Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Mediant-beschikking [6] is geoordeeld dat onder de Wwz de kantonrechter niet de voorwaardelijk verzochte ontbinding mag uitspreken voor het geval dat de appelrechter het ontslag op staande voet zal vernietigen. De vraag kan worden gesteld of die regel ook betekenis heeft voor het onderhavige geval, waarin de procedure over het ontslag op staande voet wordt beheerst door het oude recht en de ontbindingsprocedure door de Wwz. Nu de werknemer niet heeft aangevoerd dat de in de
Mediant-beschikking neergelegde regel in de weg staat aan toewijzing van het voorwaardelijk ontbindingsverzoek, evenmin heeft gesteld dat de werkgever geen belang heeft bij het ontbindingsverzoek en op dit punt ook geen grief heeft gericht tegen de beschikking van de kantonrechter, laat het hof het antwoord op die vraag in het midden (rov. 3.1). Ditzelfde geldt voor de vraag of de werknemer ziek was op het moment dat het ontbindingsverzoek werd ingediend, aangezien de werknemer geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met ziekte van de werknemer (rov. 3.2).
“Rejecté cause maladie”op deze verklaring van de werknemer afkomstig is. De werkgever vermoedt dat de werknemer deze verklaring in de dagvaardingsprocedure heeft overgelegd om daarmee te bewijzen dat hij op het moment van ontslag op staande voet al ziek was (rov. 3.9). Stelling (a) wordt verworpen: het moet ervoor worden gehouden dat de ambassade de officiële verklaring zelf heeft opgesteld (rov. 3.10). Wat betreft stelling (b): indien komt vast te staan dat de werknemer de handgeschreven woorden zelf heeft geschreven en in de dagvaardingsprocedure (dus) heeft gelogen over (de persoon van) de opsteller, valt hem dit zwaar aan te rekenen (rov. 3.11). Het hof acht het dan ook nodig om een deskundigenbericht te gelasten over de vraag of die handgeschreven tekst van de werknemer afkomstig is (rov. 3.12). Het hof wijst partijen erop dat de deskundige onder meer dient te beschikken over de originele verklaring van 12 juni 2015 (rov. 3.13).
onderdelen A tot en met Czijn gericht tegen de tussenbeschikking van 28 juli 2017. Zij stellen de vraag aan de orde of de werkgever voldoende heeft gesteld om tot het bewijs van de gestelde ontslaggronden te worden toegelaten.
Onderdeel Dis gericht tegen de eindbeschikking van 5 juni 2018. Het stelt de vraag aan de orde of het hof de conclusies van de deskundige heeft mogen overnemen, ondanks het ontbreken van de originele verklaring van 12 juni 2015 en de daaruit voortvloeiende onduidelijkheid over de vraag wie de handgeschreven tekst op die verklaring heeft geschreven.
2.Het verweer over ontbrekend belang in cassatie
dezelfde rechtsvraagof
hetzelfde geschilpuntaan de orde is. [11] Voor een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde is niet vereist dat in beide procedures hetzelfde is gevorderd. [12] Het gezag van gewijsde komt toe aan elke geschilbeslissing die het dictum van het vonnis mede draagt. [13] Een beslissing waarbij enkel het bestaan van een
feitwordt vastgesteld, heeft geen gezag van gewijsde, [14] maar wel vrije bewijskracht. [15] Voor zover de beslissing inhoudt dat de rechtsbetrekking in geschil (mede) wordt bepaald door de aan een vaststaand feit verbonden
rechtsgevolgen, heeft die beslissing (inclusief de feitelijke componenten ervan) gezag van gewijsde. [16] Een beslissing waarbij niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil omdat de betrokken partij niet aan haar stelplicht heeft voldaan, heeft in de regel geen gezag van gewijsde, maar daarop zijn – afhankelijk van de uitleg van de beslissing in het licht van het gevoerde debat – uitzonderingen denkbaar. [17]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
kunnenworden geconcretiseerd dan door bewijslevering, bijvoorbeeld waar het gaat om informatie die zich in het domein van de wederpartij bevindt. [30]
onderdeel A). De werkgever meent – ook afgezien van de gestelde vervalsing – voldoende gesteld te hebben om te worden toegelaten tot het bewijs van verwijtbaar handelen (
onderdeel A.1), althans een verstoorde arbeidsverhouding (
onderdeel A.2). Daarom had het hof het door de werkgever gedane bewijsaanbod niet zonder nadere motivering mogen passeren (
onderdeel B). Ook wordt geklaagd over ‘s hofs uitleg van de stellingen van de werkgever (
onderdeel C). Het hof heeft de “samenhang” van de gestelde feiten miskend, door steeds “per aangevoerd feit” een oordeel te geven, in plaats van een “allesomvattend oordeel” (
onderdeel C.1). [35] In het verlengde hiervan heeft het hof de verstoorde arbeidsverhouding ten onrechte beperkt geacht tot de gestelde vervalsing. Volgens de werkgever hebben “alle feiten en omstandigheden” tot de verstoring geleid (
onderdeel C.2).
eerste verwijt– het veelvuldig te laat komen, waarop in het inleidend verzoekschrift de nadruk lag [39] – heeft het hof in de tussenbeschikking van 28 juli 2017 als volgt verworpen:
verwijten 2 tot en met 4uit de brief van 16 juni 2015 heeft het hof in de tussenbeschikking van 28 juli 2017 als volgt verworpen:
mondelingewaarschuwingen is door de werkgever geen specifiek bewijs aangeboden. Voor zover het middel betoogt dat de schriftelijke verklaring van de ambassadeur dienaangaande een “impliciet bewijsaanbod” bevatte, [47] faalt het. Weliswaar is een bewijsaanbod vormvrij en kan het ook impliciet worden gedaan, [48] maar uit de in alinea 3.4 besproken vaste rechtspraak volgt dat van een partij die in hoger beroep bewijs door getuigen aanbiedt, verwacht mag worden dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan. [49] Tegen deze achtergrond acht ik het niet onjuist of onbegrijpelijk, dat het hof de werkgever niet heeft toegelaten tot het bewijs van de gestelde mondelinge waarschuwingen.
bewijsaanbodaan zijn stelplicht heeft voldaan, [52] is het tevergeefs voorgesteld. In uitzonderingssituaties is denkbaar dat stellingen niet anders dan door bewijslevering kunnen worden geconcretiseerd (vgl. alinea 3.3, slot). Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke uitzonderingssituatie zich hier voordoet, nog daargelaten dat de werkgever zoals gezegd alleen ten aanzien van de verwijten 2 en 4 een specifiek bewijsaanbod heeft gedaan.
in onderlinge samenhanghad moeten beschouwen (
onderdeel C), kan evenmin tot cassatie leiden. Het gaat om vier verschillende, door de werkgever afzonderlijk gepresenteerde verwijten. Een gebrek aan concretisering ten aanzien van het ene verwijt, kan niet worden ‘geheeld’ door andere, eveneens onvoldoende geconcretiseerde verwijten: vage stellingen worden niet concreter door een opeenstapeling ervan. Toegespitst op de g-grond merk ik nog op dat verwijtbaarheid daarvoor weliswaar geen vereiste is, maar wel een relevant gezichtspunt. [53] Dat geldt temeer in een geval als dit, waarin de werkgever goed beschouwd niets anders dan de besproken verwijten aan zijn ontbindingsverzoek ten grondslag heeft gelegd. [54] Daarom faalt ook het betoog van de werkgever, dat het hof (duidelijker) onderscheid had moeten maken tussen de feiten die aan de e-grond respectievelijk de g-grond ten grondslag zijn gelegd. [55] Een dergelijk onderscheid is in de stellingen van de werkgever, zoals uitgelegd door het hof, niet (voldoende duidelijk) gemaakt.
onderdeel D.1). Door het ontbreken van de originele verklaring is de bewijspositie van de werkgever geschaad. Het hof had niet zonder voorafgaande toestemming van partijen de deskundige mogen instrueren om het onderzoek op basis van een kopie te verrichten (
onderdeel D.2). Nu het rapport bewijskracht miste, had het hof de werkgever moeten toelaten tot het leveren van getuigenbewijs (
onderdeel D.3). Hetzelfde geldt voor zover het hof wel bewijskracht heeft mogen toekennen aan het rapport (
onderdeel D.4).
werknemeral dan niet de handgeschreven tekst heeft geschreven (rov. 3.12, onder verwijzing naar rov. 3.10 en 3.11). Zo niet, dan moet volgens het hof worden aangenomen dat de handgeschreven tekst namens de ambassade is geschreven, in welk geval geen sprake is van een voldragen e-grond (rov. 3.14) of g-grond (rov. 3.15). Bij memorie na deskundigenbericht heeft de werkgever nog steeds geen getuigenbewijs aangeboden, maar aangedrongen op een nieuw deskundigenrapport. [58] Die suggestie heeft het hof in rov. 2.2 van de eindbeschikking van 5 juni 2018 niet overgenomen. Daarover wordt in cassatie niet geklaagd.
‘battle of experts’. [59] Daarvan is hier geen sprake.
positieveaanwijzingen voor de betrokkenheid van de werknemer. In dit geval is het hof overtuigd door de
negatieveaanwijzingen die (zelfs op basis van een kopie) het vermoeden rechtvaardigden dat de tekst niet van de werknemer afkomstig was (daargelaten van wie dan wel). Het betreft hier een aan het hof voorbehouden waardering van het deskundigenbericht, die niet onbegrijpelijk is voor de lezer.
‘novum’in cassatie. [63] Het partijdebat heeft zich, in de niet onbegrijpelijke lezing van het hof, toegespitst op de vraag of de
werknemer(zelf) de handgeschreven tekst op de verklaring van 12 juni 2015 had geschreven. [64] Dáárover kon de deskundige, ondanks het ontbreken van de originele verklaring, een gefundeerd vermoeden uitspreken. Het middel vermeldt geen ten bewijze aangeboden stellingen van de werkgever die ertoe strekten dat
iemand anders in de invloedssfeer van de werknemerde tekst heeft geschreven.