ECLI:NL:HR:2019:239

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 februari 2019
Publicatiedatum
14 februari 2019
Zaaknummer
18/01915
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 10 Wet op de loonbelasting 1964
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen loonbelasting over dwangsom bij niet-tijdige bezwaarbeslissing door overheidswerkgever

Belanghebbende, een militair vlieger, diende een verzoek in om meer vlieguren toe te kennen, dat werd afgewezen. Na het maken van bezwaar werd niet tijdig op dat bezwaar beslist, waarna belanghebbende op grond van artikel 4:17 Awb Pro aanspraak maakte op een dwangsom van €120. Deze dwangsom werd uitgekeerd met inhouding van loonheffingen.

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de dwangsom niet als loon uit dienstbetrekking moet worden beschouwd, omdat deze voortvloeit uit het bestuursrechtelijke recht op een dwangsom en niet uit de dienstbetrekking zelf. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de dwangsom niet als loonbelastingplichtig loon kan worden aangemerkt. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten. Dit arrest sluit aan bij een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2019:138) dat eenzelfde rechtsvraag behandelde.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat geen loonbelasting verschuldigd is over de dwangsom.

Uitspraak

15 februari 2019
Nr. 18/01915
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 20 maart 2018, nr. 16/00543, op het hoger beroep van
[X1]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 15/3351) betreffende het van belanghebbende ingehouden bedrag aan loonheffingen over het tijdvak 1 december 2014 tot en met 31 december 2014. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 27 november 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1452).
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is militair ambtenaar en werkzaam als vlieger. Op 16 december 2013 heeft hij een verzoek ingediend om hem meer vlieguren toe te kennen. De minister van Defensie heeft dat verzoek afgewezen. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op dat bezwaar is niet tijdig beslist, waarna belanghebbende met toepassing van artikel 4:17 Awb Pro aanspraak heeft gekregen op een dwangsom van € 120. De dwangsom is aan belanghebbende betaald onder inhouding van loonheffingen.
2.2.
Voor het Hof was in geschil of terecht loonheffingen zijn ingehouden op de aan belanghebbende betaalde dwangsom. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft het Hof overwogen dat de dwangsom verschuldigd is geworden doordat het bestuursorgaan in gebreke is gebleven tijdig op het bezwaar te beslissen en dat belanghebbende recht op die dwangsom heeft in zijn hoedanigheid van maker van bezwaar. Een dergelijke bate vindt niet zozeer grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten loon moet worden aangemerkt, aldus het Hof.
2.3.
Tegen dit oordeel richt zich het middel met het betoog dat het Hof is uitgegaan van een te beperkte opvatting van het fiscale loonbegrip.
2.4.
Het middel faalt op de grond die is vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 18/01914 (ECLI:NL:HR:2019:138), waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 18/01920 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.536, derhalve € 768, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2019.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 508.