Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 oktober 2019.
Hoge Raad
Op 24 maart 2016 vond een vreedzame en ludieke demonstratie plaats bij de Amsterdam RAI tegen het bouwbedrijf dat voorzieningen voor uitgeprocedeerde vluchtelingen bouwde. De demonstranten, waaronder de verdachte, weigerden na meerdere verzoeken van de beveiliging en politie het pand te verlaten. De politie hield de verdachte aan en bracht haar naar het politiebureau, waar zij enige uren werd vastgehouden en verhoord.
Het hof verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging wegens schending van de demonstratievrijheid, omdat de aanhouding en de daaropvolgende vrijheidsbeneming disproportioneel waren gezien het vreedzame karakter van de betoging. Het hof vond dat het OM niet redelijkerwijs kon oordelen dat met de vervolging een door strafrecht beschermd belang werd gediend.
De Hoge Raad herhaalt de strenge motiveringseisen voor niet-ontvankelijkverklaring van het OM en oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vervolging onverenigbaar zou zijn met het verbod van willekeur. De Hoge Raad benadrukt dat beperkingen van demonstratievrijheid in het strafproces relevant kunnen zijn voor de beoordeling van strafbaarheid en strafoplegging, maar dat de rechter in beginsel een inhoudelijk oordeel moet vellen over de tenlastelegging.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep, waarbij de demonstratievrijheid en proportionaliteit van de maatregelen in de beoordeling betrokken moeten worden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.