Uitspraak
verblijvende te [verblijfplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
19 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. De rechtbank verleende de machtiging ondanks dat de geneeskundige verklaring alleen door de geneesheer-directeur was ondertekend en niet door de psychiater die betrokkene onderzocht had. Betrokkene stelde dat dit in strijd was met het beginsel van hoor en wederhoor en dat de verklaring mede door de psychiater ondertekend moest worden.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere rechtspraak waarin is vastgesteld dat de geneeskundige verklaring krachtens art. 16 lid 1 Wet Pro Bopz door de geneesheer-directeur moet worden ondertekend, maar dat een handtekening van de onderzoekende psychiater niet vereist is tenzij de wet dit expliciet voorschrijft. De brief van de geneesheer-directeur, die niet aan betrokkene of diens advocaat was gezonden, werd door de rechtbank gebruikt, maar de Hoge Raad oordeelt dat dit geen schending van het hoor en wederhoor-beginsel oplevert omdat het oordeel van de rechtbank een zuiver rechtsoordeel betreft.
Het beroep in cassatie wordt verworpen. De Hoge Raad bevestigt dat de geneeskundige verklaring niet mede door de psychiater hoeft te worden ondertekend en dat de procedurele waarborgen niet zijn geschonden.
De uitspraak verduidelijkt de eisen aan de geneeskundige verklaring bij machtigingen tot voortgezet verblijf en bevestigt de geldende jurisprudentie over de rol van de geneesheer-directeur en de onderzoekende psychiater.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de geneeskundige verklaring hoeft alleen door de geneesheer-directeur te zijn ondertekend.