Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
rechtbank), heeft de man, voor zover in cassatie van belang, verzocht de echtscheiding uit te spreken, de verrekening vast te stellen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en te bepalen dat partijen op grond van het niet uitgevoerde periodieke verrekenbeding niets van elkaar te vorderen hebben. Volgens de man behoort tot het te verrekenen vermogen niet de onderneming [A] B.V. [3]
eindbeschikking) heeft de rechtbank de man veroordeeld aan de vrouw te betalen een bedrag van € 130.416,61 in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank heeft geconstateerd dat de afgesproken waardering door de boekhouder van [A] B.V. niet heeft plaatsgevonden en dat dit de man valt te verwijten omdat het op zijn weg lag deze opdracht aan zijn boekhouder te verstrekken omdat het zijn onderneming is. (r.o. 2.13) Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat partijen het erover eens zijn dat bij de oprichting van de onderneming het eigen vermogen van de eenmanszaak van de man is ondergebracht in de onderneming. Naar het oordeel van de rechtbank is gesteld noch gebleken dat destijds bij de oprichting van de eenmanszaak, voor zover dit tijdens het huwelijk is gebeurd, overgespaard inkomen als bedoeld in art. 1:141 lid 3 BW Pro is ingebracht. Het opgebouwde eigen vermogen van de eenmanszaak behoorde daarom op 31 december 2012 tot het privévermogen van de man. De waarde van de aandelen in [A] B.V. behoort daarmee niet tot het te verrekenen vermogen. (r.o. 2.15)
hof). De man heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend. De vrouw heeft verweer gevoerd in het incidenteel appel.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Er kan derhalve enkel uitgegaan worden van de verklaring van boekhouder die eerder als productie 7 in de procedure is gebracht, waaruit blijkt dat de inbreng van het eigen vermogen € 268.943,00 bedraagt. Na het beëindigen van de eenmanszaak van de man is er volledig afgerekend en het bedrag van € 268.943,00 dat overbleef, is als rekening-courantschuld op [A] gezet, dat het vervolgens weer heeft uitgeleend aan [B] . Dit
overgespaarde inkomen dient derhalve met de vrouw gedeeld te worden.’ [onderstreping A-G]
en de gehele waarde van de onderneming betrokken had moeten worden bij de verrekening bestaande uit in ieder geval het overgespaarde inkomen zoals dat zich in de onderneming bevindten de waarde van de aandelen. [38] [onderstreping A-G]
p. 10 van de procesinleidingstelt
subonderdeel I.3verder dat het hof het verweer van de man onbesproken laat in de brief van 24 september 2020 van de man, p. 3, dat – ik citeer het subonderdeel – ‘de vrouw een deel van hetgeen was ingebracht in [A] B.V. dat nog op de oude rekening van de eenmanszaak van de man stond ad € 21.959,57, zichzelf heeft toegeëigend’ en dat ‘dit bedrag “in mindering dient te strekken op het mogelijk aandeel van de vrouw in de onderneming in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden”.’ Ook op dit punt heeft het hof hetzij de devolutieve werking miskend, hetzij is zijn oordeel onbegrijpelijk, althans is het niet toereikend gemotiveerd, aldus het subonderdeel.
naasteen rekening courantschuld omdat het bedrag van € 268.943,-- als overgespaarde inkomsten zou zijn ingebracht in de vennootschap. Voor het overige bevat het subonderdeel alleen herhaling van eerdere klachten.