Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB2015/109 van toepassing is. Is dat het geval, dan hoeft niet te worden onderzocht of een niet-winstafhankelijke vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden, omdat alsdan de aansprakelijkheidsaanvaarding geacht moet worden in de kapitaal-/deelnemingssfeer te liggen.
BNB2015/13 voor de onzakelijke garantstelling door een aanmerkelijk-belanghouder jegens de BV waarin hij dat belang houdt (zie onderdeel 2.16 van de bijlage bij deze conclusie). Beoordeeld moest dus worden of een niet van [A] ’s winst afhankelijke vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden. Naar ’s Hofs oordeel heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat een onafhankelijke derde in oktober 2003 niet bereid zou zijn geweest om tegen een niet-winstafhankelijke vergoeding eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden. De subsidiaire stelling van de Inspecteur – dat de garantstelling door stilzitten na 1 oktober 2003 onzakelijk is geworden – achtte het Hof evenmin aannemelijk gemaakt.
arm’s lengthcriterium (is het uitgesloten dat een derde onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden eenzelfde aansprakelijkheid zou hebben aanvaard tegen een winstonafhankelijke vergoeding?) heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur niet is geslaagd in het bewijs dat daaraan is voldaan. Het heeft feitelijk geoordeeld dat die derde wél te vinden zou zijn en gezien de vastgestelde feiten ten tijde van het aangaan van de aansprakelijkheid, lijkt mij dat geen onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd oordeel. Dit oordeel impliceert mijns inziens dat evenmin aan het Paraplukredietarrestcriteria is voldaan.
carte blancheheeft verstrekt, nu mondeling noch schriftelijk afspraken zijn gemaakt over de voorwaarden waaronder zij garant stond. [A] ’s krediet en daarmee belanghebbendes garantie is echter gemaximeerd op € 408.402,19 en ook overigens bestrijdt dit onderdeel in wezen ’s Hofs niet-onbegrijpelijke feitenvaststelling c.q. houdt het een andere waardering van de vastgestelde feiten in dan die van het Hof. Dat een aangesproken medeschuldenaar regres heeft op de hoofdschuldenaar en bij niet-betaling na peremptoirstelling recht heeft op wettelijke rente, spreekt vanzelf en hoeft niet overeengekomen te worden.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2013/148] blijkt dat het op de weg van de Inspecteur ligt om feiten (en omstandigheden) aannemelijk te maken, waaruit volgt op welk moment een zakelijk handelende derde in soortgelijke omstandigheden als belanghebbende (waaronder de kennis die belanghebbende heeft van de debiteur), welke maatregel zou hebben genomen om zijn rechten veilig te stellen, en in hoeverre deze daarin dan zou zijn geslaagd.
NLF2017/2245 zet Ligthart vraagtekens bij uw onzakelijke lening- en borgstellingsjurisprudentie. Uw beoordelingscriterium (zou een derde een vergelijkbare garantie hebben kunnen geven tegen een niet-winstafhankelijke vergoeding onder overigens dezelfde omstandigheden en voorwaarden?) acht hij ‘onpraktisch en uiterst discussiegevoelig’:
2.Het geding in cassatie
afhankelijke vergoeding zou hebben kunnen worden gevonden, laat staan een winst
onafhankelijke vergoeding. De Staatssecretaris acht voorts onbegrijpelijk ’s Hofs oordeel dat de Inspecteur zijn stelling had kunnen onderbouwen met een vergelijking met op het verleden betrekking hebbende marktgegevens.
carte blanche-garantie heeft gegeven doordat mondeling noch schriftelijk afspraken zijn gemaakt over de voorwaarden waaronder de belanghebbende garant staat.
3.Behandeling van het middel
Middelonderdeel (a)
arm’s lengthtest niet toekomt, omdat de aansprakelijkstelling als zodanig uitsluitend verklaard wordt door het aandeelhouderschap van de belanghebbende, net zoals in het Paraplukredietarrest.
arm’s lengthtest. Dat is niet zo (zie onderdeel 4 van de bijlage), maar dat tast zijn oordeel niet aan: volgens hem is aan de Paraplukredietcriteria niet voldaan
omdater zijns inziens een derde gevonden kan worden die na prijscorrectie mee had kunnen doen. Daarmee heeft het Hof weliswaar dogmatisch inderdaad een stap overgeslagen (de aandeelhoudershoedanigheidstest), maar zijn oordeel dat de inspecteur niet heeft bewezen dat de belanghebbende zakt voor de dogmatisch daarop volgende
arm’s lengthtest impliceert dat hij, als hij er bewust op ingegaan zou zijn, de inspecteur evenmin geslaagd zou hebben geacht in het bewijs van uitsluitend aandeelhoudershandelen. Gezien de door het Hof onderzochte en vastgestelde feiten ten tijde van het aangaan van de aansprakelijkheid, lijkt mij dat geen onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd oordeel.
carte blanche. Ook overigens bestrijdt dit middelonderdeel in wezen ’s Hofs niet-onbegrijpelijke feitenvaststelling c.q. houdt het een andere waardering van de vastgestelde feiten in dan die van het Hof, die echter niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Dat een aangesproken medeschuldenaar regres heeft op de hoofdschuldenaar en bij niet-betaling na peremptoirstelling recht heeft op wettelijke rente, spreekt mijns inziens vanzelf en hoeft niet overeengekomen te worden.