Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Samenvatting feiten en procesverloop
3.Het middel
NJ2020/38, m. n.t. Vellinga, had de verdachte samen met haar man (medeverdachte) als hoofdbewoner en mede-eigenaar van de gezamenlijke woning de beschikking over die woning. De man van de verdachte was betrokken bij een hennepkwekerij die was gevestigd in twee ruimtes in die woning waar hij ook de gekweekte planten verzorgde. De verdachte wist van de kwekerij en heeft de situatie in stand gelaten. Op basis van deze vaststellingen oordeelde het hof dat de verdachte aan haar man opzettelijk gelegenheid had verschaft tot het telen van hennep. De Hoge Raad achtte dat oordeel niet toereikend gemotiveerd en overwoog daartoe als volgt:
NJ2017/107 werd de verdachte door iemand die hem bij de voedselbank had aangesproken verzocht om een contract van een huurwoning op zijn naam te zetten. Nadat de verdachte samen met die persoon bij de woning had gekeken heeft hij het huurcontract ondertekend. Er werd vervolgens huisraad in de woning geplaatst en de verdachte moest af en toe langskomen bij de woning en doen ‘alsof’ de woning werd bewoond. In de kelder van de woning mocht hij niet komen. In de woning werd later een hennepkwekerij aangetroffen. Het hof oordeelde dat “de verdachte zich onder deze omstandigheden, in het bijzonder het verzoek om een huurcontract met een huurprijs van € 1.100,- per maand op zijn naam te zetten, de opdracht daarbij om te doen alsof het pand werd bewoond en het vooruitzicht op een vergoeding van twee- tot drieduizend euro per halfjaar, ervan [had] moeten vergewissen dat er in het betreffende pand (bijvoorbeeld in de kelder) geen strafbare feiten zouden worden gepleegd. Nu verdachte dat heeft nagelaten, heeft hij naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans op de koop toegenomen dat er in (de kelder van) het pand sprake zou kunnen zijn van het plegen van een misdrijf, zoals de teelt van hennep”. De Hoge Raad ging hier niet in mee en overwoog daartoe als volgt: