ECLI:NL:HR:2019:238

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 februari 2019
Publicatiedatum
14 februari 2019
Zaaknummer
18/02545
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 1:141 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van rekening-courantvordering in huwelijksvermogensrecht met periodiek verrekenbeding

In deze zaak stond centraal of een rekening-courantvordering van de man op zijn besloten vennootschap valt binnen het te verrekenen vermogen onder een huwelijksvermogensrechtelijk periodiek verrekenbeding. De procedure begon bij de rechtbank Midden-Nederland, waarna het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een beschikking gaf die door de man in cassatie werd aangevochten.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend in cassatie. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, waarop de raadsheren van de Hoge Raad het beroep eveneens verwierpen. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot nadere motivering omdat de klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De beschikking is op 15 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door de Hoge Raad, waarbij de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, C.E. du Perron en M.V. Polak betrokken waren. Het arrest bevestigt de eerdere beslissingen van lagere instanties zonder inhoudelijke wijziging.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

15 februari 2019
Eerste Kamer
18/02545
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikkingen in de zaak C/16/358183/FA RK 13-7875 van de rechtbank Midden-Nederland van 2 september 2015,
29 april 2016, 31 augustus 2016;
b. de beschikking in de zaak 200.204.446 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 maart 2018.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Mr. H.J.W. Alt heeft namens de man schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
15 februari 2019.