Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Amsterdam,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.De prejudiciële procedure
4.Beslissing
12 april 2019.
Hoge Raad
In deze prejudiciële procedure heeft de rechtbank Amsterdam prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over een geschil betreffende een renteswap. De procedure in de feitelijke instantie is echter door partijen beëindigd middels een schikking, waarna de rechtbank de procedure heeft doorgehaald.
De Hoge Raad heeft vervolgens overwogen dat beantwoording van de prejudiciële vragen niet meer noodzakelijk is voor de beslissing in de onderliggende zaak. Hoewel de advocaat van de eiser aandrong op beantwoording, heeft de Hoge Raad besloten af te zien van beantwoording, mede omdat dezelfde vragen ook in een andere zaak aan de orde zijn en verschillen in feiten niet van belang zijn voor de beantwoording.
De beslissing van de Hoge Raad is genomen door de vicepresident en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer. Hiermee komt een einde aan de prejudiciële procedure zonder inhoudelijke beantwoording van de vragen.
Uitkomst: Hoge Raad ziet af van beantwoording van prejudiciële vragen wegens schikking en doorhaling procedure.