte bevond zich in de kelder achter een bakstenenmuur. (...) In deze ruimte stonden 193 hennepplanten. De gemiddelde hoogte van de planten was ongeveer 50 cm. Per m2 stonden er 21 planten.
proces-verbaal aanvraag machtiging tot leggen van beslag als conservatoir beslag, proces-verbaalnummer 20160304.1418, afgesloten op 12 april 2016, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3], verbalisant politie Oost-Nederland, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisant:
De woning aan de [a-straat 1] te [plaats] betreft een koopwoning welke sinds 28 juni 2012 eigendom is van verdachte [verdachte] en zijn echtgenote [medeverdachte], geboren [geboortedatum]-1985 te [geboorteplaats].
proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600- 2015501176-24, afgesloten op 27 maart 2018, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland, inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:
Deze gegevens zijn mij vervolgens ter beschikking gesteld van bankrekeningnummer [rekeningnummer]. Dit bankrekeningnummer betreft een en/of rekening op naam van [verdachte] en [medeverdachte].
Als schriftelijk bescheid, een bij het politiedossier gevoegd afschrift van de berekening verbruik kweekruimte A (pagina’s 21 en 22):
Standen inval 11-11-2015
proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0600-2015501176-18, afgesloten op 13 april 2016, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland (pagina 29 van het politiedossier), inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van voornoemde verbalisanten:
Wij, verbalisanten, spraken aldaar op straat enkele buurtbewoners die ons aangaven dat er al geruime tijd geen bouwactiviteiten in het pand waren en dat de mannelijke bewoner af en toe even langs kwam, maar dat hij elders zou wonen. Er stond al geruime tijd een grote blauwe afvalcontainer voor de deur waarin bouwafval lag, maar deze was al geruime tijd niet verder gevuld met bouwafval. Wij konden ook zien dat hier al her en der gras op bepaalde stukken groeide. In het genoemde pand zagen wij ook dat er geen bouwmaterialen en gereedschappen lagen. Wij konden hieruit afleiden dat er geen werkactiviteiten plaatsvonden.’
Als verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van meervoudige kamer voor strafzaken van het Hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 16 november 2020, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
Wij hebben een woning aangekocht en zijn die gaan verbouwen. Wij woonden op dat moment in een andere woning. (...) Eind 2013 was de verbouwing in principe klaar. De woning was nog niet bewoonbaar, maar de grootste dingen waren afgerond. (...) De hypotheek is altijd betaald van de en/of-rekening die op naam stond van [medeverdachte] en van mij. (...) De verbouwing werd uitgevoerd door aannemersbedrijf [A]. Wij zijn een aantal keer bij hun geweest en wij zijn een aantal keer samen in de woning geweest. De verbouwing was klaar in 2013.’”
NJ1985/822, m.nt. Van Veen is voor de beantwoording van de vraag of de verdachte tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk verdovende middelen aanwezig heeft gehad, niet doorslaggevend aan wie die verdovende middelen toebehoren. Voor het ‘aanwezig hebben’ van verdovende middelen is ook niet vereist dat sprake is van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de drugs. [1] Toereikend is dat de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevinden en dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van deze middelen, althans van de aanmerkelijke kans daarop. [2]
NJ2022/95, m.nt. Reijntjes, waarvan rechtsoverweging 3.3.2 luidt:
gezamenlijkemachtsuitoefening ten aanzien van de aanwezige hennep, zodat een bewuste [5] (en nauwe) samenwerking bij het aanwezig hebben van de hennep op die bepaalde plaats kan worden vastgesteld. [6] Het bewijs van het zogenoemde samenwerkingsopzet zal bij het ‘nogal passieve’ aanwezig hebben van hennep niet altijd direct uit de bewijsmiddelen kunnen volgen. [7] Dat lijkt mij ook niet vereist. Voldoende is naar mijn inzicht dat de uit de bewijsmiddelen direct blijkende feiten en omstandigheden grond bieden voor het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist dat zijn medeverdachte of medeverdachten op de hoogte was of waren van de aanwezigheid van hennep op een bepaalde plek, zodat het benodigde samenwerkingsopzet middels een bewijsredenering kan worden vastgesteld. [8] In een dergelijke bewijsredenering kan de rechter betrekken dat aan het vastgestelde (passieve) handelen van de verdachte en een of meer anderen kennelijk een stilzwijgende afspraak ten grondslag ligt. [9] Het op basis van een bewijsredenering door de rechter vastgestelde samenwerkingsopzet kan ook in de bewijsvoering besloten liggen. [10]
medeplegenvan het opzettelijk aanwezig hebben van hennep. Hoewel deze klacht niet meer behelst dan dat de steller van het middel ‘meent’ dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende is af te leiden dat op 11 november 2015 sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte], zal ik op deze stelling ingaan.
voorliggendezaak – niet alleen volgt dat de verdachte en [medeverdachte] toegang hadden tot de koopwoning en (dus) feitelijke macht over de hennepplanten konden uitoefenen in de zin van erover beschikken. Ook blijkt uit de bewijsvoering immers dat het – met name gelet op enerzijds de door de verdachte en de medeverdachte van hun gezamenlijke en/of-rekening consequent over een langere periode betaalde hypotheeklasten voor hun onbewoonde koopwoning en de hoge energiekosten ten behoeve van die woning, en anderzijds het ontbreken van een voldoende aannemelijke ontlastende verklaring van de verdachte daarvoor – niet anders kan zijn dan dat de verdachte en de medeverdachte door hun gezamenlijke, kennelijk op een (ten minste stilzwijgende) afspraak berustende handelen, bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij met hun handelen de in hun onbewoonde koopwoning aangetroffen hennepkwekerij lieten voortbestaan en zodoende (voorwaardelijk) opzet hadden op de aanwezigheid van hennep aldaar. Zo valt althans de bewijsvoering van het hof in de
voorliggendezaak te verstaan, waarbij ik hier opmerk dat niet zonder meer hetzelfde kan worden gezegd van de bewijsvoering van het hof in de
samenhangendestrafzaak van medeverdachte [medeverdachte] (20/04007) gelet op hetgeen in
diezaak door en namens [medeverdachte] is aangevoerd en de motivering van de reactie van het hof dáárop.
voorliggendezaak dus geen doel.