Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
2.De feiten en de gedingen in feitelijke instanties
[toestel]. Nadat hij zijn opleiding had afgerond, heeft de Commandant Luchtstrijdkrachten hem op grond van art. 12k(2)(b) MAW een dienverplichting van tien jaar opgelegd. Die Commandant heeft op 30 juli 2014 nader besloten dat de dienverplichting zal duren tot 17 juni 2024. De belanghebbende heeft daartegen vergeefs bezwaar gemaakt. Omdat het bestuursorgaan (de minister van Defensie) niet tijdig op het bezwaar heeft beslist, heeft het ex art. 4:17 Awb Pro jegens [X2] een dwangsom verbeurd ad € 100. Op de betaling daarvan heeft Defensie € 44,38 aan loonheffingen ingehouden.
BNB2001/354 (
Dow ChemicalEnergieprijs-arrest, zie onderdeel 3.8 van de bijlage), waarin het voordeel werd genoten van een derde, doet zich daarom niet voor.
verkortingvan de dienverplichting. Die omstandigheid brengt niet mee dat de dwangsom die in het kader van de besluitvorming naar aanleiding van dat verzoek door de minister van Defensie verschuldigd is geworden, niet als loon in de zin van art. 10(1) Wet LB kan gelden.
condicio sine qua non), al voldoende grond is om dat voordeel tot het loon te rekenen. Het Hof acht art. 4:17 Awb Pro een algemene regeling die geldt voor alle belanghebbenden die bij een bevoegd bestuursorgaan een aanvraag tot het nemen van een beschikking hebben gedaan. De rechtsverhouding van een ambtenaar die in die hoedanigheid een aanvraag tot een beschikking heeft gedaan en wordt geconfronteerd met overschrijding van de beslistermijn, is met betrekking tot die overschrijding en het recht op een dwangsom bij het in gebreke blijven van het bestuursorgaan naar ’s Hofs oordeel niet anders dan die van willekeurig welke andere belanghebbende. Anders dan de Rechtbank, meent het Hof daarom dat de litigieuze dwangsommen niet zozeer hun grond vinden in de dienstbetrekkingen van de belanghebbenden dat zij als daaruit genoten loon moeten worden beschouwd, maar in de omstandigheid dat een bestuursorgaan in gebreke is gebleven tijdig op bezwaar te beslissen. De belanghebbenden hebben recht op de dwangsommen in hun hoedanigheid van makers van bezwaar, aldus het Hof. De omstandigheid dat hun rechtspositie als (militair) ambtenaar meebrengt dat afhandeling van hun bezwaar volgens de Awb-regels verloopt, rechtvaardigt volgens het Hof geen ander oordeel.
NLF2018/1009) onderschrijft ’s Hofs conclusie maar merkt op dat een open norm zoals de leer van de redelijke toerekening in de praktijk lastig toepasbaar is. Bitter (
NTFR2018/804) merkt op dat de zaken afwijken van de zaken over door de civiele rechter opgelegde dwangsommen wegens niet (tijdig) betalen van een loonbestanddeel omdat iedere burger recht heeft op de art. 4:17 Awb Pro-dwangsom.
3.Het geding in cassatie
BNB1992/57 (zie onderdeel 3.5 van de bijlage) en HR 24 juni 2011,
BNB2011/276 (zie onderdeel 3.11 van de bijlage), over civiele dwangsommen die door u tot het loon werden gerekend. De Staatssecretaris meent dat civiele dwangsommen dezelfde aard en doelstelling hebben als bestuursrechtelijke dwangsommen. Een dwangsom is geen vergoeding van (immateriële) schade. De litigieuze dwangsommen zijn overigens ook tegelijk met het reguliere salaris betaald.
verweerschriftenzijn identiek. De belanghebbenden vallen over de formulering dat de dwangsommen door ‘de werkgever’ zouden zijn uitbetaald: zij zijn verbeurd door het bestuursorgaan. De belanghebbenden zijn geen werknemers van het bestuursorgaan dat de dwangsommen verbeurde, maar staan in rechtspositionele verhouding tot de Staat der Nederlanden. Dat de dwangsommen zijn uitbetaald met de reguliere salarisbetalingen achten zij voor de fiscaal-juridische duiding ervan niet relevant.
de factode bewijslast om, aldus de belanghebbenden, want het is huns inziens aan de inspecteur om te bewijzen dat een voordeel in zodanige mate ‘uit’ de dienstbetrekking voortvloeit dat het loon is. Door te spreken over ‘uitzonderingen op het loonbegrip’ miskent de Staatssecretaris de wetssystematiek. Art. 10(1) Wet LB bepaalt wat loon is en art. 11 Wet Pro LB welke uitzonderingen daarop worden gemaakt. De inspecteur moet derhalve het bestaan van loon ex art. 10(1) Wet LB bewijzen en de belastingplichtige moet de toepasselijkheid van een uitzondering ex art. 11 Wet Pro LB bewijzen. Dat de wetgever een ‘ruim’ loonbegrip beoogde, betrekt de Staatssecretaris ten onrechte op het oorzakelijke verband tussen bate en dienstbetrekking. ‘al hetgeen’ in de omschrijving ‘al hetgeen uit een dienstbetrekking (…) wordt genoten’ in art. 10 Wet Pro LB ziet niet op de relatie tussen het voordeel en de dienstbetrekking; daarop ziet het woord ‘uit’ in de term ‘uit dienstbetrekking’. Met ‘al hetgeen’ wordt slechts duidelijk gemaakt dat de vorm van het loon er niet toe doet. In zoverre kan van een ‘ruim’ loonbegrip worden gesproken.
4.Behandeling van het middel
Alleoverheidswerkgevers worden immers naar de Awb verwezen, of zij nu bestuursorgaan zijn of niet. Deze redenering lijkt mij een misverstand omdat het beginpunt ervan is dat de overheid als werkgever handelt. Maar dat moest nu juist onderzocht worden. Ik zou zelfs menen dat uit die Awb-verwijzing voor niet-bestuursorganen de
onjuistheid van het standpunt van de Staatssecretaris volgt. De
causavan de dwangsom van art. 4:17 Awb Pro zit kennelijk in de wettelijke aanwijzing als bestuurorgaan; niet in het handelen in de sfeer van het ambtenarenrecht, want de Staatsinstellingen waar het hier om gaat, zouden als werkgever een dwangsom zoals de litigieuze niet kunnen verbeuren als zij niet waren aangewezen als bestuurorgaan.