Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.De samenstelling van het procesdossier
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1.1in dat de rechtbank ten onrechte, althans niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd, heeft beslist dat in de onderhavige onteigening geen andere methoden voorhanden waren dan de intuïtieve taxatiemethode en dat ten aanzien van de waarde van de onteigende gronden het advies van de deskundigen is gevolgd. Voor zover alinea 1.1 bedoeld is als een zelfstandige klacht, kan zij bij gebrek aan een behoorlijke toelichting niet tot cassatie leiden.
onder 1.1.2 tot en met 1.1.4. Die eigenlijke klachten, althans die onder 1.1.2 en 1.1.4, berusten op de lezing die de steller van het middel onder 1.1.1 aan rechtsoverweging 2.19 geeft. Die lezing houdt in dat de rechtbank het kennelijk voor de uiteindelijk aangenomen aanvaardbaarheid van de intuïtieve waarderingsmethode relevant heeft geacht dat deskundigen de intuïtief getaxeerde grondwaarde hebben getoetst aan de [A-transactie] en transacties in [plaats] en [plaats 2] . Naar mijn mening berust deze uitleg op een onjuiste lezing van het vonnis en stuiten hierop de klachten van het onderdeel af, althans die onder 1.1.2 en 1.1.4.
In dit verbandhebben de deskundigen ter gelegenheid van de pleitzitting laten weten dat zij van de [A-transactie] , evenals van twee andere door hen genoemde transacties, kennis hebben genomen en zichzelf de vraag hebben gesteld of die transacties aanleiding gaven om te veronderstellen dat de door hen intuïtief gevonden waarde niet juist was, maar dat dit niet het geval is. Dit is iets wezenlijk anders dan de door het onderdeel veronderstelde lezing, als zou volgens de rechtbank toepassing van de intuïtieve methode (mede) gerechtvaardigd zijn op de grond dat de deskundigen de aanvankelijk door hen gevonden waarde aan de [A-transactie] en de beide andere transacties hebben getoetst, wat in feite erop neer zou komen dat de deskundigen een gemengde taxatiemethode hebben toegepast.
intuïtievewaardering dan door hen gegeven. Een ‘toetsing’ aan een bepaald gegeven veronderstelt immers, althans in enige mate, de eenduidigheid van dat gegeven en de mogelijkheid van een vergelijking. Volgens de deskundigen en de rechtbank leveren de bedoelde transacties echter juist niet voldoende eenduidige gegevens op omtrent de relevante waarde (de grondprijs) en is een vergelijking niet mogelijk.
huurderis verminderd. Het gaat hier immers om de waardevermindering van het overblijvende voor [eiser 1] als eigenaar/verhuurder van de onroerende zaken. De rechtbank stelt dit ook in rechtsoverweging 2.34 voorop, door te overwegen dat de waarde van een verhuurd pand wordt bepaald door de
jaarlijkse huuropbrengst, zijnde de verdiencapaciteit van de
verhuurder.Een wijziging in de verdiencapaciteit van de huurder betekent niet zonder meer dat de verdiencapaciteit van de verhuurder is gewijzigd. En een omzetdaling betekent niet zonder meer dat de verdiencapaciteit is gedaald. [13] De beslissing van de rechtbank behoefde geen nadere motivering.
onder 3.1.3deelt in het lot van de voorgaande klachten. De klacht veronderstelt ten onrechte dat met de ligweide extra inkomsten zijn gegenereerd.
onder 3.3.2. De rechtbank mocht zich aansluiten bij het advies van deskundigen en de argumenten van de deskundigen tot de hare maken. Daarbij heeft de rechtbank voldoende gerespondeerd op het andersluidende standpunt van [eisers]
onder 3.4.2bouwt op de bedoelde veronderstelling voort en faalt daarom.
Onderdeel 4keert zich tegen rechtsoverwegingen 2.96 en 2.97 en de onder 3.9 van het dictum uitgesproken uitvoerbaarbijvoorraadverklaring.
Onderdeel 5keert zich tegen rechtsoverweging 2.95 en de onder 3.4 en 3.5 van het dictum neergelegde veroordeling van [eiser 1] en [eiser 3] tot betaling van wettelijke rente over het door hen terug te betalen bedrag.
5.1 tot en met 5.3heeft de rechtbank de regels uit het arrest van uw Raad van 27 januari 2017 [18] miskend, dan wel niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd dat door de Gemeente om de wettelijke rente is verzocht.
ambtshalveveroordeelt tot terugbetaling van het gedeelte van het voorschot dat de door hem vastgestelde onteigeningsschade overtreft (art. 54t lid 3 Ow), volstaat dat de onteigenende partij duidelijk heeft gemaakt dat uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van die veroordeling door haar wordt verlangd. Dat was hier het geval (vergelijk hiervoor onder 4.51). Terzijde nog: over de uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling hebben [eisers] zich ook uitgelaten (vergelijk rechtsoverweging 2.96 van het vonnis).