Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
artikelen 114a, 114b, 120a, 120b, 130a, 176a, (...) gevangenisstraf is gesteld."
4.Beslissing
12 maart 2019.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over medeplegen van brandstichting met terroristisch oogmerk bij een moskee in Enschede op 27 februari 2016.
Het hof had bewezen verklaard dat verdachte samen met anderen molotovcocktails maakte, aanstak en naar de moskee gooide, waardoor een grasveld gedeeltelijk in brand raakte. Dit werd gekwalificeerd als een terroristisch misdrijf op grond van artikel 157 jo Pro. 176a Sr. De verdediging voerde aan dat brandstichting alleen als terroristisch misdrijf kan gelden indien levensgevaar of grootschalige vernieling wordt veroorzaakt, zoals volgens het EU-kaderbesluit vereist.
De Hoge Raad oordeelde dat de Nederlandse wetgever een ruimere implementatie van het kaderbesluit heeft gekozen, waarbij ook brandstichting met gemeen gevaar voor goederen, zonder levensgevaar of grootschalige vernieling, als terroristisch misdrijf wordt aangemerkt. Er is geen conflict met het kaderbesluit en geen reden tot prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Deze uitspraak bevestigt de ruime uitleg van het begrip terroristisch misdrijf in Nederland en benadrukt dat een nationale regeling die verder gaat dan het kaderbesluit niet onrechtmatig is indien het doel van het kaderbesluit wordt bereikt.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt dat brandstichting met terroristisch oogmerk ook zonder levensgevaar als terroristisch misdrijf kan worden gekwalificeerd en verwerpt het cassatieberoep.