Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De dwangsom wegens niet-tijdig beslissen (art. 4:17 Awb Pro)
3.Loon
Wetgeving en parlementaire geschiedenis
BNB1984/2) [7] betrof een
allroundautorichtspecialist die aan het werk was in een werkkuil toen zich daar een explosie gevolgd door brand voordeed, waardoor hij ernstige brandwonden en verminkingen opliep en volledig arbeidsongeschikt raakte. Hij ontving van zijn daarvoor aansprakelijke [8] werkgever een bedrag in verband met zijn immateriële schade en arbeidskrachtverlies. In geschil was of dat bedrag als loon uit de dienstbetrekking moest worden aangemerkt. U overwoog:
BNB1992/57 [10] betrof een civielrechtelijke dwangsom verbeurd door een werkgever jegens diens werknemer. De verhouding tussen die twee was zo verslechterd dat de werkgever een ontslagvergunning aanvroeg. De belanghebbende werknemer adieerde de kort-gedingrechter, die de werkgever beval hem weer tewerk te stellen op verbeurte van een dwangsom. De verhoudingen waren kennelijk zó verslechterd dat de werkgever liever de maximale dwangsom ad f 100.000 betaalde. Voor de belastingrechter was in geschil of die betaling als belast loon moest worden aangemerkt. U beantwoordde die vraag bevestigend:
BNB1993/19 [11] betrof een uitvaartleider die geld van zijn werkgever achterover had gedrukt dat hij onder zich had omdat hij voor zijn werkgever facturen had geïnd. U zag daarin geen loon:
BNB2001/150, [12] over een monteur die in 1990 tijdens zijn werk een ongeval overkwam dat tot lichamelijk letsel en daardoor tot gemiste inkomsten leidde omdat hij een ten tijde van het ongeval verwachte bevordering tot bedrijfsleider misliep. In 1993 ontving hij van zijn daarvoor aansprakelijke werkgever f 380.000 voor materiële en immateriële schade, verlies aan arbeidsvermogen en wettelijke rente. Het hof meende dat het ongeval en de schade uitsluitend aan de monteur in diens hoedanigheid van werknemer kon overkomen en dat de schadevergoeding daardoor loon was. U vernietigde de hofuitspraak:
BNB2001/354 [13] had in dienstbetrekking met een team van medewerkers een procedé ontwikkeld dat het energieverbruik bij de productie van waspoeder met 80% reduceerde en het waterverbruik met 200 tot 400 liter per ton waspoeder. De belanghebbende kreeg daarvoor op voordracht door zijn werkgever de door de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen uitgereikte Dow Chemical Energieprijs 1995. In geschil was of het prijzengeld ad f 30.000 moest worden aangemerkt als loon. U oordeelde van niet:
BNB2007/168 [14] betrof de verstrekking, in opdracht van de belanghebbenden, van kerstpakketten door een personeelsvereniging aan de werknemers van de belanghebbenden. De CRvB had geoordeeld dat het voordeel, hoewel het niet rechtstreeks van de werkgever werd verkregen, voortvloeide uit de dienstbetrekking. U liet dat oordeel in stand:
BNB2008/82 [15] betrof een in de cao opgenomen vergoeding voor de meerkosten die werknemers moesten maken die voorheen particulier verzekerd waren tegen ziektekosten en na een wetswijziging verplicht verzekerd waren. De belanghebbende bestreed dat die vergoeding loon was. U merkte haar echter wel aan als loon (
curs. PJW):
dat (…) het (…) gaat om een voordeel dat de werkgever ingevolge een uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting aan de werknemer verschaft.
Behoudens uitzonderlijke situatieszoals die, bedoeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal, onderdeel 3.13,
moet een zodanig voordeel worden aangemerkt als te zijn genoten uit de dienstbetrekking. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld. Het onderdeel faalt derhalve.
curs. PJW) (ik laat voetnoten weg):
BNB 1956/232en 1969/221 zijn voordelen die de werknemer genoot tot zijn loon gerekend omdat ze werden verstrekt ingevolge de arbeidsovereenkomst. In het arrest
BNB 1984/2heeft de Hoge Raad in r.o. 3.2.4 geoordeeld dat afspraken in een arbeidsovereenkomst omtrent betaling aan de werknemer van een vergoeding van immateriële schade of verlies van arbeidskracht erop wijzen dat een dergelijke vergoeding loon vormt. Recent heeft de Hoge Raad het oordeel van het Gerechtshof dat tekengelden als loon in de zin van de Wet zijn aan te merken omdat ze voortvloeien uit het sluiten van een spelerscontract (de arbeidsovereenkomst van een beroepsvoetballer), bevestigd.
BNB 1982/18:
Het gaat om uitzonderlijke situaties, waarin de werkgever niet slechts als werkgever (in de zin van het belasting- en sociaalverzekeringsrecht) optreedt, maar bijvoorbeeld tevens als verhuurder of kredietverlener.
BNB2011/276 [16] betrof net als HR
BNB1992/57 een civielrechtelijke dwangsom. De werkgever van de belanghebbende was na diens uitdiensttreding veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en tot nakoming van de aan de belanghebbende toegezegde pensioenvoorziening op straffe van een dwangsom ad € 250 per dag. Het eerste deed de werkgever wel; het tweede niet. Als gevolg daarvan heeft zij in totaal € 35.000 aan dwangsommen moeten betalen. Zij is haar pensioenvoorzieningsverplichting alsnog nagekomen. U overwoog over het karakter van de dwangsommen:
BNB2015/110 [17] was werkgever van politieambtenaren op wie het Besluit algemene rechtspositie politie van toepassing was. Dat Besluit verplichtte de belanghebbende om vorderingen over te nemen tot vergoeding van immateriële schade van politieambtenaren die volgens een rechtelijke uitspraak zo’n vordering hadden op derden (daders). Zeven politiewerknemers hadden op die basis hun vorderingen wegens onrechtmatige daad op daders wegens tot vergoeding van immateriële schade ad in totaal € 3.750 aan de belanghebbende gecedeerd voor het nominale bedrag. In de praktijk beliep de werkelijke waarde van zulke vorderingen op daders gemiddeld slechts 28% van hun nominale bedrag, waardoor de werknemers statistisch een voordeel ad in totaal € 2.700 hadden genoten. In geschil was of dat voordeel loon was. U meende van niet:
BNB2017/135 lijkt te impliceren dat u inderdaad bij uw Smeerputarrestleer blijft.
BNB2017/135 [18] betrof een politiebeambte die bij uitoefening van zijn werk in 1981 en 1986 ernstig letsel had opgelopen. In 2007 werd bij hem een tumor geconstateerd, leidende tot volledige arbeidsongeschiktheid en ontslag in 2012. In dat jaar ontving hij van zijn werkgever een bedrag ter compensatie voor het leed als gevolg van de twee ongevallen, die zijn loonbaanontwikkeling hadden doen stagneren. Ondanks de in 3.2 genoemde wetswijziging in 2011 oordeelde u opnieuw, net als in het Smeerputarrest (zie 3.3) van vóór die wetswijziging, dat die vergoeding niet zózeer haar grond vond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moest worden aangemerkt:
BNB2017/136, [19] eveneens over een politiebeambte. Deze had tijdens zijn werk een dwarslaesie opgelopen met blijvende verlamming tot gevolg. Zijn werkgever had hem op grond van het Besluit algemene rechtspositie politie € 283.614 betaald als immateriële-schadevergoeding die uiteindelijk niet in de heffing van inkomstenbelasting en premieheffing is betrokken. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties had de belanghebbende in 2009 bericht daarnaast nog eens € 100.000 over te zullen maken aan zijn werkgever ter vergoeding van materiële schade in verband met zijn invaliditeit en dat hij de korpschef had verzocht te regelen dat dit bedrag, al dan niet via een op te richten waarborgfonds, aan hem zou worden uitgekeerd. Het bedrag was uiteindelijk in 2011 – dus ná de in 2.3 genoemde wetswijziging – door een waarborgfonds aan de belanghebbende uitgekeerd (na brutering tot € 172.413 en inhouding daarop van € 72.413 aan loonbelasting). In geschil was of dat bedrag loon was. U oordeelde dat de uitkering niet voortvloeide uit de rechtspositionele regeling met de werkgever en evenmin ‘zozeer’ voortvloeide uit de dienstbetrekking dat zij loon was:
V-N(2016/34.21) tekende aan:
NDFR2016/1104) achtte dit oordeel, hoewel gekunsteld, bevredigend:
FutD(2016/0629) was het niet eens met de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Zij zag verschillen tussen civielrechtelijke aan een werkgever opgelegde dwangsommen en de automatische dwangsom wegens niet-tijdig beslissen ex art. 4:17 Awb Pro:
4.Analyse
BNB2008/83; zie 3.10). Ik neem aan dat hetzelfde geldt bij ambtenaren als de werkgeversverplichting voortvloeit uit het ambtelijke rechtspositiereglement of de aanstellingsbrief. Ik merk op dat naar verwachting op 1 januari 2020 de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) in werking zal treden, waardoor (i) de ambtelijke aanstelling vervangen zal worden door een arbeidscontract en cao’s in de plaats zullen komen van rechtspositieregelingen, en (ii) ook voor ambtenaren het civiele arbeids- en ontslagrecht gaat gelden, waardoor niet meer de bestuursrechter maar de kantonrechter bevoegd zal zijn en er dus ook geen bezwaarprocedure bij de eigen overheidswerkgever meer zal zijn. De Wnra zal echter niet gelden voor politie-ambtenaren en militairen, rechterlijke macht en openbaar ministerie en politieke ambtsdragers. Ik kan mij slecht voorstellen dat de toepassing van dit criterium afhangt van de – blijkens de Wnra – tamelijk toevallige omstandigheid of de relevante werkgeversverplichtingen privaatrechtelijk, publiekrechtelijk of hybride zijn geregeld.
BNB2001/150 (3.7) en de politiebeambtenarresten HR
BNB2017/135 (3.13) en HR
BNB2017/136 (3.14). Behoudens bijzondere omstandigheden vinden vergoedingen door de werkgever voor immateriële schade (smartengeld) en verlies aan arbeidskracht niet zozeer hun grond in de dienstbetrekking dat zij als daaruit genoten moeten worden aangemerkt. Bijzondere omstandigheden zijn met name voorafgaande afspraken in de arbeidsovereenkomst of rechtspositionele regelingen waaraan de werknemer een recht op dergelijke vergoedingen kan ontlenen (zie het Monteursarrest HR
BNB2001/150 in 3.7). In dat geval gaat het niet meer zozeer om risico-aansprakelijkheid van de werkgever voor ongeluk, maar om een werkgeversverplichting uit arbeidsovereenkomst of rechtspositie-reglement en valt het geval dus onder criterium (i). Maar in ‘uitzonderlijke omstandigheden’ (aldus het cao-ziektekostenarrest HR
BNB2008/82 in 3.10) kan ook een wel degelijk uit een rechtspositieregeling voortvloeiende en dus verplichte verstrekking door de werkgever buiten het loon vallen, bijvoorbeeld als een overheidswerkgever met de desbetreffende arbeidsvoorwaarde ‘vooral’ beoogde de aan hem opgedragen publieke dienstverlening te dienen (zie het Smartengeldcessie-arrest HR
BNB2015/110 in 3.12). Al uw boven besproken ‘zozeer’-zaken betroffen vergoedingen voor immateriële schade of verlies van fysiek vermogen na ongevallen. Alleen de Personeelsroulette-uitspraak van de CRvB betrof een (heel) andere situatie.
BNB2015/110; zie 3.12) wordt die andere grond wel duidelijk, nl. het oogmerk van de werkgever om ‘vooral’ zijn eigen publiekrechtelijke taak te dienen. Het lijkt mij overigens lastig om die voordeel
causate onderscheiden van de dienstbetrekking van politie-ambtenaren, want van alle dienstbetrekkingen van alle politie-ambtenaren (en militairen en rechters) kan gezegd worden dat daarmee in de eerste plaats het algemene belang wordt beoogd. In de andere niet-zozeer-arresten lijkt u de
causavan het smartengeld of de vergoeding voor verloren arbeidskracht (meer) in (risico)aansprakelijkheid van de werkgever voor ongevallen en gevaar-realisatie te zien dan in de diensbetrekking. In HR
BNB2017/136 (zie 3.14) plaatste u het risico op letsel van politie-ambtenaren voor wat betreft de fiscale causaliteit ook min of meer buiten de dienstbetrekking.
BNB1992/57 in 3.5 en HR
BNB2011/276 in 3.11), ook al voldeden deze civiele dwangsommen niet aan het werkgeversversplichtingen-criterium omdat de betaling ervan niet voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst of rechtspositieregeling, maar uit een rechterlijk vonnis. Dit criterium kan enerzijds gezien worden als een bijwagen van het werkgeversverplichtingencriterium omdat het weliswaar niet gaat om een rechtstreeks uit de arbeidsverhouding voortvloeiende verplichting, maar wel om een daaruit
indirectvoortvloeiende (en daarmee ‘onverbrekelijk’ samenhangende) verplichting (tot herstel van niet-nakoming van de rechtstreekse verplichting), en anderzijds ook als het spiegelbeeld van het ‘niet zozeer’-criterium, namelijk niet negatief geformuleerd (
nietzozeer), maar positief geformuleerd: het voordeel is (wel) zózeer verbonden met rechten en verplichtingen uit de dienstbetrekking dat de dienstbetrekking als
causavan het voordeel eventuele andere
causae(zoals onrechtmatige daad, want wanprestatie is ook onrechtmatig) wegdrukt. Als men de term ‘zijn grond vinden in’ in het zozeer-criterium vervangt door de term ‘verbonden zijn met’, of de term ‘onverbrekelijk’ in het gelijknamige criterium vervangt door ‘zozeer’, luiden zij (vrijwel) gelijk. Het enige verschil dat ik zie, is dat het onverbrekelijk-verbonden-criterium geen voordelen kan omvatten die niet door de werkgever worden verstrekt (omdat het om de samenhang met werkgeversverplichtingen gaat), en het zozeer-zijn-grond-vinden-criterium dat wél kan.
beoogtal dan niet de werknemer te belonen. Dit criterium gebruikte u in negatieve zin in het Verduisteringsarrest (3.6) en het Smartengeldcessie-arrest HR
BNB2015/110 (zie 3.12). Hoewel zich in dat laatste arrest wel degelijk de ‘bijzondere omstandigheid’ voordeed dat de werkgever ingevolge een rechtspositieregeling
verplichtwas om het voordeel te verstrekken, achtte u dat toch niet beslissend. Die bijzondere omstandigheid werd kennelijk in deze zaak op haar beurt
overruleddoor weer een andere omstandigheid, nl. dat de werkgever ‘niet zozeer’ bedoelde de werknemers te belonen, maar ‘vooral’ om de aan hem opgedragen publieke taak te dienen. Ik merk overigens op dat het volgens het cao-ziektekostenarrest (3.10) niet van belang is of de werkgever betaalt met de bedoeling om te belonen, maar dat het erom gaat of het voordeel door de werkgever aan de werknemer wordt verschaft ingevolge een uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichting (of een daarmee ‘onverbrekelijk’ samenhangende verplichting: zie 4.4).
door de werkgeververschaft op grond van een uit arbeidsovereenkomst of ambtelijke rechtspositie voortvloeiende
verplichting, dan is het loon, behoudens ‘uitzonderlijke’ omstandigheden zoals die in het Smartengeldcessie-arrest (zie 3.12). Die uitzonderlijke omstandigheden komen kennelijk neer op het bestaan van een andere hoedanigheid van de werkgever (in die zaak: hoeder van het algemene belang). Wordt het voordeel niet door de werkgever verstrekt of vloeit het niet rechtstreeks uit de dienstbetrekking/aanstelling voort, dan is beslissend of het ‘onverbrekelijk verbonden’ is aan werkgeversverplichtingen (zoals civiele dwangsommen tot nakoming van reeds bestaande verplichtingen ex de arbeidsovereenkomst) of althans ‘onverbrekelijk verbonden’ is aan de dienstbetrekking (zoals fooien). Vindt het voordeel niet aldus ‘zozeer’ zijn grond (zijn verklaring) in de dienstbetrekking, dan is het geen loon. Dat is met name het geval als het gaat om smartengeld of vergoeding van verloren arbeidskracht wegens (risico)aansprakelijkheid van de werkgever voor ongevallen en gevaar-realisatie, tenzij dergelijke betalingen overeengekomen zijn in de arbeidsovereenkomst of in het ambtelijke rechtspositiereglement en daarmee overwegend werkgeversverplichtingen zijn geworden (tenzij de werkgever die verplichting in wezen in andere hoedanigheid – algemeen-belang-hoeder – op zich heeft genomen).
5.Toepassing
niet zozeereigen is aan werkgevers als wel aan bestuursorganen: men doet immers zijn best en zodoende gaat er veel fout. [22] Meer juridisch: de dwangsom ex art. 4:17 Awb Pro zit vast aan het (dis)functioneren van de overheid, die in casu toevallig ook werkgever is. Anders dan de civiele dwangsommen in de boven (3.5 en 3.11) geciteerde arresten, dienen de litigieuze art. 4:17 Awb Pro-dwangsommen als (financiële) prikkel voor de betrokken bestuursorganen om tijdig een besluit te nemen; zij dienen niet om hen te prikkelen een reeds bestaande loonverplichting ex een arbeidsovereenkomst of een rechtspositiereglement na te komen en hangen daarmee evenmin onverbrekelijk samen: zij strekken niet tot afdwingen van verzuimde nakoming van enige bestaande loonverplichting. De gemachtigde in de zaken met nrs. 18/01915 en 18/01920 merkt terecht op dat het recht op een dwangsom bij niet tijdig beslissen ontstaat ongeacht of de verzoeker/bezwaarde terecht of onterecht zijn verzoek of bezwaar indiende. Vanuit het doel van art. 4:17 Awb Pro bezien is er ook geen samenhang met enige dienstbetrekking: ook uw dienaar heeft een dergelijke dwangsom al eens mogen ontvangen van een bestuursorgaan dat niet zijn werkgever was en daarmee evenmin verbonden was.
6.Bloemlezing uit de literatuur en interne rechtsvergelijking
condicio sine qua non, de adequate veroorzaking, finaliteit, en redelijke toerekening, alsmede diverse ‘hulpcriteria’, zoals bewustheid, contraprestatie voor arbeid, voorzienbaarheid, het milieucriterium, het zozeer-criterium en de overheersende oorzaak, welke laatste twee volgens hem identiek zijn:
FED1992/583 onder het Verduisteringsarrest (zie 3.6 hierboven) concludeerde ik dat u een objectief loonbegrip gebruikte omdat loon voor de inkomstenbelasting gedefinieerd is als loon voor de loonbelasting, die een inhoudingsbelasting is, zodat er alleen onder kan vallen hetgeen de werkgever of een derde met wetenschap van de werkgever aan de werknemer verstrekt in verband met de uitoefening van de dienstbetrekking:
BNB2011/276 (zie 3.11) onduidelijk welke causaliteitsleer schuilgaat achter uw ‘grond’-criterium (ik laat voetnoten weg):
Tot het inkomen in fiscale zin behoren alle voordelen en nadelen die, rekening houdend met de maatschappelijke opvattingen dienaangaande, geacht kunnen worden zakelijk aan de inkomensverwervende activiteit te kunnen worden toegerekend, met uitschakeling derhalve van wat tot de persoonlijke sfeer van de belastingplichtige behoort.In de context van de loonsfeer spreken Heithuis c.s. over de redelijke toerekening als ‘tussenweg’ tussen de causaliteit in de zin van de oorzaak als conditio sine qua non en de finaliteit waarbij het beloningsmotief doorslaggevend is. Daarbij wordt als voorbeeld aangevoerd dat op basis van de redelijke toerekening een van de werkgever ontvangen verjaardagscadeau doorgaans in de zakelijke sfeer wordt geplaatst en dus als loon kwalificeert, terwijl een van de collega’s ontvangen verjaardagscadeau meestal in de onbelaste privésfeer zal vallen. Dat in dit ene voorbeeld over ‘doorgaans’ en ‘meestal’ wordt gesproken, geeft, los van de te betwisten uitkomst, al aan hoe weinig goede aanknopingspunten deze leer biedt. Zeker, we weten sinds het Smeerkuilarrest dat een conditio-sine-qua-non-verband door de Hoge Raad als te ruim is verworpen. Daarnaast heeft de Hoge Raad het beloningsmotief als doorslaggevend criterium in HR 8 februari 2008, nr. 43 514, BNB 2008/82c* terzijde gesteld.
Causaal verband
conditio sine qua non) wordt weliswaar gesteld, maar het is niet voldoende dat daaraan wordt voldaan.’ [28] Om van toereikende causaliteit te kunnen spreken dient ook aan nadere eisen te worden voldaan. [29]
NLF2017/2529 bij een uitspraak van het Hof Amsterdam: [32]
c.s.q.n.-leer, de
causa proxima-leer, de relevantietheorie, de adequatietheorie (redelijke voorzienbaarheid) en de redelijke toerekening – en constateert dat uw Strafkamer in navolging van uw Civiele kamer sinds 1978 die laatste leer toepast (ik laat voetnoten weg):