Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 oktober 2019.
Hoge Raad
In deze strafzaak is de verdachte veroordeeld voor het invoeren en voorbereiden van de invoer van ongeveer 127,7 kilogram heroïne in Nederland. Tijdens het hoger beroep verzocht de verdediging meerdere malen om het horen van vier getuigen die in Turkije verblijven, omdat zij mogelijk konden bevestigen dat de verdachte geen wetenschap had van de drugs en niet betrokken was bij de organisatie.
Het hof wees dit verzoek aanvankelijk toe en verwees de zaak naar de raadsheer-commissaris om de getuigen te horen, bij voorkeur via videoverbinding. Echter, de uitvoering van het rechtshulpverzoek aan Turkije verliep zeer traag en moeizaam. Uit rapportages bleek dat twee getuigen gedetineerd waren, één getuige niet kon worden aangehouden en een vierde getuige was verhuisd vanwege terreuraanslagen. De liaison officer in Turkije was zijn netwerk kwijtgeraakt, waardoor de afhandeling van rechtshulpverzoeken langdurig zou zijn.
De verdediging bleef volharden in het verzoek, maar het hof oordeelde op 1 februari 2018 dat het onaannemelijk was dat de getuigen binnen een aanvaardbare termijn gehoord konden worden en wees het verzoek af. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af, omdat de verdediging geen nieuwe informatie heeft verschaft die de haalbaarheid van het horen van de getuigen binnen redelijke termijn aannemelijk maakt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot het horen van getuigen uit Turkije wordt afgewezen wegens onhaalbaarheid binnen aanvaardbare termijn.