Belanghebbende hield alle aandelen in een dochtervennootschap die in 2003 een krediet kreeg van een bank. Belanghebbende aanvaardde hoofdelijke aansprakelijkheid voor de schuld van de dochtervennootschap zonder dat hierover afspraken met de dochter waren gemaakt of zekerheden waren bedongen. Na faillissement van de dochtervennootschap in 2013 resteerde een schuld van €155.971. Belanghebbende vormde een voorziening ten laste van de winst, maar de inspecteur liet deze niet toe bij de aanslag vennootschapsbelasting.
Het geschil betrof de vraag of deze voorziening aftrekbaar was. Het hof oordeelde dat de aanvaarding van hoofdelijke aansprakelijkheid door belanghebbende als aandeelhouder beoordeeld moet worden volgens de maatstaf uit het arrest van 17 oktober 2014, waarbij gekeken wordt of een onafhankelijke derde eenzelfde aansprakelijkheid zou aanvaarden tegen een vergoeding die niet afhankelijk is van de winst van de dochtervennootschap. Het hof vond dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat een onafhankelijke derde dit niet zou doen.
Belanghebbende stelde in cassatie dat deze maatstaf onjuist was en dat de aansprakelijkheid voortkwam uit de aandeelhoudersrelatie, zodat een onafhankelijke derde deze niet zou aanvaarden. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde de maatstaf uit het paraplukredietarrest en het arrest van 17 oktober 2014. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.