Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
verdachtedeze naar de ING heeft gestuurd, nu deze factuur in de computer van verdachte is aangetroffen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte tezamen met een ander dan wel anderen de in feit 1 genoemde 38 facturen naar de ING heeft verzonden en derhalve gebruik heeft gemaakt van alle valse facturen. Onder feit 2 is aan verdachte echter niet het medeplegen, maar het plegen te laste gelegd. Dat kan ten aanzien van die 37 facturen niet worden bewezen.’
eerstemiddel klaagt dat bij feit 1 het medeplegen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Blijkens de toelichting keert het middel zich in het bijzonder tegen de overweging dat ‘in het midden (kan) blijven welke handelingen verdachte en welke zijn mededader(s) heeft/hebben verricht’. Deze overweging zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Om de voor medeplegen vereiste - intellectuele en/of materiële - bijdrage van voldoende gewicht te kunnen vaststellen, zou het ‘van eminent belang (zijn) de handelingen van de verdachte en zijn mededader(s) vast te stellen’. Anders zou het vaststellen van het voldoende gewicht neerkomen op ‘een slag in de lucht of het bekende natte vingerwerk’.
tweedemiddel klaagt dat het hof ‘voor het bewijs c.q. de motivering daarvan’ gebruik heeft gemaakt van de eigen waarneming van de rechtbank omtrent de indruk die de getuige [medeverdachte 1] ter terechtzitting heeft achtergelaten bij de eerste rechter. Het hof heeft dit volgens de steller van het middel ten onrechte gedaan ‘aangezien vanwege de aard en omschrijving van die indruk verzoeker en zijn raadsman daardoor moeten zijn verrast omdat zij hier geen rekening mee hoefden te houden.’ Het arrest zou daardoor aan nietigheid lijden.
NJ2011/78 m.nt. Reijntjes heeft Uw Raad overwogen:
BFK: door) de ING de gelden werden gestort. De logica daarvoor zoals door [verdachte] gepresenteerd, mede gelet op de overdracht van het daaraan gekoppelde bedrijf [A] BV is m.i. volstrekt ongeloofwaardig. Kort gezegd komt het er op neer dat hij met een voor hem volstrekt onbekend persoon tot een overeenkomst was gekomen dat laatst genoemde een lege BV zou overnemen tegen betaling van € 1.600,= plus 20% van de te voorziene winst van € 10 miljoen met de afspraak dat [verdachte] tot voldoening van die 20% volledig over de bankrekening van de BV kon blijven beschikken. (…) Van [medeverdachte 1] was [verdachte] bovendien volstrekt niet onder de indruk:
“Ik nam het in het begin niet allemaal serieus. Ik weet niet of u [medeverdachte 1] heeft ontmoet maar dan begrijpt u wat ik bedoel.”’
derdemiddel klaagt dat het hof ten onrechte meerdaadse samenloop als bedoeld in art. 57 Sr Pro heeft aangenomen. Er zou veeleer sprake zijn van eendaadse samenloop als bedoeld in art. 55 Sr Pro dan wel een voortgezette handeling als bedoeld in art. 56 Sr Pro, ‘nu uit de gemotiveerde bewezenverklaring volgt dat sprake is van nauw met elkaar samenhangende gedragingen, die zich op dezelfde tijd en plaats hebben voorgedaan en aldus sprake is van één feitencomplex en de feitelijke en chronologische samenhang zo sterk is dat de voortgezette handeling overheerst’. Daarbij wijst de steller van het middel erop dat de rechtbank en het hof hebben vastgesteld dat de valse factuur als bedoeld in de bewezenverklaring van feit 2 door de verdachte zelf naar ING is verstuurd. In de toelichting wordt gesteld dat feit 2 als het ware in feit 1 opgaat. In feit 1 is immers bewezenverklaard dat sprake is van valselijk en bedrieglijk handelen; hetzelfde verwijt als in feit 2 tot uitdrukking wordt gebracht.
NJ2019/116 m.nt. Mevis, rov. 3.3.1 zijn deze overwegingen voor zover hier van belang als volgt samengevat:
concursus realis(meerdaadse samenloop) kan plaatshebben, en tussen het gebruik maken van het valse of vervalste stuk en oplichting
concursus idealis(eendaadse samenloop). [17] Aldus werd reeds bij het ontwerp van het wetboek de mogelijkheid van eendaadse samenloop van de delicten van art. 225, tweede lid, Sr en art. 326 Sr Pro aangenomen. In de literatuur wordt die mogelijkheid onderschreven, met de kanttekening dat niet valt in te zien waarom hier sprake zou moeten zijn van een beperking tot materieel valse geschriften; ook bij het gebruik van intellectueel valse geschriften zou van eendaadse samenloop sprake kunnen zijn. [18]