V. Toen u bij [H] B.V. werkzaam was, heeft u toen ook werkzaamheden verricht voor gastouderbureau [A] en zo ja, in welke functie heeft u deze werkzaamheden verricht?
A: Volgens mij heet dat administratief medewerkster. Ik vroeg kinderopvangtoeslag aan op basis van de uitdraaien die door de consulenten van [A] waren aangeleverd. Voor wat betreft de overeenkomsten tussen [A] en de ouders en oppas, daar plaatste ik een stempel van [A] op en ik zette daar namens [A] ook een paraaf op.
44. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 9 april 2010 (G086-02) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van getuige [betrokkene 6]:
V = Vraag verbalisant(en)
A = Antwoord gehoorde
V: In een aantal gevallen is de kinderopvangtoeslag aangevraagd met terugwerkende kracht tot bijvoorbeeld 1 januari of 1 mei 2008. De bemiddelingsovereenkomsten en machtiging zijn ook gedagtekend 1 januari of 1 mei 2008. Is dit feit aan u bekend en wat kunt u hierover verklaren?
A: Ja, dit wist ik. Ik vond dit toen ook al typisch maar [verdachte] zei dat dit was afgesproken met de consulenten. Ik neem aan dat [verdachte] tegen de consulenten heeft gezegd dat ze dit zo moesten doen. Wij, ik bedoel daarmee wij van de administratie, hebben [verdachte] wel eens geconfronteerd en ook gezegd dat dit niet kon kloppen, Niemand tekent op 1 januari, maar [verdachte] zei dan: “ingangsdatum is tekendatum”. Ik denk dat de ingangsdatum als tekendatum in het programma, dat op de laptops van de consulenten stond, was voorgeprogrammeerd. [verdachte] heeft mij dit niet verteld. [verdachte] was niet zo’n verteller.
(…)
V: Bent u voorgelicht over wanneer het wel en wanneer het niet mogelijk was om kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht aan te vragen en van wie heeft u deze voorlichting gehad?
A: Nou, [verdachte] heeft ons gewoon gezegd dat er met terugwerkende kracht kon worden aangevraagd als er in het verleden was opgepast. [verdachte] heeft aan ons niet verteld dat er dan wel aan bepaalde voorwaarden moest worden voldaan. Daar heeft [verdachte] met ons niet over gesproken.
V: Bestaat er recht op kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht als de vraagouder geen oppaskosten heeft gehad omdat bijvoorbeeld oma in de achterliggende periode gratis oppaste en waar baseert u uw mening op?
A: Nou, ik heb later, eind 2009, wel eens gedacht: “kan dit wel?”. Ik heb [verdachte] hier ook weleens naar gevraagd, maar [verdachte] zei dan dat hij het had uitgezocht en dat het wel kon.
Ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde
45. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 7] d.d. 11 november 2009 (G033-01) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van getuige [betrokkene 7]:
(…)
V: Kent u gastouderbureau [A] uit [plaats]? Zo ja, wat kunt u over dit gastouderbureau vertellen?
A: De medewerker van [A] die ons toen bezocht vertelde dat wij maximaal vanaf 1 mei 2008 met terugwerkende kracht kinderopvangtoeslag konden ontvangen. Hij vertelde ons ook dat wij gratis gebruik konden maken van deze subsidiemogelijkheden. Er was helemaal geen sprake van dat wij onze oppasouders, de ouders van [betrokkene 8], en de ouders van [betrokkene 9], betaalden. Ja, een keer per jaar een leuk uitje, maar verder niet. De medewerker van [A] hebben we dat ook verteld, maar hij rekende ons voor aan de hand van een overzicht, hoe we toch geld terug konden krijgen.
(…)
A: De intentie van [A] was overduidelijk dat de oppasouders die niet werden betaald, toch geld konden ontvangen via de kinderopvangtoeslag, zonder dat het de vraagouders geld kostte.
V: Verbalisanten tonen gehoorde een kopie van een document met als kop “Kinderopvangsubsidie” en vragen gehoorde door wie, wanneer en waarom dit document is opgemaakt.
A: Dit is door [betrokkene 10] opgemaakt op 7 oktober 2008, om te laten zien wat je kon krijgen. Eerst werd er een kladje gemaakt met uitleg, en toen werden de gegevens ingevoerd in de computer, en deze uitdraai gemaakt. Toen wij dit formulier zagen hebben wij besloten het te doen, en toen is het contract opgemaakt.
V: Verbalisanten vragen gehoorde waarom de ouders, blijkbaar de aanvraagouders, recht zouden hebben op € 92,-.
A: [betrokkene 10] vertelde ons dat, en dat geloofden wij. Dat was volgens mij als onze ouders dat aan ons zouden terugschenken. Dat is echter nooit gebeurd, want dat wilden wij niet. [betrokkene 10] vertelde ons dat het zo werkte: het wettelijke bedrag dat je kon krijgen was 6,10 euro. Van dit bedrag werd afhankelijk van je inkomen een eigen bijdrage afgehaald. In ons geval 11 euro. Van het restant moesten nog bureaukosten worden afgehaald, in dit geval 44 euro voor [A]. Wat er dan nog overbleef was beschikbaar voor de oppas, en dat kon dan eventueel nog worden terug geschonken. Het bedrag van 263 euro is ook daadwerkelijk door ons uitbetaald aan de wederzijdse ouders.
46. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 28 oktober 2009 (G035-01) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van getuige [betrokkene 11]:
V = Vraag verbalisant(en)
A = Antwoord gehoorde
(…)
V: Heeft u in de periode 1 januari 2008 tot heden gebruik gemaakt van kinderopvang voor uw eigen kind? Zo ja, had u kinderopvang in de vorm van een gastouder of in de vorm van een kinderopvangcentrum?
A: Ja, ik heb gebruik gemaakt van gastouders voor de kinderopvang. Voor 2008 heb ik gebruik gemaakt van drie gastouders en vanaf 2009 van twee gastouders. In 2008 hebben mijn ouders, mijn schoonouders en mijn schoonzus opgetreden als gastouder en in 2009 betreft dat mijn ouders en schoonouders.
V: Waar vond de opvang dan wel oppas van uw kind plaats?
V: Ik heb aangegeven bij [A] dat de gastouders uit drie verschillende mensen bestonden die op drie verschillende adressen woonden. Zij vertelden mij dat ze maar één gastouder op papier hoefden te hebben. Vanaf september 2008 werd er reeds door mijn ouders, schoonouders en schoonzus opgepast. Op dat moment werd er door mij niet aan hun betaald. Zij deden dit geheel belangeloos. Eind 2008 werd mijn moeder telefonisch benaderd door een manspersoon van [A], waarvan ik de naam niet meer weet, met de vraag of zij onlangs was bevallen. Toen de manspersoon mijn moeder belde, heb ik de telefoon overgenomen en de man te woord gestaan.
(…)
Volgens mij heeft hij toen met mij een afspraak gemaakt om langs te komen. Eind 2008 heeft deze man van [A] mij bezocht en mij verder geïnformeerd over de regeling van de kinderopvangtoeslag. Ik heb de man van [A] heel duidelijk gezegd dat de oppas niet werd betaald. Volgens de man van [A] was dit geen enkel probleem. Hij wees mij op het feit dat de toeslag met terugwerkende kracht kon worden teruggevraagd. Vandaar dat er dus 1 september 2008 als ingangsdatum van de overeenkomst staat. Ik heb bij de man aangegeven dat we nu verder in de tijd waren dan de datum 1 september 2008, maar hij zei dat hij deze datum erin zette omdat de toeslag met terugwerkende kracht zou worden aangevraagd.
47. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 2 februari 2010 (G063-01) voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van getuige [betrokkene 12]:
V = Vraag verbalisant(en)
A = Antwoord gehoorde
(…)
V: Heeft u in de periode 1 januari 2007 tot heden gebruik gemaakt van kinderopvang voor uw eigen kind(eren)? Zo ja, had u kinderopvang in de vorm van een gastouder of in de vorm van een kinderopvangcentrum?
A: Wij hebben gebruik gemaakt van een gastouder. Deze gastouders waren mijn ouders en de ouders van mijn vrouw. Ik bedoel met ouders onze beide moeders. Onze moeders zijn gelijktijdig begonnen met het gastouderschap. Een vriend van mij maakte gebruik van gastouderopvang. Zodoende hoorde ik daar ook van. Ik heb toen telefonisch contact opgenomen met de man die ook bij mijn vriend was geweest. Ik weet de naam van deze man niet meer. Deze man is vervolgens ook bij ons thuis geweest.
(…)
Ik denk dat die man rond eind 2008 en begin 2009 hier is geweest. Volgens die man kon de aanvraag nog met terugwerkende kracht worden ingediend. Dit kon volgens mij nog zo’n 6 maanden terug. De aanvraag is volgens mij ingegaan per juli 2008. In 2009 hebben wij over de terugwerkende kracht periode dan ook in één keer een groot bedrag gekregen van de Belastingdienst.
V: Waar vond de opvang van uw kind(eren) plaats?
A: [betrokkene 13] werd zowel door mijn moeder als door de moeder van mijn vrouw in hun eigen huis opgevangen.
V: Gedurende welke periode heeft u gebruik gemaakt van kinderopvang voor uw kind(eren)?
A: Ook voordat die man van [A] kwam pasten onze ouders al op [betrokkene 13]. Hiervoor kregen zij geen vergoeding maar zij pasten op als opa en oma. Wij hadden hiervoor geen contract of overeenkomst. Ook nu, na [A], passen onze ouders nog op. Ook dit geschiedt zonder vergoeding en contract.
(…)
V: Welk bedrag betaalde u per uur per kind in de periode dat u gebruik maakte van kinderopvang zonder dat u al kinderopvangtoeslag ontving?
A: Wij hebben geen uurtarief afgesproken en de man van [A] heeft het daar ook nooit over gehad. Wij konden dat geld gewoon houden zei hij. Zoals we net zeiden hebben wij dit geld, met toestemming van onze ouders, ook zelf gehouden.
48. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 17 maart 2010 (G082-01) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven –
als verklaring van getuige [betrokkene 14]:
V = Vraag verbalisant(en)
A = Antwoord gehoorde
(…)
Per 01-10-2008 ben ik gaan werken bij [C] B.V. Ik ben daar als adviseur in dienst getreden. Vanaf 2004 ken ik [verdachte]. Hij vroeg mij op enig moment om voor hem te komen werken.
(…)
V: Waar bestonden uw werkzaamheden uit als consulent van [A]?
A: Het geven van voorlichting over hoe de Wet Kinderopvangtoeslag in elkaar stak, het maken van een berekening van de hoeveelheid kinderopvangtoeslag dat in een concreet geval kon worden ontvangen en, indien mogelijk, het afsluiten van een overeenkomst met het gastouderbureau ‘[A]’.
49. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 18 maart 2010 (G082-02) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven –
als verklaring van getuige [betrokkene 14]:
V = Vraag verbalisant(en)
A = Antwoord, gehoorde
(…)
V: Als een gastouder gratis - om niet - oppast op één of meer kinderen van een (aanvraag)ouder, bestaat er dan recht op kinderopvangtoeslag?
A: Nee. Maar in de visie van [A] is het antwoord echter: Ja. In de visie van [A] wordt er een formeel jasje aan gegeven, met inschrijving bij een gastouderbureau en contracten en dergelijke. Je ging dan met terugwerkende kracht een voorschot aanvragen en vanuit dat voorschot betaalde je met terugwerkende kracht de gastouder. Dat was het systeem bij [A].
V: Is het mogelijk met betrekking tot een reeds verstreken periode alsnog kinderopvangtoeslag aan te vragen als een gastouder in die reeds verstreken periode gratis — om niet — heeft opgepast op één of meer kinderen van een vraagouder?
A: Kijk, als je de vraag zo stelt, dan zeg ik nee. Maar in de visie van [A] kon het wel. En als medewerker van [A] heb ik overeenkomstig die visie gehandeld. [verdachte] zei namelijk met stelligheid dat het wel kon.
(…)
Ik moest wel op enig moment aan de ouders vragen of er in het verleden ook is opgepast. De achterliggende gedachte daarbij was om met terugwerkende kracht kinderopvangtoeslag aan te vragen. In vergaderingen werd daarop gehanteerd (
BFK: blijkens bewijsmiddel 5 ten aanzien van feit 3 in vonnis: ‘gehamerd’). .
50. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 10 maart 2010 (G081-01) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven –
als verklaring van getuige [betrokkene 15]:
V= Vraag verbalisant(en)
A= Antwoord gehoorde
(…)
[verdachte] was mijn leidinggevende. Hij gaf de voorlichting en instructies en als er problemen waren moest ik mij richten tot [verdachte].
(…)
V: Waar bestonden uw werkzaamheden uit als consulent van [A]?
A: Ik kreeg een adres in mijn agenda en dan ging ik naar de klant en daar legde ik de kinderopvangtoeslagregeling uit en ik legde ook uit wat voor bedrijf wij, [A], waren.
51. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 10 maart 2010 (G081-02) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven –
als verklaring van getuige [betrokkene 15]:
V= Vraag verbalisant(en)
A= Antwoord gehoorde
(…)
V: Er zijn vele overeenkomsten gesloten waarbij de kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht is aangevraagd. Welke instructie heeft u gehad met betrekking tot het voorlichten van de vraagouders ter zake de aanvragen kinderopvangtoeslag met terugwerkende kracht?
A: [verdachte] heeft ons verteld dat het van de overheid mocht. Hij zei dan ook dat je belasting kon terugvragen over een voorgaand jaar. Wij, consulenten, moesten de kinderopvangtoeslag altijd met terugwerkende kracht indienen. [verdachte] verplichtte ons daartoe. Het was zelfs zo dat, als ik een contract afsloot zonder terugwerkende kracht, [verdachte] mij dan direct opbelde en dan kreeg ik op mijn donder dat ik het niet met terugwerkende kracht had aangevraagd. Ja, dit hield [verdachte] heel goed in de gaten.
52. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 16] d.d. 4 november 2009 (G041-01), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als verklaring van getuige [betrokkene 16]:
(…)
Werd de oppas, voordat gebruik werd gemaakt van de kinderopvangtoeslag, betaald voor de opgepaste uren? Welk bedrag betaalde u per uur in de periode dat u gebruik maakte van kinderopvang zonder dat u al kinderopvangtoeslag ontving?
A: Ja, er werd 25 tot 50 euro per maand betaald.
(…)
V: Wij tonen gehoorde een afdruk van een Aanvraag kinderopvangtoeslag 2008 Belastingdienst/Toeslagen, door ons genummerd D-202 en vragen gehoorde wat hij hierover kan verklaren.
A: Ik zie dat in de aanvraag staat dat de kosten van dagopvang 80 uren á € 6,10 is € 488 per maand bedragen. Dit bedrag heb ik nooit als kosten gehad.
(…)
V: Heeft u in 2008 uw oppas 6,10 euro per opgepast uur betaald, zoals in de aanvraag staat vermeld?
A: Nee.
V: Door wie is het uurtarief van 6,10 euro bepaald?
A: Dat heeft de man van [A] bepaald. Ik heb er geen verstand van. [A] heeft mij verteld dat de oppas door belastingdienst wordt betaald en dat wij en mijn ouders er beter van worden.
53. Een schriftelijk bescheid, genummerd als D-009, te weten een door [A] gehanteerd schema voor de berekening van de kinderopvangtoeslag, voor zover inhoudende:
54. Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 26 september 2018 van de meervoudige kamer, zitting houdende te gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Zwolle, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als verklaring van verdachte:
Nadat de jongste rechter bijlage D-009 uit het dossier heeft voorgehouden verklaart verdachte het volgende - zakelijk weergegeven:
De medewerkers kregen dit schema mee. Het was met name voor de vraagouders van belang. U vraagt mij of ik aan de hand van dit voorbeeldschema kan uitleggen hoe het systeem in elkaar zit. Kennelijk is er in dit voorbeeld sprake van twee kinderen. Per kind is er per maand een oppas voor 140 uren geregeld. Dit zijn 280 uren in totaal per maand. Het tarief is € 6,10.
Nadat de jongste rechter vraagt wat het tarief inhoudt verklaart verdachte hel volgende - zakelijk weergegeven:
Dit is het oppastarief. Het oppastarief kon je bij de Belastingdienst voor € 6,10 declareren. Het klopt niet dat ik een lager tarief heb afgesproken, want in het schema staat € 6,10. De vraagouders hebben een bijdrage ontvangen en zij moesten de ouderbijdrage betalen. Er is sprake van een schenking van € 347,-.
Op basis van het verhaal, zoals beschikbaar werd gesteld, werd uitgerekend wat de vergoeding was voor het gastouderbureau. Het klopt dat de oppas dan de spaardelen betaalt. De oppas krijgt € 1.126,- + € 347,-. Dan schenkt de ouder die € 347,- terug. De oppas heeft dan uiteindelijk € 1.126,- + € 347,- ontvangen. U merkt op dat er bij de Belastingdienst € 1.708,- wordt gedeclareerd en vraagt wat de vraagouder nu betaalt. De vraagouder zou € 347,- hebben moeten betalen, maar ze hebben niets betaald. Zij krijgen een schenking van de gastouder.
55. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 2 juli 2010 (V02-04), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -
als verklaring van verdachte:
(…)
V: Op 10 november 2009 is mevrouw [betrokkene 17] als gastouder gehoord. Tijdens het getuigenverhoor heeft zij onder meer het volgende verklaard:
“De vergoeding is destijds vastgesteld door [betrokkene 18]. Met mijn dochter had ik geen vergoeding per uur afgesproken. Die [betrokkene 18] maakte ons duidelijk dat wij voor zo 'n vergoeding in aanmerking zouden komen. Hij bepaalde het tarief.”
Uit de verklaringen komt naar voren dat de vraag- en gastouder geen uurtarief waren overeengekomen. Op basis waarvan heeft [A] een aanvraag kinderopvangtoeslag ingediend waarbij per uur de maximale kosten á € 6,10 werden gedeclareerd bij de Belastingdienst/Toeslagen?
A: Hetgeen wat ik al eerder heb verklaard. Het uurtarief was bij [A] altijd € 6,10 en voor een ander tarief kon men bij [A] niet terecht. Voor het tarief van € 6,10 per uur per kind werd door [A] een aanvraag voor de kinderopvangtoeslag ingediend. Voor dit uurtarief diende [A] altijd een aanvraag in. U zegt dat [betrokkene 17] gratis oppaste. Inderdaad, [betrokkene 17] paste gratis op, maar toen kwamen wij van [A] en wij hebben [betrokkene 17] en [betrokkene 19] de kinderopvangtoeslag geïntroduceerd.
56. Een schriftelijk bescheid, genummerd als D-029a, te weten een door [A] gehanteerd schema voor de berekening van de kinderopvangtoeslag, voor zover inhoudende:
(
BFK: niet opgenomen; vgl. bewijsmiddel 53)
57. Een schriftelijk bescheid, genummerd als D-086, te weten een door [A] gehanteerd schema voor de berekening van de kinderopvangtoeslag, voor zover inhoudende:
(BFK: niet opgenomen; vgl. bewijsmiddel 53)
58. Een schriftelijk bescheid, genummerd als D-361, te weten een door [A] gehanteerd schema voor de berekening van de kinderopvangtoeslag, voor zover inhoudende:
(
BFK: niet opgenomen; vgl. bewijsmiddel 53)
59. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een instructiemap van [verdachte] voor zijn personeel (als bijlage 1 van de in het dossier opgenomen pleitnota van raadsman mr. De Bont, overgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 16 april 2015) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven:
Het uitgangspunt van [A] is om te trachten de kosten voor kinderopvang voor de vraagouders nihil te maken.
Dit uitgangspunt wijkt sterk af van al het gangbare in de praktijk.
Hoe wordt dit bewerkstelligd? Door toepassing van het schenkingsrecht.
In de rekenhulp van [A] en in de contracten wordt uitgegaan van de notie dat het verschil tussen het toegekende subsidiebedrag per uur (minus € 1 bemiddelingskosten) en € 6,10 betrokken wordt in het schenkingsrecht.
Voorbeeld:
100 uur per maand oppas € 6,10 per uur per jaar € 7.320
(is het bedrag dat de oppas
op papiermoet ontvangen)
Toegekende toeslag € 5,00 per uur per jaar € 6.000
(is het bedrag dat de oppas effectief ontvangt)
Eigen bijdrage vraagouder =
bedrag schenking van oppas aan vraagouder per jaar € 1.320
Dit bedrag valt dus ruimschoots binnen de vrijstelling van € 2.734 per jaar voor ‘andere verkrijgers’. Er hoeft door de vraagouder dus geen schenkingsrecht worden betaald over deze schenking.
De consequentie is wel dat de oppas relatief veel belasting betaalt over het inkomen dat hij/zij vergaart. Immers, in dit voorbeeld moet de oppas afrekenen over € 6.000 en niet over € 6000 min € 1.320.’
50. Het hof heeft in de bewijsoverwegingen in het bestreden arrest in de eerste plaats bewijsoverwegingen overgenomen die de rechtbank in het vonnis had opgenomen en die mede voor het onder 3 bewezenverklaarde relevant zijn. Deze luiden als volgt:
‘“
Relevante wetgeving
Verdachte wordt verweten dat hij valsheid in geschrift en oplichting heeft gepleegd bij de aanvragen kinderopvangtoeslag die door zijn gastouderbureau namens de vraagouders zijn gedaan. Voor een beoordeling van de regels waaraan een aanvraag kinderopvangtoeslag destijds diende te voldoen zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang. In het navolgende wordt uitgegaan van de wetsteksten zoals die destijds luidden.
De Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: WKO) is een inkomensafhankelijke regeling aangaande een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang en waarborging van de kwaliteit van kinderopvang en is in 2006 opgenomen in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). In het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen (hierna: Besl. WKO) worden nadere regels gesteld omtrent de uitvoering van de wetgeving ten aanzien van de kinderopvangtoeslag.
In de wetten zijn de volgende definities opgenomen, voor zover hier van belang:
b. kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint;
c. gastouderopvang: kinderopvang in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van artikel 5, eerste lid, aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk een tegemoetkoming of diens partner, bestaande in de gelijktijdige opvang van ten hoogste vier kinderen in de woning waar de ouder of de gastouder zijn hoofdverblijf heeft;
e. gastouderbureau: een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt;
f. gastouder: de natuurlijke persoon die gastouderopvang biedt;
n. kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van de kinderopvang;
b. berekeningsjaar: het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft;
i. tegemoetkoming: een financiële bijdrage van het Rijk op grond van een inkomensafhankelijke regeling;
Ten aanzien van de kinderopvangtoeslag zijn de volgende wettelijke bepalingen relevant:
1. Een ouder heeft aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het betreft kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.
1.Een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot het berekeningsjaar kan tot 1 april van het jaar volgend op het berekeningsjaar worden ingediend bij de Belastingdienst/Toeslagen.
1.De hoogte van de kinderopvangtoeslag is afhankelijk van:
a. de draagkracht, en
b.de kosten van de kinderopvang per kind die worden bepaald door:
1°het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,
2°de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en
3°de soort kinderopvang.
2. De uurprijs die bij de hoogte van de kinderopvangtoeslag, bedoeld in het eerste lid, in aanmerking wordt genomen gaat een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen bedrag niet te boven. Dat bedrag kan per soort kinderopvang verschillend worden vastgesteld en kan voor kinderopvang die plaatsvindt in landen die geen deel uitmaken van de Europese Unie dan wel geen partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte lager worden vastgesteld.
1. De maximumprijs voor dagopvang, buitenschoolse opvang of gastouderopvang bedraagt € 6,10.
2.Indien de prijs per uur kinderopvang hoger ligt dan de maximum uurprijs wordt bij de bepaling van de hoogte van de kinderopvangtoeslag per kind in plaats van de prijs per uur kinderopvang de maximum uurprijs in aanmerking genomen.
Met betrekking tot de verklaring omtrent het gedrag zijn de volgende bepalingen van belang:
3. Op personen werkzaam bij een gastouderbureau en op gastouders is artikel 50, tweede, derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
2. Personen werkzaam bij een kindercentrum zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
3.De verklaring; als bedoeld in het tweede lid, wordt aan de houder overgelegd, voordat een persoon als bedoeld in het tweede lid, zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd, niet ouder dan twee maanden.
En daarnaast zijn nog de volgende algemene bepalingen in deze wetten opgenomen:
art. 1a WKO
1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regeling, met uitzondering van artikel 5, van toepassing, met dien verstande dat met de aanwezigheid van een partner geen rekening wordt gehouden in de kalendermaand waarin het partnerschap aanvangt of eindigt.
2. De uitvoering van toekennen, uitbetalen en terugvorderen van de kinderopvangtoeslag is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.
2.Een houder van een gastouderbureau draagt zorg voor een verantwoorde uitvoering van de werkzaamheden van het bureau, waaronder wordt verstaan het tot stand brengen en begeleiden van gastouderopvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving.
Kinderopvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.
Oordeel van de rechtbank
Uit bovenstaande wetgeving kan het volgende worden afgeleid.
De houder van een geregistreerd gastouderbureau brengt gastouderopvang tot stand. Voordat iemand als gastouder zijn werk kan aanvangen moet hij/zij in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag, welke aan de houder van het gastouderbureau moet worden overgelegd en die niet ouder mag zijn dan twee maanden. De opvang geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst. Nadat aan - onder andere - deze voorwoorden is voldaan kan de vraagouder (of het gastouderbureau namens die vraagouder) een tegemoetkoming in de kosten aanvragen, waarvoor in 2008 en 2009 een maximale uurvergoeding was vastgesteld van € 6,10.
Hieruit kan worden afgeleid dat, ook al was er voordat gastouderbureau [A] in beeld kwam bij de vraagouders (nog) geen sprake van betaling aan de gastouder(s), bij de ingang van het contract met het gastouderbureau wel moest zijn voldaan aan - onder andere - de volgende voorwaarden:
- er moest een schriftelijke overeenkomst zijn, en
- de gastouder moest voorafgaand aan de werkzaamheden in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag.
Hiernaast werden er ook regels gesteld aan de veiligheid van de oppasomgeving en de pedagogische voorwaarden voor het oppassen, maar daar ziet de tenlastelegging niet op.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vorenstaande zonneklaar dat eerst nadat aan alle wettelijke voorwaarden was voldaan, de vraagouder, mits er daadwerkelijk kosten werden gemaakt voor de gastouderopvang, een tegemoetkoming in die kosten kon aanvragen: de kinderopvangtoeslag. Een andere uitleg van de wettelijke bepalingen, zoals die door de verdediging wordt voorgestaan en die inhoudt dat ook recht op kinderopvangtoeslag zou kunnen bestaan over een periode waarin door de ouders geen kosten werden gemaakt en voordat gastouderopvang plaatsvond door tussenkomst van en op basis van een schriftelijke overeenkomst met een geregistreerd gastouderbureau, is evident in strijd met de tekst van de bepalingen en met de doelstelling van de WKO.’
51. Het hof heeft in het bestreden arrest inzake het onder 3 bewezenverklaarde feit de volgende bewijsoverweging opgenomen:
‘De omvang en ernst van de fraude is veel groter dan door de rechtbank is vastgesteld. Niet alleen de tegemoetkoming in de uren die werden gedeclareerd vóórdat een overeenkomst met [A] werd getekend werd ten onrechte aangevraagd. Ook tegemoetkoming voor de uren die ná het sluiten van de overeenkomst met [A] werden gedeclareerd is ten onrechte aangevraagd.
Het hof zal dit toelichten aan de hand van een voorbeeldberekening uit het dossier. Deze berekening is te vinden als document D043. Dit document ziet er zo uit:
KINDEROPVANGSUBSIDIE
Uitgangspunten op maandbasis
Deklaratie uren bij de belastingdienst 484 tarief € 6,10 € 2.952
Per maand heeft u recht op de volgende subsidie: € 2.756
(op basis van de door u opgegeven inkomens, woonlasten en pensioenpremies)
De ouderbijdrage is derhalve € 197
Schenking krachtens leveringsvoorwaarden van oppas aan ouder € 197
De kosten voor de ouder zijn per saldo € 0
BETAALSCHEMA
Beschikbaar gesteld door fiscus: € 2.756
Vergoeding voor gastouderbureau € 407
Beschikbaar voor de oppas € 2.349
Sparen:
Beschikbaar voor:
Beschikbaar voor:
Beschikbaar voor:
Reserverenvoor belastingbetaling voor de oppas € 705 30%
Besteedbaar:€ 1.644
Voor ouders € 822 50%
Resteert netto voor oppas € 822
Resumé:
Ouders ontvangen besteedbaar € 822 per maand
Oppas ontvangt voor belastingbetaling € 705 per maand
Oppas ontvangt besteedbaar € 822 per maand
Kinderen sparen € 0 per maand
Op het formulier is tevens in het gedeelte een betaalschema opgenomen waaruit volgt dat het geld van de fiscus wordt ontvangen door [A] die de tegemoetkoming onder inhouding van de vergoeding voor [A] doorbetaalt.
Alle zich in het dossier bevindende betaalschema’s hebben dezelfde structuur als het hierboven weergegeven voorbeeld. Overal is als uurtarief € 6,10 ingevuld (het maximum bedrag per uur dat gedeclareerd kan worden in het betreffende jaar), is vermeld dat de ouderbijdrage door de oppas krachtens leveringsvoorwaarden aan de vraagouders wordt geschonken en worden de percentages van 30% en 50% genoemd. De uiteindelijk in de formulieren opgenomen bedragen variëren uiteraard omdat die afhankelijk zijn van het aantal kinderen en het aantal uren. Ook wordt in een aantal gevallen in het formulier nog een schenking aan de kinderen opgenomen voor bijv. € 50 per kind per maand.
Het formulier is opgesteld door verdachte en door hem verstrekt aan de vertegenwoordigers van [A] ten behoeve van de werving van klanten.
Uit het dossier blijkt dat in geen enkele overeenkomst een uurtarief tussen vraagouder en gastouder (of tussen [A] en de gastouder) is overeengekomen. Veelal werd er al opgepast door de gastouder op grond van een familierelatie en werd daarvoor door de gastouder geen of een geringe vergoeding ontvangen. In die gevallen waarin, veelal pas na bemiddeling door [A], wel aan de gastouder een vergoeding werd verstrekt, was dat of het in het betaalschema genoemde bedrag of het al van [A] ontvangen bedrag. In geen enkel geval is er sprake van dat de vraagouder daadwerkelijk alle gedeclareerde kosten maakt voor kinderopvang.
De regeling gaat er vanuit dat de vraagouder in het aangehaalde voorbeeld € 2.952 aan kosten maakt (inclusief de kosten van bemiddeling door het gastouderbureau die ook gedeclareerd kunnen worden) en na ontvangst van de toelage per saldo € 197 (de ouderbijdrage) aan kosten heeft gehad. Door de werkwijze van [A] heeft de vraagouder echter niet € 197 aan kosten, maar ontvangt deze nota bene € 822 per maand.
Het hoeft geen betoog dat dit evident in strijd is met het doel, de strekking en de tekst van de regeling. Verdachte vraagt met zijn bedrijf voor de vraagouders een vergoeding aan voor kosten die zij niet maken.
Verdachte heeft gesteld dat er geen sprake was van opzet. Hij meent dat de gastouders recht hadden op de vergoeding en dat zij die vervolgens mochten schenken aan de vraagouders of de kinderen waar zij op pasten. In ieder geval zou dat volgens verdachte een pleitbaar standpunt zijn en was er sprake van een verschoonbare dwaling over.de uitleg van de regeling.
Het hof volgt verdachte niet. Uit een namens verdachte zelf in het geding gebrachte toelichting voor zijn medewerkers wordt er op gewezen dat er “op papier” betaald dient te worden aan de gastouders. Verder is opvallend dat in het schema wel rekening wordt gehouden met ongeveer 30% door de gastouder te betalen belasting over het bedrag dat in het schema genoemd wordt als beschikbaar voor oppas. Op geen enkele wijze wordt rekening gehouden met de belasting die de gastouder zou moeten betalen over het bedrag van de ouderbijdrage dat door de gastouder aan de vraagouder geschonken zou moeten worden volgens het schema. Dat er geen sprake is van een serieuze schenking blijkt ook uit het feit dat die schenking plaatsvindt “volgens leveringsvoorwaarden”. Nergens wordt door verdachte op de formulieren gewezen op de fiscale gevolgen van schenkingen. Daarnaast pasten de gastouders in zeer veel gevallen al op voor de vraagouders zonder er een vergoeding voor te willen hebben. Veelal wilde men die vergoeding ook niet in verband met de familierelatie. Verdachte heeft er nog op gewezen dat het de gastouders vrijstaat zelf te bepalen wat zij met de door hen ontvangen gelden doen. Daarbij gaat verdachte er echter aan voorbij dat door hem in het rekenschema van tevoren al is ingevuld wat er met de aan toelage ontvangen gelden zou dienen te gebeuren. De regeling laat geen ruimte voor het door verdachte ingenomen standpunt. Anders dan verdachte meent, kan daar geen misverstand over bestaan.
Verdachte stuurde zijn medewerkers op pad met overeenkomsten, machtigingen en berekeningsschema’s. Tevens gaf hij zijn medewerkers instructie. De in de tenlastelegging genoemde bescheiden zijn ook door de betrokkenen ingevuld conform die instructies en aan de hand van de schema’s. Er is daardoor in elk van die gevallen van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medewerkers en - in die gevallen waarin sprake is van opzet bij vraag- of gastouders - met de ouders.
Verdachte heeft met zijn wijze van handelen ook de vraagouders misleid. Hij deed het voorkomen als zouden de vraagouders recht hebben op een vergoeding waardoor zij zijn bewogen tot het afstaan van een deel van de vergoeding aan het gastouderbureau.’