Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
29 april 2016, 31 augustus 2016;
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
15 februari 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een rekening-courantvordering van de man op zijn besloten vennootschap valt binnen het te verrekenen vermogen onder een huwelijksvermogensrechtelijk periodiek verrekenbeding. De procedure begon bij de rechtbank Midden-Nederland, waarna het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een beschikking gaf die door de man in cassatie werd aangevochten.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend in cassatie. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen, waarop de raadsheren van de Hoge Raad het beroep eveneens verwierpen. De Hoge Raad vond geen aanleiding tot nadere motivering omdat de klachten niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De beschikking is op 15 februari 2019 in het openbaar uitgesproken door de Hoge Raad, waarbij de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T. Heisterkamp, C.E. du Perron en M.V. Polak betrokken waren. Het arrest bevestigt de eerdere beslissingen van lagere instanties zonder inhoudelijke wijziging.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof wordt bekrachtigd.