Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
10 december 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond verdachte terecht voor medeplegen van oplichting door het versturen van 38 valse facturen aan een bank, waardoor ruim 1,6 miljoen euro werd overgemaakt, en het gebruik van vals geschrift met betrekking tot een van deze facturen. Het gerechtshof Amsterdam had verdachte veroordeeld en het cassatieberoep richtte zich onder meer op de bewijsvoering en de toepassing van meerdaadse samenloop.
De verdediging voerde een bewijsklacht aan tegen de bewezenverklaring van medeplegen oplichting en betwistte of het hof voor bewijs mocht afgaan op eigen waarneming van de rechtbank omtrent de indruk die een getuige had achtergelaten. Tevens werd aangevoerd dat het hof ten onrechte meerdaadse samenloop had aangenomen op grond van artikel 57 Sr Pro.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en dat nadere motivering niet nodig is omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde zijn. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de veroordeling van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen oplichting en valsheid in geschrift blijft in stand.