Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof niet dan wel onvoldoende heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat geen sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling in de zin van art. 326 Sr Pro ten tijde van het plegen van het onder 1 primair ten laste gelegde feit.
tweede middelklaagt blijkens de toelichting dat het hof niet dan wel onvoldoende heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de in de tenlastelegging genoemde mededelingen geen oplichtingsmiddel in de zin van art. 326 Sr Pro opleveren.
derde middelklaagt dat het hof het namens de verdachte gedane voorwaardelijke verzoek tot het horen van getuigen, ten onrechte, althans op gronden die de verwerping niet kunnen dragen, heeft verworpen.