Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
BG1667.)
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
De betrokkene was onherroepelijk veroordeeld voor medeplegen van oplichting, gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie, maar vrijgesproken van enkele feiten van oplichting. Het hof stelde vast dat 70% van het wederrechtelijk verkregen voordeel naar de criminele organisatie ging, waarvan betrokkene en zijn mededader de kern vormden. Omdat betrokkene geen verklaring gaf over de verdeling van opbrengsten, werd het voordeel gelijk verdeeld.
De Hoge Raad herhaalt dat voor ontneming van voordeel uit deelname aan een criminele organisatie niet vereist is dat de deelnemer strafbaar betrokken is bij alle strafbare feiten. Ook voordeel uit feiten waarvan betrokkene is vrijgesproken, kan aan hem worden toegerekend. De schatting van het hof is gebaseerd op de transactiemethode en wettige bewijsmiddelen.
Het cassatieberoep faalt omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en het oordeel niet onbegrijpelijk is. Het arrest bevestigt de jurisprudentie over toerekening van wederrechtelijk voordeel bij meerdere daders en de wijze van schatting bij gebrek aan concrete verdelingsgegevens.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt toegerekend aan betrokkene op basis van deelname aan een criminele organisatie.