Conclusie
1.Feiten
1. Boxherstel 2006-2012.
2.Procesverloop
‘(...). Wij bespreken of [eisers] ook in de nieuwe opzet de aandelen [C] N.V. zullen schenken onder voorbehoud van een recht van vruchtgebruik. [eisers] geven aan daar wel voor te voelen, aangezien ze daarmee ‘zelf aan de kraan’ blijven zitten. (...).’
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1, dat vijf subonderdelen beslaat, richt zich tegen het oordeel van het hof dat [verweerster] in het kader van de opdracht niet gehouden was te adviseren over het gevolg van het voorbehouden recht van vruchtgebruik voor de belastbaarheid van het door [eisers] aan [A] ter beschikking gestelde onroerend goed.
Onderdeel 2, dat in vier subonderdelen uiteenvalt, richt zich tegen het oordeel dat [verweerster] over het voorgaande evenmin spontaan behoefde te adviseren. Met
onderdeel 3wordt geklaagd over het passeren van het bewijsaanbod van [eisers]
Haviltex-maatstaf alle omstandigheden van het geval van belang kunnen zijn. [15] Ook de notitie van 23 november 2005 zou derhalve in het kader van de uitleg van belang kunnen zijn. Een en ander brengt echter nog niet met zich dat de notitie in dit kader ook daadwerkelijk een relevante omstandigheid is.
subonderdeel 1.3dient te falen.
subonderdeel 1.3tegen het oordeel in rov. 3.10. en 3.11. dat de genoemde beweegredenen van [eisers] (het vermijden van Belgisch successierecht en het behoud van zeggenschap en recht op de vruchten) ook uit het verslag van de bespreking van 4 april 2006 en de brief van De Brauw van 13 september 2006 blijken. Deze klachten falen eveneens om de redenen als hiervoor in randnummer 3.10 genoemd.
Subonderdeel 1.5dient derhalve te falen.
onderdeel 1niet tot cassatie kan leiden.
informed consent’). [32]
nietheeft. Dat kan mijns inziens anders zijn in gevallen waarin partijen, althans opdrachtgever, naar opdrachtnemer weet of zou behoren te weten, een bepaald gevolg verwacht(en) en dit gevolg onder het gegeven advies uitblijft. Er treedt dan wellicht geen wijziging op in de feitelijke situatie, maar wel een wijziging ten opzichte van de in de verwachtingen centraal staande situatie.
subonderdelen 2.1 en 2.2terecht voorgesteld.
subonderdeel 2.2). Ook de klachten van
subonderdeel 2.1dat het hof enkele omstandigheden niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken en zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd in het licht van de stellingen van [eisers] behoeven bij deze stand van zaken geen behandeling.
dusniet op wel degelijk aanwezige fiscale consequenties behoeft te worden gewezen. De klacht faalt nu deze uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat reeds vanwege de afwezigheid van te verwachten nadeel geen plicht tot advisering bestond, maar heeft de door hem overwogen afwezigheid van in het oog springend fiscaal nadeel meegewogen als omstandigheid van het geval. Daarmee is het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting (randnummer 3.18 hiervoor) en behoefde het hof ook niet nader te motiveren waarom het deze omstandigheid mede aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.
subonderdeel 2.3faalt.
subonderdeel 2.4dient te falen.
subonderdelen 2.1 en 2.2slagen derhalve gedeeltelijk en falen, net als de andere subonderdelen van
onderdeel 2voor het overige.
onderdeel 3dat het hof het door hen gedane bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd en aldus is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel dienaangaande onvoldoende begrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd. Het onderdeel concretiseert deze klacht aan de hand van acht (als i. tot en met viii. genummerde) stellingen die [eisers] zouden hebben aangeboden te bewijzen.
subonderdeel 1.1en faalt het in zoverre in het voetspoor daarvan. [39]
onderdeel 3slaagt ten aanzien van de onder v. genoemde stelling, maar voor het overige dient te falen.
subonderdelen 2.1 en 2.2slagen gedeeltelijk. Voor het overige falen
onderdeel 1 en 2.
Onderdeel 3slaagt ten aanzien van de onder v. genoemde stelling en faalt voor het overige. Een en ander leidt tot de conclusie dat het bestreden arrest dient te worden vernietigd en de procedure moet worden verwezen naar een ander hof ter verdere behandeling.