ECLI:NL:HR:2019:591

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2019
Publicatiedatum
11 april 2019
Zaaknummer
18/03942
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Prejudiciële beslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 392 RvArt. 393 lid 1 RvArt. 393 lid 2 RvArt. 393 lid 9 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad ziet af van beantwoording prejudiciële vragen over renteswap na schikking partijen

In deze prejudiciële procedure heeft de rechtbank Amsterdam prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad over een geschil betreffende een renteswap. De procedure in de feitelijke instantie is echter door partijen beëindigd middels een schikking, waarna de rechtbank de procedure heeft doorgehaald.

De Hoge Raad heeft vervolgens overwogen dat beantwoording van de prejudiciële vragen niet meer noodzakelijk is voor de beslissing in de onderliggende zaak. Hoewel de advocaat van de eiser aandrong op beantwoording, heeft de Hoge Raad besloten af te zien van beantwoording, mede omdat dezelfde vragen ook in een andere zaak aan de orde zijn en verschillen in feiten niet van belang zijn voor de beantwoording.

De beslissing van de Hoge Raad is genomen door de vicepresident en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer. Hiermee komt een einde aan de prejudiciële procedure zonder inhoudelijke beantwoording van de vragen.

Uitkomst: Hoge Raad ziet af van beantwoording van prejudiciële vragen wegens schikking en doorhaling procedure.

Uitspraak

12 april 2019
Eerste Kamer
18/03942
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Prejudiciële beslissing
in de zaak van:
[Cliënt] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER in eerste aanleg,
advocaat in de prejudiciële procedure: mr. T. van Malssen,
t e g e n
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in eerste aanleg,
advocaten in de prejudiciële procedure: mr. F.E. Vermeulen en mr. B.F.L.M. Schim.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [Cliënt] en Rabobank.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de tussenvonnissen in de zaak C/13/617377/HA ZA 16-1066 van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2017, 30 mei 2018 en 19 september 2018.
De vonnissen van de rechtbank zijn aan deze beslissing gehecht.

2.De prejudiciële procedure

2.1
Bij laatstgenoemd vonnis heeft de rechtbank op de voet van art. 392 Rv Pro prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld, zoals vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink onder 4.1.
Beide partijen hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv Pro ingediend. Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, advocaat bij de Hoge Raad, en mr. M.W.A. Schimmel namens ING Bank N.V. op de voet van art. 393 lid 2 Rv Pro schriftelijke opmerkingen ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen als voorgesteld onder 9.3, 10.44, 10.45 en 11.13 van die conclusie.
De advocaat van Rabobank heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.2
De rechtbank heeft de Hoge Raad bij brief van 2 april 2019 bericht dat de procedure waarin zij de prejudiciële vragen heeft gesteld, op verzoek van partijen op 3 april 2019 zou worden doorgehaald. Uit een brief van de advocaat van [Cliënt] van 14 januari 2019 blijkt dat tussen partijen een schikking tot stand is gekomen.
3. Beoordeling of op de voet van art. 393 lid 9 Rv Pro tot beantwoording van de vragen wordt overgegaan
Uit de hiervoor in 2.2 genoemde mededeling van de rechtbank volgt dat de prejudiciële vragen geen beantwoording meer behoeven om te beslissen in de zaak waarin zij zijn gesteld. De advocaat van [Cliënt] heeft in zijn hiervoor in 2.2 genoemde brief aangedrongen op beantwoording van de vragen met toepassing van art. 393 lid 9 Rv Pro. Omdat de vragen gelijkluidend zijn aan de vragen die de rechtbank in de zaak 18/03941 heeft gesteld, en eventuele verschillen tussen de aan de zaken ten grondslag liggende feiten voor de beantwoording van de vragen niet van belang zijn, zal de Hoge Raad in de onderhavige zaak afzien van beantwoording van de vragen.

4.Beslissing

De Hoge Raad ziet af van beantwoording van de prejudiciële vragen.
Deze beslissing is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
12 april 2019.