Conclusie
[eiseressen] in meervoud(eiseressen tot cassatie gezamenlijk),
[eiseres 1](eiseres tot cassatie onder 1),
[eiseres 2](eiseres tot cassatie onder 2),
[eiseres 3](eiseres tot cassatie onder 3) en
Rabobank(verweerster in cassatie).
1.Inleiding
2.Feiten
[betrokkene 2]) is sinds 1995 actief in de onderneming en is in 2000 medebestuurder en zelfstandig bevoegde vertegenwoordiger van deze vennootschappen geworden. In 2008 was het balanstotaal van [eiseres 2] geconsolideerd met Vastgoed Beheer meer dan € 40 miljoen, met een positief eigen vermogen van € 10.742.773,--.
[betrokkene 3]), de broer van [betrokkene 2] , was daarvoor verantwoordelijk.
ING) en de ABN AMRO Bank N.V. (hierna:
ABN AMRO). Eind 2006 had [eiseres 2] een leningenportefeuille bestaande uit 22 variabel rentende leningen en één vast rentende lening van in totaal € 17.847.979,58, waarvan € 1.622.548,-- bij Rabobank liep.
Uitgangspunten:
exclusief debiteurenopslag). Voor de lening zelf blijft u de 6-maands Euribor betalen plus de debiteurenopslag. Echter uit hoofde van de swap ontvangt u dezelfde 6-maands Euribor rente en betaalt u de vaste rente.
treasury specialistbij Rabobank, en [betrokkene 2] namens [eiseres 2] . Deze brief bevat een voorstel voor het afdekken van het renterisico aan [eiseres 2] . Dit voorstel is gebaseerd op het door [eiseres 2] verstrekte overzicht van haar vastgoedleningenportefeuille, op basis waarvan een uitgebreid leningenschema per 1 januari 2007 is opgesteld, welk schema als bijlage 1 van de brief is bijgevoegd. De brief houdt onder meer in:
het TIF) ondertekend. In dit formulier is aangekruist dat de treasurybehoefte is om het renterisico gedeeltelijk af te dekken door het afsluiten van een renteswap. In het TIF is onder meer vermeld:
de OFD) ondertekend. Op de OFD zijn in art. 3.2 de Algemene Bankvoorwaarden en de Algemene Voorwaarden voor Financiële Derivaten van toepassing verklaard. Ook de Bijlage ‘Informatie Financiële Derivaten’ en de Bijlage ‘Verschaffing van Dekking’, waarin de kenmerken en risico’s van verschillende rentederivaten vermeld worden, behoren volgens art. 3.2 bij de OFD. In het artikel is verder vermeld dat de klant deze stukken heeft ontvangen. De OFD van [eiseres 2] houdt onder meer in:
2.MTM waarde van Transacties
3.De bepaling van het risico waarvoor de Bank Dekking kan verlangen
7.). (…)
4.Wat geldt als Dekking?
7.). (…)
7.Wat gebeurt er als er een tekort aan Dekking ontstaat?
forward startingrenteswap aangegaan, ingaande op 1 januari 2007 en eindigend op 1 januari 2017, met een vast rentepercentage van 3,91% en een onderliggende hoofdsom van € 13 miljoen (hierna:
de renteswap [eiseres 2]). Het aangaan van deze renteswap is door Rabobank bij brief van dezelfde datum bevestigd en deze bevestiging is op 13 januari 2007 door [betrokkene 2] voor akkoord ondertekend.
interest rateswap, met daarin informatie over de kenmerken en risico’s van dat product. In deze brief is onder meer vermeld:
de renteswap [eiseres 3]). De overeengekomen renteswap is op dezelfde datum bevestigd, welke bevestiging op 9 maart 2008 door [betrokkene 2] is ondertekend en waarin onder andere is vermeld:
forward startingrenteswap bij Rabobank afgesloten, ingaande op 1 juli 2008 tot 1 juli 2015 met een vast rentepercentage van 4,53% en een nominaal bedrag van € 1.639.170,-- (hierna:
renteswap [betrokkene 1] privé). Het aangaan van deze renteswap is door Rabobank bij brief van 6 mei 2008 bevestigd. Deze bevestiging is op 13 mei 2008 door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] voor akkoord ondertekend.
de Herstructureringsovereenkomst). In de Herstructureringsovereenkomst hebben partijen overeenstemming bereikt over de mogelijkheden tot herstructurering van de vastgoedfinancieringsportefeuille van [eiseressen] , waaronder het verhangen van de renteswap [betrokkene 1] privé naar [eiseres 2] , onder verschillende voorwaarden en zekerheidstellingen. Voorts hebben [eiseressen] wederom afstand gedaan van de inhoud van de brief van 8 maart 2011 en hebben zij finale kwijting ter zake aan Rabobank verleend.
de renteswaps) vernietigd en de Herstructureringsovereenkomst ontbonden.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de rechtbank). Zij hebben verschillende vorderingen ingesteld,
primairop grond van schending door Rabobank van de op haar rustende zorgplicht,
subsidiairuit hoofde van dwaling en
meer subsidiairop grond van onrechtmatige daad, handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid en ongerechtvaardigde verrijking. [3]
het hof). Zij hebben in hoger beroep hun eis gewijzigd. Het hof heeft de vorderingen van [eiseressen] als volgt samengevat weergegeven: [4]
Primair (zorgplichtschending en schadevergoeding):
vorderingen onder 1 t/m 15beoordeeld. Na eerst in r.o. 4.6 te hebben geoordeeld dat de schadevergoedingsvorderingen op grond van zorgplichtschending niet zijn verjaard is het hof in de opvolgende overwegingen ingegaan op de door [eiseressen] gestelde zorgplichtschendingen. Het hof heeft eerder in r.o. 4.4 overwogen dat [eiseressen] de door hen gestelde ondeugdelijkheid van de dienstverlening met betrekking tot de afgesloten renteswaps hebben gestoeld op de volgende kenmerken en risico’s:
mismatch/
overhedge;
forward starting;
vorderingen onder 16 t/m 18beoordeeld (r.o. 4.18 t/m 4.21). Het hof heeft geoordeeld dat het beroep op dwaling niet opgaat en dat de vorderingen worden afgewezen.
vorderingen onder 19 t/m 24beoordeeld. Het hof heeft eerst geoordeeld dat de vorderingen (tot schadevergoeding) op grond van onrechtmatige daad, strijd met de redelijkheid en billijkheid en ongerechtvaardigde verrijking niet zijn verjaard (r.o. 4.22). Het heeft vervolgens geoordeeld dat de overwegingen met betrekking tot de vorderingen 1 t/m 18 meebrengen dat de vorderingen 19 t/m 24 ook voor afwijzing gereed liggen.
arrest). Rabobank heeft een verweerschrift ingediend waarin zij concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Rabobank heeft haar standpunt vervolgens schriftelijk doen toelichten. [eiseressen] hebben gerepliceerd.
onderdeel 9van het cassatiemiddel stelt de advocaat van [eiseressen] , onder verwijzing naar een tweetal bijlagen, dat het proces-verbaal van de zitting van 4 november 2022 op 21 juli 2023 en 19 september 2023 is opgevraagd bij het hof. Het onderdeel stelt dat het hof dit proces-verbaal ten onrechte nog niet heeft verstrekt. Aan het slot van de procesinleiding hebben [eiseressen] een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het cassatiemiddel nadat zij het proces-verbaal hebben ontvangen. Naar aanleiding van de klacht heb ik ambtshalve bij het hof het proces-verbaal van de zitting van 4 november 2022 doen opvragen. Het proces-verbaal is op 24 mei 2024 door de civiele griffie van de Hoge Raad ontvangen en doorgestuurd naar de cassatieadvocaten.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
notional’) wat betreft omvang en looptijd is afgestemd op de hoofdsom van die lening, betaalt hij onder de lening en de swap gezamenlijk per saldo de vaste rente en de opslag.
mismatch’), en dat bij tussentijdse beëindiging van de swap – bijvoorbeeld bij aflossing van de lening – de marktwaarde daarvan moest worden afgerekend. Deze afrekening van de marktwaarde kon betekenen dat de cliënt een aanzienlijk bedrag aan de bank moest betalen. Bovendien kon deze mogelijke betalingsverplichting al tijdens de looptijd van de renteswap negatieve gevolgen hebben voor de cliënt, bijvoorbeeld in de vorm van beperking van kredietruimte.
subonderdelen 1.1 en 1.2zijn gericht tegen de eerste alinea van r.o. 4.3. Die overweging luidt:
kanmeebrengen. Deze voorbeelden, die zien op (i) een strengere informatieplicht, (ii) een onderzoeksplicht en (iii) een vergewisplicht, behoeven naar mijn mening in het licht van het voorgaande geen afzonderlijke bespreking. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat subonderdeel 1.1 faalt.
subonderdeel 1.2is het oordeel dat “uit het hierna overwogene” volgt dat voor de beoordeling van deze zaak het “er niet toe doet” of de rechtsverhouding tussen partijen in de relevante periode moet worden aangemerkt als een adviesrelatie, onbegrijpelijk. Het subonderdeel stelt dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, onduidelijk is waarom de (mogelijke) omstandigheid dat tussen [eiseressen] en Rabobank een adviesrelatie bestaat wat betreft het civiele recht en/of het publiekrecht “irrelevant” zou zijn voor de beoordeling.
de totstandkomingvan de onderhavige renteswaps, en dat ten aanzien van [eiseressen] geen sprake is van een
doorlopende zorgplicht. Gesteld wordt dat dit oordeel onjuist is. Volgens het subonderdeel miskent het hof met dit oordeel dat door uitleg van de adviesrelatie tussen Rabobank en [eiseressen] achterhaald moest worden of deze adviesrelatie eindigt na de totstandkoming van de renteswaps of juist doorloopt gedurende de looptijd ervan, en dat de bijzondere zorgplicht in elk geval niet eindigt na de totstandkoming van een renteswap, maar dat zij doorloopt gedurende de looptijd ervan en derhalve ook nog geldt bij (bijvoorbeeld) een tussentijdse beëindiging.
waarschuwenvoor de hiervoor in 3.10 genoemde kenmerken. Dit aspect raakt naar mijn mening enkel (dan wel in elk geval in het bijzonder)
de totstandkomingvan de onderhavige renteswaps en niet de periode daarna. Voorts verduidelijkt het subonderdeel niet op welke overige aspecten van ‘de zorgplicht’ het specifiek het oog heeft. Het onderdeel verwijst in elk geval niet naar een vindplaats in de processtukken waar [eiseressen] hebben aangevoerd dat uitleg van de door hen gestelde adviesrelatie meebrengt dat
in dit gevalde adviesrelatie niet eindigt na de totstandkoming van de renteswap doch doorloopt gedurende de looptijd ervan, en wat dit precies meebrengt. Het hof heeft direct aansluitend op de door het subonderdeel bestreden passage overwogen dat in geval van vermogensbeheer door een bank de civielrechtelijke zorgplicht zich ook uitstrekt over de looptijd van de relatie, maar dat “zonder nadere toelichting, die ontbreekt,” ervan wordt uitgegaan dat Rabobank deze verderstrekkende zorgplicht ten opzichte van [eiseressen] niet had. Gelet op dit oordeel, dat als ik het goed zie niet afzonderlijk wordt bestreden, lag het op de weg van [eiseressen] om te verwijzen naar een vindplaats in de processtukken waar een en ander genoegzaam wordt aangevoerd en onderbouwd. Het subonderdeel faalt.
civielrechtelijke zorgplichtis geschonden jegens de niet-particuliere cliënt de inhoud en de wijze waarop de productinformatie is verstrekt, beslissend. [20] Daarbij ligt de nadruk op de nakoming van de waarschuwingsplicht. Het hof heeft op basis van hetgeen het heeft overwogen in r.o. 4.7 t/m 4.16 in r.o. 4.17 geconcludeerd dat Rabobank haar civielrechtelijke zorgplicht jegens [eiseressen] bij de totstandkoming van de renteswaps niet heeft geschonden. In de door het onderdeel bestreden overweging heeft het hof tot uiting gebracht dat de beweerdelijke schending van publiekrechtelijke regelingen dit
niet anders maakt. Ik merk in dat verband op dat het onderdeel niet verduidelijkt (i) waarom volgens [eiseressen] sprake is geweest van schending door Rabobank van de betreffende publiekrechtelijke regels en (ii) wat de beweerdelijke schending voor invloed heeft op de omvang van de civielrechtelijke zorgplicht van Rabobank in de onderhavige zaak, en meer in het bijzonder de waarschuwingsplicht. [21] Het onderdeel stelt wel dat publiekrechtelijke normen kunnen meebrengen dat een bank jegens een klant tot méér zorg is gehouden dan indien deze publiekrechtelijke normen niet zouden bestaan, maar het maakt niet duidelijk waarom de normen die in de processtukken worden genoemd (in dit geval) veel strenger zouden zijn/uitwerken dan de civielrechtelijke norm (bijzondere zorgplicht) die het hof bij de beoordeling van het geschil tot uitgangspunt heeft genomen (r.o. 4.7 en 4.8). [22] Ik merk op dat een en ander in de (omvangrijke) passages in de memorie van grieven waarnaar het onderdeel verwijst, niet duidelijk wordt toegelicht.
jegens alle wederpartijen, niet alleen jegens particuliere klanten maar ook jegens zakelijke klanten, zoals ervaren ondernemers. Het subonderdeel stelt dat de omstandigheid dat de klant van de bank een (ervaren) ondernemer is weliswaar relevant is bij het bepalen van de reikwijdte van de bijzondere zorgplicht, omdat van ondernemers meer zelfredzaamheid wordt verwacht, maar dat deze omstandigheid niet meebrengt dat de bank jegens zo’n klant “überhaupt geen bijzondere zorgplicht zou hebben.” Derhalve moet deze omstandigheid, zo vervolgt het subonderdeel, steeds worden gewogen ten opzichte van alle andere omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld de omstandigheid dat sprake is van een complex product zoals renteswaps en de klant niet deskundig is wat betreft dit product en daar geen of weinig ervaring mee heeft. Het subonderdeel concludeert dat het hof in r.o. 4.8 een subregel hanteert voor ervaren ondernemers die geen steun vindt in het recht. Volgens het subonderdeel heeft het hof dit alles miskend, omdat het aan “de enkele omstandigheid dat [eiseressen] ervaren ondernemers zijn” de conclusie heeft verbonden (zie de woorden “dan ook”) dat Rabobank jegens [eiseressen] geen bijzondere zorgplicht zou hebben.
waaronderde mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s. In de bestreden overweging oordeelt het hof bovendien niet enkel dat op de bank jegens een ervaren ondernemer geen bijzondere zorgplicht rust, maar dat in casu op Rabobank geen bijzondere zorgplicht rustte “ertoe strekken dat zij [eiseressen] diende te beschermen tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid”. De bestreden overweging staat bovendien niet op zichzelf doch moet worden gelezen in samenhang met de overige overwegingen (r.o. 4.10 t/m 4.16). De gezamenlijke overwegingen hebben geleid tot de slotsom in r.o. 4.17 dat de vorderingen 1 t/m 15 niet worden toegewezen. Wat het hof in de bestreden passage tot uitdrukking heeft gebracht is dat de reikwijdte van de zorgplicht van Rabobank ten opzichte van [eiseressen] in dit geval beperkter is, gelet op in het bijzonder het feit dat zij (en [betrokkene 2] ) als ervaren ondernemers kunnen worden beschouwd. Het hof heeft in r.o. 4.14 nog overwogen dat [betrokkene 2] bekend was met gangbare termen als ‘looptijd’, ‘tussentijdse beëindiging’, ‘vervroegde aflossing’, ‘vaste en variabele rente’ en ‘vergoedingsrente’, en dat de ingewikkeldheid van de (bewuste) renteswaps beperkt is. Ik lees het bestreden oordeel aldus dat de zorgplicht van Rabobank in het licht van deze omstandigheden, bezien in samenhang met de inhoud en omvang van de door haar aan [eiseressen] verstrekte informatie (en waarschuwingen),
niet nog verder strektein die zin dat zij [eiseressen] (ook nog) diende te beschermen tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid. Het subonderdeel faalt.
uitsluitendberust op de niet-inhoudelijke criteria ‘tijdsverloop’ en ‘financiële omvang’. Indien de subregel, zo vervolgt het subonderdeel, wel (mede) op financiële omvang zou berusten, dan betreft het de reeds bestaande wettelijke omvangcriteria (zoals die in de Wft of het Burgerlijk Wetboek), waarbij als peildatum geldt de datum waarop de betreffende renteswap is gesloten. Het subonderdeel stelt dat het hof dit heeft miskend, omdat het in r.o. 4.3 tot het oordeel is gekomen dat [eiseressen] niet-professionele beleggers zijn in de zin van art. 1:1 Wft Pro en het is uitgegaan van een balansomvang in 2008, terwijl de eerste renteswap al in 2006 is gesloten.
ins en outs’ van de bewuste renteswaps had, zo lees ik het oordeel van het hof, van hen als ervaren ondernemers in elk geval mogen worden verwacht dat zij zich zo nodig (aanvullend) door derden lieten adviseren voorafgaand aan het afsluiten van de renteswaps. Zie ten aanzien van [betrokkene 2] in dat verband uitvoerig r.o. 4.13, waartegen in cassatie evenmin een klacht wordt gericht. Het hof heeft daar overwogen dat Rabobank er vanuit mocht gaan dat [betrokkene 2] de inhoud van de in r.o. 4.12 genoemde documenten onder A t/m E begreep. Het subonderdeel faalt.
Subonderdeel 4.1bevat de klacht dat het hof met dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over de voor de (bijzondere) zorgplicht relevante omstandigheid ‘de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s’. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat renteswaps complexe producten zijn, althans dat zij in beginsel complexe producten zijn, althans dat zij dat waren in de periode van 2005 t/m 2008, toen banken begonnen met het (op grote schaal) aanbieden van renteswaps aan mkb’ers en particulieren. Het subonderdeel stelt dat ook uit het publiekrecht blijkt dat renteswaps complexe producten zijn.
swapdie wordt afgesloten ter afdekking van het renterisico van een variabelrentende lening een ingewikkeld product is, kan overigens mijns inziens in zijn algemeenheid – dus nog even los gezien van de deskundigheid van de cliënt – worden aangenomen. [31] ” [32]
niet zodanig complexzijn dat [eiseressen] niet geacht konden worden de kenmerken ervan en de eraan verbonden risico’s in afdoende mate te begrijpen op basis van de inhoud van de door Rabobank verstrekte informatie. In dat verband zij herhaald dat het hof meermaals heeft overwogen dat [eiseressen] en bestuurder [betrokkene 2] ervaren ondernemers zijn. [33] Naar het oordeel van het hof moesten zij gelet op hun kennis, inzicht en ervaring in staat worden geacht om de inhoud van de door Rabobank verstrekte informatie met betrekking tot de onderhavige renteswaps te doorgronden en werd van hen verwacht dat zij bij eventuele onduidelijkheden aan Rabobank vragen zouden stellen dan wel zich door derden (nader) zouden laten voorlichten. Ik wijs in het kader van het bovenstaande nogmaals op het in cassatie niet bestreden oordeel in r.o. 4.13 dat Rabobank ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 2] de inhoud van de in r.o. 4.12 genoemde documenten onder A t/m E begreep. Het subonderdeel faalt.
mismatchtussen de
swapen de onderliggende lening(en), bijvoorbeeld wat betreft (resterende) hoofdsom, looptijd, renteperiode en/of startdatum. Reeds gezien deze
mismatchzijn de renteswaps volgens het subonderdeel complex. Ten tweede, zo vervolgt het subonderdeel, is de eerste renteswap een zgn. portefeuilleswap, waarbij de rente van in totaal 23 leningen – die zijn afgesloten bij verschillende banken, onder verschillende voorwaarden en met verschillende start- en einddatums – in één keer werd geswapt voor een (andere) vaste rente. Reeds gezien deze portefeuilleswap is in elk geval de eerste renteswap volgens het subonderdeel complex. Het subonderdeel stelt tot slot dat de drie OFD’s en de Bijlage Informatie Financiële Derivaten geen andere conclusie toelaten dan dat Rabobank er zélf ook van uitgaat dat rentederivaten, zoals renteswaps, complexe producten zijn waaraan specifieke risico’s zijn verbonden die niet door iedereen te doorgronden zijn, aangezien in deze documenten is bepaald dat de klant dient af te zien van het aangaan van de transactie, indien hij betwijfelt of hij zich terdege bewust is van en voldoende inzicht heeft in de risico’s en gevolgen die verbonden zijn aan het aangaan van de transactie.
mismatch, (ii) portefeuilleswap en (iii) Rabobank gaat er zélf vanuit dat renteswaps complexe producten zijn –, merk ik op dat het subonderdeel niet verwijst naar vindplaatsen in de processtukken waar [eiseressen] hebben aangevoerd dat de afgesloten renteswaps
gelet op die grondencomplex zijn. Het subonderdeel verwijst alleen naar producties die in het geding zijn gebracht.
mismatch/overhedge) uitdrukkelijk is gemeld in de in r.o. 4.11 en 4.12 genoemde documenten. Deze overweging wordt in cassatie niet bestreden. Eerder in r.o. 4.13, in cassatie evenmin bestreden, heeft het hof overwogen dat Rabobank ervan mocht uitgaan dat [betrokkene 2] de inhoud van de in r.o. 4.12 genoemde documenten onder A t/m E begreep. Ook tegen de volgende passage in r.o. 4.14 worden in cassatie geen klachten gericht:
een verdergaande zorgplichtaanleiding kunnen geven. Rabobank stelt naar aanleiding van het voorgaande mijns inziens met juistheid:
subonderdeel 5.2is het bestreden oordeel onbegrijpelijk. Het subonderdeel stelt dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, onduidelijk en derhalve onbegrijpelijk is hoe de genoemde drie omstandigheden het oordeel kunnen dragen dat de kennis en ervaring van [betrokkene 2] geen aanleiding zouden kunnen geven tot het aannemen van een verdergaande zorgplicht. Het subonderdeel stelt dat uit deze omstandigheden weliswaar volgt dat [betrokkene 2] in 2006-2008 kennis en ervaring had betreffende geldleningen, maar dat daaruit niet volgt dat hij ook kennis en ervaring had betreffende renteswaps of rentederivaten in het algemeen. Dit kan volgens het subonderdeel nu juist wél, alle omstandigheden van het geval afgewogen, aanleiding geven tot het aannemen van een verdergaande zorgplicht.
swap, en dat [eiseressen] op basis van hun bekendheid met een boeterente dus ook bekendheid zouden moeten hebben gehad met een negatieve marktwaarde.
kanontstaan bij de cliënt van de bank en dat dit risico ‘vergelijkbaar’ is. Zowel in de brief van 8 december 2006 aan [eiseres 2] (zie hiervoor in 2.8) als in de brief aan [eiseres 3] van 7 februari 2008 (zie hiervoor in 2.12) heeft Rabobank met betrekking tot de tussentijdse beëindiging van een renteswap uitdrukkelijk vermeld:
Subonderdeel 7.1is gericht tegen het oordeel in r.o. 4.14 (eerste zin) dat ‘kenmerk 5’ (opslagverhogingen) in de in r.o. 4.11 en 4.12 genoemde documenten uitdrukkelijk is gemeld. Volgens het subonderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk. Het subonderdeel stelt dat de renteopslag wel is gemeld, maar het recht om deze renteopslag te mogen
verhogen, niet.
nietin de overeenkomst over de renteswap.
nietuitdrukkelijk is gemeld dat en onder welke omstandigheden die opslag óók in combinatie met de renteswap kan worden verhoogd.
exclusief debiteurenopslag). […]
7. Wat gebeurt er als er een tekort aan Dekking ontstaat?
swappenvoor een vaste rente van beperkte waarde was, omdat een verlaging van de variabele rente ten opzichte van de overeengekomen vaste rente zou leiden tot een negatieve tussentijdse waarde van de renteswap, welke waarde relevant was voor hun kredietwaardigheid en aldus relevant was voor de verhoging van de renteopslag.
Subonderdeel 8.1bevat de klacht dat het oordeel dat [eiseressen] geen bijzondere omstandigheden hebben gesteld die meebrengen dat moet worden afgeweken van het uitgangspunt dat voor een geslaagd beroep op een zorgplichtschending of dwaling niet voldoende is dat een bank geen melding maakt van de bankmarge als onderdeel van het onder de renteswapovereenkomst door de klant verschuldigde rentetarief, onjuist is. Het subonderdeel stelt dat de motivering van dit oordeel inhoudt dat geen bijzondere omstandigheid is dat de bank aan de klant heeft gemeld dat er geen premie voor een renteswap betaald wordt, “nu premie ziet op een bedrag dat betaald moet worden aan een derde om een uitkering van die derde te verkrijgen.” Daarvan is hier geen sprake, aldus het hof. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat dit uitgangspunt met name van belang is voor gevallen waarin de bank géén mededelingen heeft gedaan over een bankmarge als onderdeel van het onder de renteswapovereenkomst door de klant verschuldigde vaste rentetarief, [43] en dat Rabobank in dit geval wél dergelijke mededingen heeft gedaan. Het subonderdeel stelt dat in de informatiebrochures steeds wordt vermeld dat geen premie betaald hoeft te worden voor de renteswap. [44] Volgens het subonderdeel zijn deze mededelingen bijzondere omstandigheden die kunnen meebrengen dat moet worden afgeweken van het hiervoor genoemde uitgangspunt, bijvoorbeeld omdat gezien de mededelingen geen onderhandelingen over de hoogte van de ‘premie’ nodig zijn, terwijl [eiseressen] de juistheid van die mededelingen niet konden controleren. Het subonderdeel stelt verder dat het hof miskent dat het begrip ‘premie’ geen vastomlijnde betekenis heeft en dat de betekenis van dit begrip moet worden bepaald door uitleg op basis van de Haviltex-maatstaf. [45]
U betaalt hiervoor geen premie”, “
Voor een dergelijke afspraak hoeft u geen premie te betalen” en “
Er wordt geen premie betaald” hebben onmiskenbaar betrekking op een separaat te betalen premie en niet op de kosten en de bankmarge die in de geoffreerde renteswaps zijn verdisconteerd. Het oordeel van het hof moet in die zin worden gelezen. Ik acht het bestreden oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk. De klachten falen derhalve.