Uitspraak
beiden wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
Tot 22 september 2006 (zie hierna onder (v)) hield [eiser 1] indirect, namelijk door middel van zijn Belgische vennootschap [E] , 75% van de certificaten van aandelen in [C] .
(rov. 3.6)
een aanmerkelijk belang en was de zogenaamde terbeschikkingstellingsregeling van toepassing. Er was bovendien geen in het oog springend fiscaal nadeel voor [eisers] te verwachten dat zodanig was dat zij om deze reden zouden afzien van de schenking onder voorbehoud van vruchtgebruik. [eisers] hebben niet weersproken dat de eerste drie jaren na de aankoop van het bedrijfspand geen huur aan [A] in rekening is gebracht, terwijl er wel sprake was van rentelasten en afschrijvingen voor [eisers] en dat hierdoor een aanzienlijke aftrekpost werd opgebouwd die nog jaren zou kunnen worden verrekend. Daarnaast staat tussen partijen als onweersproken vast dat de rentelasten van het bedrijfspand hoog waren, zodat er na aftrek van deze rentelasten en de afschrijvingen sowieso geen of weinig belastbaar resultaat overbleef.
Niet, althans onvoldoende, onderbouwd is dat [eisers] belastingschade hebben geleden. De belastbaarheid van de resultaten uit het bedrijfspand was dus op voorhand niet ongunstiger dan de belastbaarheid van de waarde van het pand in box 3. Dit was ook in de periode na de vestiging van het recht van vruchtgebruik niet het geval. Voor [verweerster] bestond er dan ook geen aanleiding om [eisers] ‘spontaan’ te adviseren over, dan wel te waarschuwen voor, de fiscale consequenties van schenking onder voorbehoud van recht van vruchtgebruik. Evenmin bestond er voor [verweerster] aanleiding om [eisers] te adviseren om afstand te doen van het recht van vruchtgebruik, omdat dit [eisers] geen fiscaal voordeel zou opleveren. Hetzelfde geldt voor de later aangekochte panden. Ook voor deze panden hebben [eisers] niet betwist dat het geen verschil uitmaakte of zij werden belast in box 1 of in box 3. Gezien de motieven van [eisers] voor de keuze voor de schenking onder voorbehoud van het recht van vruchtgebruik, waaronder het behoud van zeggenschap, lag het ter discussie stellen van het recht van vruchtgebruik ook niet voor de hand en mocht [verweerster] ervan uitgaan dat afstand doen van dit recht niet aan de orde was.
(rov. 3.13)
(rov. 3.15)
Geen van de door [eisers] aan [verweerster] gemaakte verwijten kan grond zijn voor toewijzing van de vordering tot schadevergoeding. Omdat niet is komen vast te staan dat [verweerster] is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens [eisers] , bestaat er evenmin grond voor toewijzing van de vorderingen met betrekking tot de ontbinding van de overeenkomst van opdracht. Het hof ziet geen aanleiding voor een bewijsfase nu niet is gebleken van door [eisers] gestelde, maar door [verweerster] betwiste, feiten die, zo zij alsnog bewezen worden, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. (rov. 3.17)
art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4.Beslissing
M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
22 maart 2019.