Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negenenzestig dagen, met aftrek van het voorarrest.
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden de verklaringen van de getuige [medeverdachte 1] voor het bewijs heeft gebezigd, terwijl de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen en de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit niet in voldoende mate steun vindt in de andere bewijsmiddelen.
de verdachte.De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 20 november 2017 verklaard – zakelijk weergegeven – :Ik ging een keer per week langs bij de woning aan de [a-straat 1] te Wassenaar.2. Een stamproces-verbaal aanleiding onderzoek d.d. 21 juli 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1571-2013136537-84. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 6 e.v.):
als relaas van de betreffendeopsporingsambtenaar:
als de op 18 augustus 2013 afgelegde verklaring van[betrokkene 3] :De woning aan de [a-straat 3] te Wassenaar is mijn woning. [verdachte] zit al tijden in het beheer van panden(het hof begrijpt: de verdachte).
Ik weet niet hoe die mensen heetten die de woning huurden. [verdachte] regelt dat altijd. [verdachte] kent zoveel mensen. Hij zit al jaren in het vastgoed. Wij zijn via [verdachte] aan de huurder gekomen. Ik dacht dat woning werd verhuurd voor ongeveer € 5000,= netto per maand. Ik kreeg het geld van de huur contant van [verdachte] .5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 18 juli 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1571-2013136537-23. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 103 e.v.):
als de op 18 juli afgelegde verklaring van[medeverdachte 1] :De door de verbalisant gestelde vragen zijn in dit proces-verbaal vetgedrukt weergegeven.Waarom is uw verblijf in het pand gratis en krijgt u 150 euro per week?Het pand moet er bewoonbaar uit zien. Ik verblijf daar in verband met al die toestanden die jullie daar hebben aangetroffen.Wat voor toestanden bedoelt u?De hennepkwekerij.Met wie heeft u alle afspraken betreffende het pand gemaakt en wat waren deze afspraken?Met [verdachte](het hof begrijpt: de verdachte).
Ik zou het huis onderhouden.6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 juli 2013 van de politie Haaglanden met nr. PL1571-2013136537-76. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (blz. 108 e.v.):
als de op 20 juli 2013 afgelegde verklaring van[medeverdachte 1] :V: vraag verbalisantA: antwoord verdachteWaarom heeft [verdachte] u gevraagd om in het pand [a-straat 1] te Wassenaar te wonen?Ik kwam voor het eerst in de woning en zei tegen [verdachte] dat ik niet in deze woning kon gaan wonen.Hoezo kon u dit niet?Ik heb een voorwaardelijke straf op het gebied van hennep.Dus [verdachte] wist van de hennepkwekerijen af?Ja, natuurlijk.Waarom bent u er dan toch gaan wonen?[verdachte] heeft mij omgepraat.Hoe vaak kwam [verdachte] op bezoek in de woning?Ongeveer een keer in de week.
mooi in de maling is genomen. Hij is door [verdachte](het hof begrijpt: de verdachte)
hierheen, naar het westen, gelokt, onder het mom van een ad hoc woning die [verdachte] voor hem zou hebben. Ik was erbij toen [verdachte] [medeverdachte 1] opbelde en hem vertelde dat hij die ad hoc woning voor hem had. Ik zag [medeverdachte 1] helemaal glunderen en toen ik aan hem vroeg wat er was toen zei hij nog tijdens het telefoongesprek tegen mij dat [verdachte] hem dat aanbod deed. Toen ben ik op een gegeven moment, een tijd na het telefoontje, samen met [medeverdachte 1] in de auto naar een [A] hotel hier in de buurt gegaan. Daar was [verdachte] ook. Ik heb toen [medeverdachte 1] bij [verdachte] achtergelaten. Zij zijn samen weggegaan in een auto.
counterbalancing factorsaanwezig waren zich niet enkel voordoet bij verklaringen die
sole or decisivezijn, maar ook bij verklaringen die zeer belangrijk zijn voor de bewezenverklaring. Het hof heeft verzuimd om aan te geven of de verklaringen van [medeverdachte 1] zeer belangrijk waren voor de bewezenverklaring, aldus de steller van het middel.
de oprechtheid en de geloofwaardigheid van een door de getuige afgelegde verklaring – daaronder begrepen een verklaring die eerder tijdens het vooronderzoek en buiten de aanwezigheid van de verdediging is afgelegd – te toetsen en aan te vechten”. [1] In dit verband benadrukken zowel het EHRM als de Hoge Raad doorgaans de autonome betekenis van het begrip ‘
witness’ in de zin van artikel 6 lid 3 onder Pro d EVRM. [2] Dit begrip omvat meer dan alleen de persoon die formeel als getuige ter terechtzitting wordt gehoord; het betreft iedere persoon die in het (voor)onderzoek verklaringen heeft afgelegd die van belang zijn voor de waarheidsvinding. In deze strafzaak is [medeverdachte 1] daarvan een voorbeeld. Hij heeft over de verdachte bij de politie belastend verklaard. Zijn in processen-verbaal vervatte verklaringen zijn om die reden in het perspectief van het EVRM
getuigenverklaringen. Dat die materiële getuige tevens medeverdachte is, maakt wat dit betreft niet uit. [3]
ondanks het nodige initiatief daartoe”, aldus steevast de Hoge Raad – géén gebruik heeft kunnen maken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging van een getuige ter terechtzitting, heeft het EHRM een beslissingsmodel in de vorm van een driestappentoets ontwikkeld die richtinggevend is voor het antwoord op de vraag of verdachtes aanspraak op een eerlijk proces is geschonden doordat de verklaring van de niet-ondervraagde getuige in de vorm van een
hearsay statementten laste van de verdachte aan de bewijsvoering heeft bijgedragen. Het middel geeft aanleiding tot enkele beschouwingen over die driestappentoets, die is beschreven in de
Al-Khawaja and Tahery judgmentvan het EHRM en die verder is genuanceerd in de
Schatschaschwili judgment. [5] , [6] Het thans besproken middel scharniert rond een toepassing van de door het EHRM ontwikkelde
sole or decisive rule, die aan de tweede stap van de driestappentoets ten grondslag ligt. Overigens benadrukt het EHRM dat de drie stappen in nauwe samenhang moet worden beschouwd en (dus) niet volledig los van elkaar kunnen worden gezien. [7]
three steps, te weten de vraag “
whether there was a good reason for the non-attendance of the witness and, consequently, for the admission of the absent witness's untested statements as evidence”. [8] Oftewel, was er een goede reden waarom de getuige niet ter terechtzitting aan een (kruis)verhoor is onderworpen en de nationale rechter voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de
untested statementvan de getuige, in plaats van een verklaring van die getuige ter terechtzitting?
good reasonaangemerkt. [10] Aangezien dit punt in cassatie niet uitdrukkelijk aan de orde is gesteld, laat ik dat hier rusten en volsta ik met de opmerking dat naar het oordeel van het EHRM het enkele ontbreken van een
good reason, weliswaar van groot gewicht is, maar niet op zichzelf reeds meebrengt dat artikel 6 EVRM Pro is geschonden. [11] Daar staat tegenover dat uit de
aanwezigheid van een
good reasonniet zonder meer voortvloeit dat aan de verplichtingen van artikel 6 EVRM Pro is voldaan. [12]
three stepsvan de
Al-Khawaja and Tahery judgment, te weten de vraag “
whether the evidence of the absent witness was the sole or decisive basis for the defendant’s conviction”, spitste het debat ter terechtzitting zich toe op de vraag, of en in hoeverre de politieverklaring van [medeverdachte 1] steun vindt in ander bewijs. Het hof heeft geoordeeld dat dit steunbewijs inderdaad in voldoende mate aanwezig is en dat (daardoor) de verklaringen van [medeverdachte 1] “
niet het enige of beslissende bewijs vormen voor de betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1 ten laste gelegde feit.” Het hof heeft dit oordeel toegelicht met overwegingen die in cassatie worden bestreden.
sole or decisive rule. [13] De aanzet tot deze regel is reeds te vinden in EHRM 24 november 1986 (Unterpertinger). [14] De regel is in dit verband voor het eerst met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht in EHRM 27 februari 2001 (Lucà). [15] De grondslag van de regel is de notie dat – indien de verklaring van een niet-ondervraagde getuige bijdraagt aan de bewijsvoering – de omvang van de schade voor de verdedigingspositie van de verdachte samenhangt met het gewicht van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige in de bewijsconstructie. De verdediging ondervindt bijvoorbeeld geen wezenlijk nadeel indien er ter terechtzitting geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid is geweest tot de ondervraging van een getuige aan wiens verklaring in de bewijsconstructie weinig tot geen betekenis toekomt. De verdachte had immers hoe dan ook kunnen worden veroordeeld. Vormt de verklaring van de niet-ondervraagde getuige daarentegen een stevig fundament voor de gehele bewijsconstructie, dan wordt de verdedigingspositie van de verdachte ernstig aangetast door de onmogelijkheid de getuige behoorlijk en effectief te ondervragen. [16]
sole or decisiveregel heeft het EHRM (grote kamer) gegeven in
Al-Khawaja and Tahery, waaraan ik de volgende overwegingen ontleen:
(…) the Court notes that the word ‘sole’, in the sense of the only evidence against an accused (…), does not appear to have given rise to difficulties, the principal criticism being directed to the word ‘decisive’. ‘Decisive’ (or ‘déterminante’) in this context means more than ‘probative’. It further means more than that, without the evidence, the chances of a conviction would recede and the chances of an acquittal advance, a test which, as the Court of Appeal in Horncastle and others pointed out (…), would mean that virtually all evidence would qualify. Instead, the word ‘decisive’ should be narrowly understood as indicating evidence of such significance or importance as is likely to be determinative of the outcome of the case. Where the untested evidence of a witness is supported by other corroborative evidence, the assessment of whether it is decisive will depend on the strength of the supportive evidence; the stronger the corroborative evidence, the less likely that the evidence of the absent witness will be treated as decisive.” [17]
(…), where a hearsay statement is the sole or decisive evidence against a defendant, its admission as evidence will not automatically result in a breach of Article 6 § 1. At the same time where a conviction is based solely or decisively on the evidence of absent witnesses, the Court must subject the proceedings to the most searching scrutiny. Because of the dangers of the admission of such evidence, it would constitute a very important factor to balance in the scales, (…), and one which would require sufficient counterbalancing factors, including the existence of strong procedural safeguards. The question in each case is whether there are sufficient counterbalancing factors in place, including measures that permit a fair and proper assessment of the reliability of that evidence to take place. This would permit a conviction to be based on such evidence only if it is sufficiently reliable given its importance in the case.” [18]
sole or decisive ruleis gaan heten: het criterium van voldoende steunbewijs. [19] Sindsdien heeft als het oordeel van de Hoge Raad te gelden dat artikel 6 EVRM Pro niet in de weg staat aan het gebruik voor het bewijs van de verklaring van een getuige à charge die niet (rechtstreeks) door de verdediging is kunnen worden ondervraagd indien “
die verklaring in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen”. Het steunbewijs dient daarbij betrekking te hebben op de door de verdachte betwiste onderdelen van de hem belastende verklaring, aldus de Hoge Raad. [20] Ik ga er hieronder vanuit dat de Hoge Raad met het criterium van voldoende steunbewijs beoogt toepassing te geven aan de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot de
sole or decisive ruleen dat het criterium van voldoende steunbewijs dus moet worden uitgelegd overeenkomstig de betekenis die het EHRM aan de
sole or decisive ruleheeft gegeven.
3.2.1. Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.
Schatschaschwili judgmentvan het EHRM.
Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist.”
onderscheidendis. Dat wil zeggen dat het (veel) beter past in het scenario waarop de tenlastelegging stoelt dan in het contraire, ‘alternatieve’ scenario dat van de zijde van de verdachte wordt aangedragen. Het benodigde steunbewijs staaft dus niet alleen het scenario van het OM, maar ondergraaft
tegelijkertijdin bepaalde mate dat van de verdediging. Dit kan alleen als het steunbewijs (mede) betrekking heeft op kwesties waarover die twee scenario’s uiteenlopen, bijvoorbeeld: het opzet, het daderschap of de daad. Voor zover de verklaring van de niet-ondervraagde getuige hierin het verschil maakt (en dat is in de relevante rechtspraak vrijwel altijd het geval), is dat precies het punt waar de verklaring van de getuige steun behoeft.
prima faciebelast (voldoende) steun oplevert voor de verklaring van de niet-ondervraagde getuige. Het komt in de strafrechtspraktijk nogal eens voor dat een verdachte (in een betrekkelijk laat stadium in het geding) alsnog een onschuldige verklaring geeft voor een hem belastende omstandigheid. Daardoor wordt echter
nietals vanzelf de ‘redengevendheid’ (tot het bewijs) van die omstandigheid ontzenuwd. De bewijskracht van een bepaalde omstandigheid moet worden beoordeeld naar de mate waarin die omstandigheid past in het scenario van het OM ten opzichte van dat van de verdediging. Sommige omstandigheden zijn bijvoorbeeld op zichzelf wel mogelijk, maar niet bijster waarschijnlijk onder het scenario dat de verdediging ingang wil doen vinden, terwijl het scenario van het OM de omstandigheid beter verklaart. Daarop mag de feitenrechter acht slaan.
Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.”
The stronger the corroborative evidence, the less likely that the evidence of the absent witness will be treated as decisive”, overwoog het EHRM in gelijke zin. [24] Aldus bezien, sluit deze vingerwijzing aan bij de overwegingen van het EHRM. [25]
als geheelmoet worden beschouwd. Ook het (ontlastend) bewijsmateriaal waarmee de verdediging haar alternatieve scenario (eventueel) onderbouwt dient dus in aanmerking te worden genomen, juist omdat het bewijsoordeel het resultaat is van een afweging van alle omstandigheden; het hangt er altijd vanaf wat er aan weerszijden in de schaal wordt gelegd. Naarmate het ontlastende bewijsmateriaal krachtiger is, zal op het springende punt ook meer mogen worden verlangd van het steunbewijs waarmee de rechter de verklaring van de niet-ondervraagde getuige schraagt.
decisive) kan worden aangemerkt. Ik grijp wat dit betreft terug op het hierboven reeds meer volledig weergegeven citaat uit
Al-Khawaja and Tahery, en dat ook in de meer recente rechtspraak van het EHRM telkenmale terugkeert, namelijk:
Instead, the word ‘decisive’ should be narrowly understood as indicating evidence of such significance or importance as is likely to be determinative of the outcome of the case.”
He was the only witness who had claimed to see the stabbing. His uncorroborated eyewitness statement was, if not the sole, at least the decisive evidence against the applicant for that reason.It was obviously evidence of great weight and without it the chances of a conviction would have significantly receded. Even though the testimony may have been coherent and convincing on its face it cannot be said to belong to the category of evidence that can be described as ‘demonstrably reliable’ such as a dying declaration or other examples given by the Court of Appeal and Supreme Court in their Horncastle and others judgments.” [26]
decisive) voor een bewijsoordeel indien dat oordeel met inachtneming van het bewijsmateriaal (waarschijnlijk) anders zou luiden dan wanneer het bewijsmateriaal buiten beschouwing wordt gelaten. [28] Deze vingerwijzing (van het EHRM) vereist daardoor van de feitenrechter de uitvoering van een moeizaam gedachtenexperiment. Moeizaam, omdat de rechter zich moet afvragen of de kansen op een veroordeling in aanzienlijke mate afnemen indien hij, de rechter,
onbekend zou zijn met de verklaring van de niet-ondervraagde getuige. Dat verlangt van de feitenrechter een (bijna) bovenmenselijke prestatie. Als een overtuiging eenmaal heeft postgevat, is het menselijkerwijs vrijwel ondoenlijk om de informatie waarop die overtuiging (mede) is gebaseerd buiten beschouwing te laten. Het redresseren van deze cognitieve vertekening vereist op zijn minst een zorgvuldige en rationele motivering van het resultaat van dit gedachtenexperiment, opdat de bewijsredenering van de rechter op haar validiteit kan worden getoetst.
Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd.”
overall fairness of the proceedingsgrote waarde toekent aan de bewijsmotivering van de nationale rechter. Onder weglating van verwijzingen citeer ik het EHRM uit
Schatschaschwili:
As it is not for the Court to act as a court of fourth instance, its starting point for deciding whether an applicant's conviction was based solely or to a decisive extent on the depositions of an absent witness is the judgments of the domestic courts. The Court must review the domestic courts' evaluation in the light of the meaning it has given to ‘sole’ and ‘decisive’ evidence and ascertain for itself whether the domestic courts' evaluation of the weight of the evidence was unacceptable or arbitrary. It must further make its own assessment of the weight of the evidence given by an absent witness if the domestic courts did not indicate their position on that issue or if their position is not clear.” [30]
In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging.” Mogelijk levert de Hoge Raad hiermee gepaste kritiek op gemeenplaatsen omtrent de betrouwbaarheid van de getuige die in sommige uitspraken van feitenrechters vallen te lezen, zoals die over de emoties van de getuige of de indruk die de getuige bij de rechter wekt. Het is de Hoge Raad kennelijk niet ontgaan dat mensen (en dus ook rechters) in het algemeen slecht in staat zijn om louter op basis van dergelijke indrukken ware van onware getuigenverklaringen te onderscheiden. Het is overigens wel de vraag of de Hoge Raad met deze vingerwijzing niet enigszins spaarzaam voortbouwt op de rechtspraak van het EHRM.
welen (vooral) welke vorm van bewijs
nietde verlangde steun aan de
hearsay statementkan verlenen. In elk geval zal het steunbewijs moeten worden geput uit een andere bron dan de niet-ondervraagde getuige. Tevens moet de door die andere bron voortgebrachte informatie
onafhankelijkzijn van de informatie die is vervat in de verklaring van de niet-ondervraagde getuige. Ware dit anders, dan zou de eerlijkheid van het strafproces over de band van het steunbewijs alsnog worden aangetast. Vanuit het oogpunt van de eerlijkheid van het proces is het bovendien uiterst problematisch wanneer die andere, onafhankelijke bron eveneens een niet-ondervraagde getuige betreft. De
sole or decisive ruleis in de bewijsvoering van toepassing op de
untested evidencein z’n totaliteit. [31]
wettigbewijs. Het kan gaan om direct dan wel om indirect (eventueel forensisch) bewijs.
onafhankelijkebronnen. [32] En daar wringt de schoen. Schakelbewijs berust namelijk op de vergelijking van onderscheidende kenmerken van een (strafbaar) feit met die van een of meer andere (strafbare) feiten. Die vergelijking vergt dus ook informatie over het onderwerpelijke delict zelf, bijvoorbeeld over de modus operandi, over het signalement van de dader, of over andere significante overeenkomsten en verschillen (wat betreft plaats-tijdstip, het slachtoffer, het object van het misdrijf, etc.). Dergelijke informatie is in de praktijk vaak uitsluitend afkomstig van de niet-ondervraagde getuige. De toepassing van schakelbewijs komt immers veelal voort uit bewijsarmoede: het fungeert als noodgreep, om de verklaring van de niet-ondervraagde getuige in de bewijsconstructie overeind te houden. Schakelbewijs is dus in de regel
nietonafhankelijk van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige. Dat geldt ook als er geen indicaties zijn dat de niet-ondervraagde getuige zijn of haar verklaring heeft afgestemd met de andere getuige(n). Een voorbeeld hiervan is de zaak tegen Al-Khawaja. Deze arts werd beschuldigd van twee gevallen van misbruik van vrouwelijke patiënten die op het moment van misbruik onder hypnose verkeerden. Een van hen was ten tijde van de terechtzitting in de strafzaak tegen Al-Khawaja reeds overleden. De verklaring van de andere patiënt diende bij de veroordeling van Al-Khawaja – voor het delict waarvan de overleden patiënt aangifte had gedaan – als schakelbewijs en ondersteunde in zoverre de verklaring van de overleden patiënt. Bij de toepassing van de
sole or decisive ruleis dat echter problematisch omdat voor het vaststellen van kenmerkende overeenkomsten tussen twee delicten weer een beroep moet worden gedaan op de verklaring van de niet-ondervraagde getuige.
decisivevoor de bewijsvoering tegen Al-Khawaja.
Al-Khawaja and Taheryin de voorliggende zaak niet aan de orde is, is het voor een goede schets van het probleemveld van belang om bij die laatste stap (korter) stil te staan in verband met de aard van het benodigde steunbewijs. De derde stap betreft de vraag (ik citeer weer uit
Schatschaswili) “
whether there were sufficient counterbalancing factors, including strong procedural safeguards, to compensate for the handicaps caused to the defence as a result of the admission of the untested evidence and to ensure that the trial, judged as a whole, was fair”. Het EHRM voegt hieraan toe: “
these counterbalancing factors must permit a fair and proper assessment of the reliability of that evidence.”
‘Counterbalancing factors’ moeten in staat stellen een eerlijke en juiste afweging te maken over de betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige die niet op de zitting is gehoord. Daarbij is al een belangrijke waarborg dat de nationale rechter heeft aangegeven de getuigenverklaring met behoedzaamheid te hanteren en dat men zich er van bewust is dat de getuigenverklaring aan bewijskracht inboet als er geen mogelijkheid is geweest de getuige ter zitting te horen. De nationale rechter doet er verstandig aan uitdrukkelijk aan te geven waarom, gelet op andere bewijsmiddelen, de verklaring toch als betrouwbaar kan worden aangemerkt.
geenonafhankelijke bronnen betreft. Ik heb het dan over de ondervraging van de verbalisanten die de niet-ondervraagde getuige hebben verhoord, over het onderwerpen van beeld- of geluidsmateriaal van het politieverhoor van de niet-ondervraagde getuige aan gedragskundig of rechtspsychologisch onderzoek, over het verhoor van getuigen die hebben verklaard over mededelingen of emoties van de niet-ondervraagde getuige, etc. Bewijsmateriaal dat binnen het domein van de tweede fase in de driestappentoets niet kwalificeert als steunbewijs kan in de derde fase een rol van betekenis vervullen. [34] Niet vanwege het enkele bestaan van dat steunbewijs, maar omdat de verklaring van de niet-ondervraagde getuige daardoor het onderwerp kan zijn van toetsing en tegenspraak.
overall fairness of the trial, en daartoe moeten de drie vragen dus in samenhang worden bezien. [37] Dit betekent dat het EHRM de driestappentoets telkens helemaal doorloopt. [38] Illustratief voor die aanpak is de volgende overweging van het EHRM in
Schatschaschwili:
significant weighttoekomt. Noch noodzaakt de rechtspraak van het EHRM de nationale rechter om zich in die gevallen uitdrukkelijk over het gewicht van de getuigenverklaring uit te spreken én in te gaan op de vraag naar compenserende maatregelen. De rechtspraak van de Hoge Raad dwingt daartoe evenmin. [40] Daarop stuit de tweede deelklacht van het middel af.
Oddone and Peccivan 17 oktober 2019. Wat was het geval? Bij een ‘
information technology check’ bleek de politie van San Marino dat een Italiaan, Oddone, samen met zijn ouders in drieënhalf jaar tijd bij drie verkeersongevallen betrokken was geraakt, namelijk in 2008, 2009 en 2011. De drie ongevallen gebeurden in dezelfde plaats in San Marino, waarvan de twee laatsten in dezelfde straat, terwijl Oddone niet in San Marino maar in Rimini (Italië) woonde. Bij ieder ongeval bestuurde Oddone een ander voertuig, terwijl die drie verschillende voertuigen bij drie verschillende verzekeringsmaatschappijen waren verzekerd. De toedracht van de ongevallen (kop-staartbotsingen met Oddone in het voorste voertuig) én het type letsel dat door één of beide van zijn meerijdende ouders werd opgelopen was telkens identiek.
nietgehoord als getuige in de strafzaken tegen Oddone en Pecci. De laatste twee ontkenden de delicten, maar gaven wel toe dat zij elkaar kenden en bovendien dat Pecci in een andere zaak als advocaat optrad voor Oddone, hetgeen de telefonische contacten tussen hen zou kunnen verklaren.
decisivewaren voor de veroordelingen van Oddone en Pecci. De rechters motiveerden dat oordeel. De rechters achtten het uiterst onwaarschijnlijk dat Oddone bij toeval tweemaal in relatief korte tijd betrokken raakte bij een verkeersongeval dat op identieke wijze plaatsvond in dezelfde straat in San Marino, met dezelfde slachtoffers, met hetzelfde letsel, en waarbij telkens een bekende van hem achterop het door hem, Oddone, bestuurde voertuig was gebotst. Voor deze bijzondere omstandigheden hadden Oddone (en Pecci) bovendien geen redelijke, onschuldige verklaring gegeven.
good reasonwas om het verhoor van de getuigen L. en G. in de strafzaken tegen Oddone en Pecci achterwege te laten. Binnen het bestek van de tweede etappe van de driestappentoets oordeelde het EHRM:
(…). As to the strength of the additional incriminating evidence available in the present case, the Court will first take into account the evidence in relation to the first accident. Apart from the statements of L. and G., the corroborating factors consisted of the general circumstances of the accidents (see paragraph 9 above) which led to the matter being investigated, and the phone records (namely a list of phone calls, but not their content) between the first applicant and the second applicant, which happened after the first accident and for which the applicants provided an explanation (see paragraph 43 above). As to the second accident, the corroborating factors consisted again of the general circumstances of the accidents (see paragraph 9 above) and the phone records (namely a list of phone calls, but not their content) between the first applicant and G., before the accident. The Court considers that the available corroborative evidence could not be considered conclusive as to the fact that the accidents had been fictitious and as to the fraud with which the applicants were charged. It follows that since L. and G. were the only eyewitnesses to the offence in question, their testimony could be considered decisive. (...).” [41]
Manucharyanuit 2016. [42] Het betreft een schietpartij met dodelijke afloop. Op 1 juli 2009 liep Manucharyan een politiebureau in Alaverdi (Armenië) binnen om zichzelf aan te geven voor de doodslag. Manucharyan bekende het delict en overhandigde een vuurwapen.
good reasonvoor haar afwezigheid ter terechtzitting. In het kader van de tweede fase van de driestappentoets overwoog het EHRM:
As already noted, K.M.[hierboven M, de niet-ondervraagde getuige, D.A.]
was the only eyewitness to the offence. She knew the applicant[Manucharyan, D.A.]
, who was her neighbour, and had pointed him out when interviewed by the police (…). It is not in doubt that K.M.’s statement was not the only item of evidence on which the applicant’s conviction was based. However, her pre-trial statement was the only piece of direct evidence substantiating the allegation that it had been the applicant who had opened fire at K.S.’s car[het slachtoffer]
. In that sense K.M. can be considered to have been the key prosecution witness in the applicant’s case. As for the rest of the evidence, S.S.’s statement[S.S. is de zuster van het slachtoffer, D.A.]
merely proved that K.S. and the applicant had had strained relations while the statements of K.M.’s parents, A.M. and S.M., were based on her account of the events (…). It is true that V.J.’s statement[de vriend van de vader van Manucharyan]
, confirmed by him during the formal confrontation, contradicted the applicant’s defence statement that he had been in V.J.’s house when the offence had taken place (..). However, V.J.’s evidence taken alone did not prove that it had been the applicant rather than his brother who had shot at the car, as the applicant stated after he withdrew his confession. The Government was unable to demonstrate that the remaining evidence, including the forensic evidence, was enough to show conclusively that the applicant rather than somebody else, such as his brother, had committed the offence. For instance, it does not arise from the decisions taken by the domestic courts that the forensic evidence of gunshot residue on the clothes the applicant wore on the day of the incident proved that he had been the author of the shots. In view of the foregoing, the Court considers that the evidence of the absent witness K.M. was decisive for the applicant’s conviction.” [43]
counterbalancing factorsoordeelde het EHRM dat artikel 6 lid 1 en Pro lid 3 onder d EVRM was geschonden.
Oddone and Pecci) of niet (
Manucharyan). Bovendien is opvallend dat het EHRM de bewijsconstructie – in overdrachtelijke zin – benadert als een ‘salami’, door daarvan de stukjes (bewijs) af te snijden en die telkens te beoordelen op hun doorslaggevendheid voor de bewezenverklaring. Elk stukje bewijs afzonderlijk wordt te licht bevonden. Het EHRM beschouwt daarentegen niet de samenhang tussen het overige bewijsmateriaal, en in elk geval niet uitdrukkelijk. Het is hier niet aan mij om de door het EHRM gevolgde bewijsredeneringen te becommentariëren, want het gaat er uiteindelijk om hoe het steunbewijs
in de opvatting van het EHRMmoet worden gewaardeerd, wat er van die opvatting ook zij.
beslissendis voor het bewijsoordeel, benadrukt de Hoge Raad de vraag of de verklaring van de niet-ondervraagde getuige
voldoende steunvindt in het overige bewijsmateriaal. Hoewel deze twee verschillende vragen, zoals al eerder opgemerkt, ‘complementair’ zijn aan elkaar (met andere woorden: hoe meer steunbewijs voor de getuigenverklaring, hoe minder snel die verklaring als beslissend moet worden beschouwd, en andersom), valt niet uit te sluiten dat dit verschil in perspectief aanleiding kan geven tot antwoorden die niet met elkaar corresponderen. Dezelfde bewijsconstructie kan er vanuit verschillende invalshoeken anders uitzien.
Oddone and Peccien
Manucharyan, op een klacht over het ontbreken van de mogelijkheid om de getuigen L. en G., respectievelijk M., aan een kruisverhoor te onderwerpen, het oordeel van de feitenrechter dat die getuigenverklaringen voldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal in deze zaken, niet onbegrijpelijk zou achten. [44] Het EHRM oordeelde echter tegengesteld.
althanshij is géén medepleger van de opzettelijke teelt. Hij deed samen met [medeverdachte 1] een gouddeal. [medeverdachte 1] huurde de woning voor 5000 euro per maand (die hij aan de verdachte contant betaalde).
mooi in de maling is genomen. Hij is door [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) hierheen, naar het westen, gelokt, onder het mom van een ad hoc woning die [verdachte] voor hem zou hebben.” [medeverdachte 1] is in [medeverdachte 3] aanwezigheid gebeld door de verdachte en [medeverdachte 1] kreeg in dat gesprek een woning aangeboden. [medeverdachte 1] was daar blij mee. [medeverdachte 3] heeft [medeverdachte 1] daarop naar het parkeerterrein van het [A] hotel te Wassenaar gebracht. Hij heeft [medeverdachte 1] daar achtergelaten bij de verdachte, aldus [medeverdachte 3] ;
probative) zijn voor het eerste van de twee scenario’s, te weten het scenario waarop de tenlastelegging en de bewezenverklaring zijn gestoeld, acht ik op zichzelf niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte het initiatief nam om [medeverdachte 1] de woning ter bewoning aan te bieden, dat de verdachte in juni 2013 de energierekening heeft betaald, dat de verdachte de woning (gedurende [medeverdachte 1] ’s verblijf aldaar) wekelijks bezocht, en dat er gedurende bijna een jaar dagelijks telefonisch contact plaatshad tussen de verdachte en [medeverdachte 1] , betreffen omstandigheden die beter aansluiten bij het eerste scenario dan bij het tweede. Voor het afwikkelen van een gouddeal ligt het zonder nadere toelichting bijvoorbeeld niet onmiddellijk voor de hand dat je wekelijks op bezoek gaat bij je handelspartner en dat je met hem bijna een jaar lang gemiddeld ongeveer tien keer per week telefoneert.
is(en dát past dan vervolgens weer goed bij de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij werd betaald om in de woning te verblijven). Deze bewijsredenering is meer valide naarmate het waarschijnlijker is dat een contract of kwitanties (door de politie) zouden worden aangetroffen in het geval die er werkelijk zouden zijn, bijvoorbeeld doordat de politie daarnaar actief heeft gezocht. [46] Over de kwaliteit van het zoekproces heeft het hof echter niets vastgesteld. Datzelfde geldt voor het ontbreken van “
steun in het dossier” voor het bestaan van de gouddeal. Waarom zou die gouddeal steun moeten vinden in het dossier als er niet naar steun is gezocht? Daar staat tegenover dat de verdachte op zijn beurt kennelijk geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om zijn alternatieve scenario te staven met bescheiden die betrekking hebben op de gouddeal.
telenvan hennep, niet louter voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben daarvan. Rechtstreeks bewijs voor dat telen volgt alleen uit de verklaring van [medeverdachte 1] . De vraag die thans voorligt is echter niet of er indirect steunbewijs is voor de verklaring van de niet-ondervraagde getuige [medeverdachte 1] , want dat steunbewijs is er. De vraag is of er
voldoendesteunbewijs is voor de verklaring van [medeverdachte 1] , dan wel dat moet worden aangenomen die verklaring beslissend is voor het bewijs van medeplegen van het opzettelijk telen van hennep en dat de kans op een veroordeling van de verdachte voor dat delict significant afneemt zonder die verklaring.
tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden de ten overstaan van de politie afgelegde verklaring van de getuige [medeverdachte 3] (bewijsmiddel 11) als ondersteunend bewijs heeft gebezigd en voorbij is gegaan aan de verklaring die [medeverdachte 3] ter terechtzitting in eerste aanleg op 11 december 2014 heeft afgelegd. De steller van het middel betoogt dat het hof genoodzaakt was om die beslissing nader te motiveren.
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden het voorwaardelijk getuigenverzoek om de getuige [medeverdachte 3] ter zitting te horen heeft afgewezen.
NJ1994/427, waarnaar in de toelichting op het middel wordt verwezen, heeft de Hoge Raad met betrekking tot het gebruik voor het bewijs van verklaringen van getuigen opgenomen in ambtsedige processen-verbaal en het horen van deze getuigen onder meer het volgende overwogen: