Uitspraak
zetelende te Rabat, Marokko,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 mei 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond het verzoek van Het Koninkrijk Marokko centraal om de arbeidsovereenkomst met een werknemer te ontbinden op grond van verwijtbaar handelen van de werknemer dan wel een verstoorde arbeidsverhouding. De zaak werd in eerste aanleg behandeld door de kantonrechter te Den Haag, waarna het gerechtshof Den Haag meerdere beschikkingen deed. Het Koninkrijk stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraken van het hof.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van Het Koninkrijk verworpen. De klachten die in het middel werden aangevoerd, konden niet leiden tot cassatie en behoefden geen nadere motivering, mede gelet op artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van de lagere instanties.
De Hoge Raad veroordeelde Het Koninkrijk tevens in de kosten van het cassatiegeding, waaronder een bedrag aan verschotten en salaris advocaat. De uitspraak werd gedaan door een kamer van raadsheren, waarbij de beschikking in het openbaar werd uitgesproken door raadsheer M.V. Polak.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Het Koninkrijk Marokko wordt verworpen en Het Koninkrijk wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.