Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
hij op tijdstippen, gelegen in de periode van 24 augustus 2007 tot en met 5 december 2008 in Nederland,
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
3 december 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 3 december 2019 het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 oktober 2017 gedeeltelijk vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling. De zaak betreft een verdachte die werd beschuldigd van beleggingsfraude, oplichting en valsheid in geschrift onder strafverzwarende omstandigheden.
De kern van het cassatieberoep betrof de afwijzing door het hof van een verzoek van de verdediging om drie getuigen te horen, waaronder een architect/ingenieur die betrokken was bij eerdere succesvolle projecten en het onderhavige project. De verdediging stelde dat deze getuige belangrijke informatie zou kunnen geven die de juistheid van de door de verdachte verstrekte informatie in het prospectus zou bevestigen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende gemotiveerd had waarom het verzoek tot het horen van deze getuige was afgewezen, terwijl de verdediging dit verzoek voorafgaand aan de terechtzitting kenbaar had gemaakt en het hof had aangegeven dat het verzoek eventueel ter terechtzitting herhaald kon worden. Gelet op de aard van het getuigenverzoek en de aangevoerde argumenten was de afwijzing zonder nadere motivering niet begrijpelijk.
De overige middelen van het cassatieberoep werden verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor zover het betrekking had op de tenlastelegging van het primaire feit en de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep met inachtneming van de motivering omtrent het getuigenverzoek.
Uitkomst: Het arrest van het hof is gedeeltelijk vernietigd en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende motivering bij afwijzing getuigenverzoek.