ECLI:NL:PHR:2022:556

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2022
Publicatiedatum
10 juni 2022
Zaaknummer
21/00729
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 RvArt. 31 RvArt. 32 RvArt. 1:245 BWArt. 1:281 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over verzoek tot verbetering en aanvulling van beschikking inzake gezag en voogdij

In deze zaak verzoekt de moeder de Hoge Raad om de beschikking van 13 mei 2022 te verbeteren of aan te vullen, zodat ook de benoeming van de Stichting Leger des Heils tot tijdelijke voogd wordt vernietigd. De beschikking van 6 december 2019 had het gezag van beide ouders over de minderjarige kinderen voor een jaar beëindigd en de GI tot tijdelijke voogd benoemd.

De Hoge Raad overweegt dat de moeder in hoger beroep en cassatie niet tegen de voogdijbeslissing heeft gegriefd. Volgens vaste rechtspraak mag de rechter ambtshalve rechtsgronden aanvullen binnen de feitelijke grondslag van de vordering, maar niet op basis van nieuwe feiten of omstandigheden. Wel geldt dat bepalingen over gezag en voogdij van openbare orde zijn en ambtshalve toegepast moeten worden.

De Hoge Raad stelt dat het bestaan van voogdij naast ouderlijk gezag wettelijk niet mogelijk is en dat vernietiging van de gezagsbeëindiging impliceert dat de voogdijbeslissing ook is vernietigd. Toch verdient het de voorkeur om onduidelijkheid te voorkomen door de beschikking aan te vullen met vernietiging van de voogdijbenoeming. Het verzoek tot verbetering op grond van art. 31 Rv Pro wordt niet toegewezen omdat er geen kennelijke fout is, maar aanvulling op grond van art. 32 Rv Pro is passend.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat de beschikking van 13 mei 2022 aangevuld dient te worden met vernietiging van de benoeming van de GI tot tijdelijke voogd, om zo rechtszekerheid te bevorderen en onduidelijkheden weg te nemen.

Uitkomst: De Hoge Raad besluit de beschikking van 13 mei 2022 aan te vullen met vernietiging van de benoeming van de Stichting Leger des Heils als tijdelijke voogd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/00729
Zitting10 juni 2022
AANVULLENDE CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[de moeder]
(hierna: de moeder)
advocaat: mr. K. Aantjes
tegen
1. [de vader]
(hierna: de vader)
advocaat: mr. N.C. van Steijn
2. Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming &
Reclassering
(hierna: de GI)
niet verschenen
3. De Raad voor de Kinderbescherming
niet verschenen.

1.Inleiding

1.1
Bij brief van 17 mei 2022 heeft de advocaat van de moeder Uw Raad verzocht de beschikking van Uw Raad van 13 mei 2022 gegeven in de zaak tussen partijen op de voet van art 31 dan Pro wel art 32 Rv Pro te verbeteren dan wel aan te vullen, in die zin dat de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2019 ook wordt vernietigd voor zover daarin de GI tot tijdelijke voogd is benoemd.
1.2
Bij beschikking van 6 december 2019 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang en kort weergegeven:
- het gezag van beide ouders over [de dochter] (hierna: de dochter) en [de zoon] (hierna: de zoon) voor de duur van één jaar, dus tot 6 december 2020, beëindigd;
- de definitieve beslissing over het gezag pro forma aangehouden tot 30 oktober 2020, met het verzoek aan de advocaten en de GI om de rechtbank uiterlijk die datum te informeren over het verloop van het afgelopen jaar en hun standpunt over het gezag (gezamenlijk of eenhoofdig of geen) te geven;
- de GI tot tijdelijke voogd benoemd; en
- de ondertoezichtstelling van de dochter en de zoon met ingang van de datum van haar beschikking beëindigd.
1.3
Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 19 november 2020 in het incidenteel hoger beroep van de moeder de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
1.4
In het cassatieberoep van de moeder heeft Uw Raad bij beschikking van 13 mei 2022 de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 19 november 2020 vernietigd en tevens vernietigd de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2019 voor zover daarin het gezag van de moeder over de dochter en de zoon voor de duur van een jaar is beëindigd.
1.5
Voor het verzoek tot verbetering dan wel aanvulling voert de moeder aan dat nu het gezag van de moeder over de dochter en de zoon door Uw beslissing onverminderd tot 29 mei 2020 in stand is gebleven ook (zo nodig onder toepassing van art 25 Rv Pro) de beslissing omtrent de (tijdelijke) voogdij van de GI vernietigd had moeten worden. De wet biedt immers geen grondslag voor het bestaan van (tijdelijke) voogdij tegelijkertijd met het bestaan van ouderlijk gezag. Dat in appel door de moeder niet expliciet een grief was gericht tegen de voogdij doet hier niet aan af, nu vernietiging van de beslissing tot aanstelling van een voogd over de minderjarigen onlosmakelijk verbonden is met en daarom ook rechtens het gevolg moet zijn van de vernietiging tot beëindiging van het gezag van de moeder.
1.6
Ik stel voorop dat niet alleen in hoger beroep, maar ook in cassatie niet is geklaagd over de benoeming van de GI tot (tijdelijke) voogd. Het middel suggereert dat Uw Raad op grond van art. 25 Rv Pro ambtshalve de beschikking van de rechtbank ook ten aanzien van die beslissing had dienen te vernietigen.

2.Juridisch kader art. 25 Rv Pro

2.1
Art. 25 Rv Pro bepaalt dat de rechter ambtshave de rechtsgronden aanvult. De uit art. 25 Rv Pro voortvloeiende verplichting wordt begrensd door het verbod tot het aanvulling van de feitelijke grondslag van art. 24 Rv Pro. [1] Dit verbod brengt naar vaste rechtspraak van Uw Raad mee dat het de rechter niet vrij staat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen, aldus Uw Raad. [2]
2.2
De rechter mag zich bij het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden dus niet baseren op andere (rechts)feiten en omstandigheden dan die waarop de partij ten behoeve van wie de aanvulling plaatsvindt het verzoek of het verweer heeft gestoeld. De aangevoerde feitelijke grondslag moet de aan te vullen rechtsregel kunnen dragen. [3] Uw Raad heeft in de uitspraak van 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0472, NJ 2012/143 bepaald dat voor ambtshalve aanvulling van rechtsgronden door de rechter noodzakelijk is, maar ook voldoende, dat een partij zodanige feitelijke stellingen aan zijn vordering ten grondslag legt dat deze – eventueel in onderling verband en samenhang bezien, mits voor zowel de rechter als de wederpartij duidelijk genoeg is dat de desbetreffende stellingen (mede) in die samenhang of dat verband ten grondslag worden gelegd aan de vordering – toewijzing van de vordering kunnen rechtvaardigen op de door de rechter bij te brengen rechtsgrond. Of voldoende duidelijk is dat een partij bepaalde feiten en omstandigheden aan een verzoek of verweer ten grondslag heeft gelegd, vergt uitleg van de stellingen in de stukken van het geding. [4] Daarbij zal de rechter de stellingen van partijen met welwillendheid moeten interpreteren. [5] Een ambtshalve aanvulling mag echter niet tot een ontoelaatbare verrassingsbeslissing leiden.
2.3
Het ligt anders als sprake is van rechtsregels van openbare orde. Dergelijke rechtsregels moet de rechter steeds – voor de appelrechter: binnen de omvang van het hoger beroep [6] – ambtshalve toepassen, ook als dat betekent dat hij daarmee buiten de feitelijke grondslag van het verzoek of het verweer treedt. [7] Volgens Uw Raad is een bepaling van openbare orde als zij “strekt tot bescherming van algemene belangen van zo fundamentele aard dat zij (ongeacht het partijdebat of de bijzondere omstandigheden van het geval) altijd door de rechter moet worden toegepast”. [8]

3.Juridisch kader art. 31 en Pro 32 Rv

3.1
Het bepaalde in art. 31 heeft Pro, evenals het bepaalde in art. 32, de strekking op vrij eenvoudige wijze een kennelijke fout in het vonnis, arrest of de beschikking te herstellen.
3.2
Art. 31 lid 1 Rv Pro bepaalt dat de rechter te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis, arrest of beschikking een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout verbetert die zich voor eenvoudig herstel leent. De maatstaf voor de toepassing van art. 31 Rv Pro is of voor partijen en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is. [9] De fout moet, mede in het licht van de stellingen van partijen, niet voor redelijke twijfel vatbaar zijn en voor derden op het eerste gezicht duidelijk zijn. [10] De regeling is bedoeld voor gevallen waarin het evident is dat en welk ‘steekje’ de rechter heeft laten vallen. [11] Als het dictum niet aansluit op de overwegingen in de beschikking kan dat een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een kennelijke fout. [12] Als echter sprake is van een verschil in de motivering en het dictum van dien aard dat onduidelijk is of de vergissing in de motivering of in het dictum is begaan, leent de beschikking zich niet voor verbetering op de voet van art. 31 Rv Pro. [13] Er is geen sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent als partijen van mening verschillen over de verzochte verbetering. Als discussie bestaat over de verbetering kan de rechter slechts tot verbetering overgaan als redelijkerwijs uit de tekst van de beschikking, de motivering en het dictum, tegen de achtergrond van de stellingen van partijen, kan worden afgeleid dat sprake is van een kennelijke fout en hoe de uitspraak te dien aanzien moet worden verbeterd. [14]
3.3
Art. 32 Rv Pro ziet op het geval dat de rechter heeft verzuimd te beslissen op een onderdeel van het verzochte. Art. 23 Rv Pro bepaalt dat de rechter beslist over al hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht.” Art. 32 Rv Pro geeft aldus een praktische methode voor de wijze waarop een inbreuk op art. 23 Rv Pro kan worden hersteld. Wat materieel gevorderd of verzocht is, volgt in de regel uit de inleidende dagvaarding of het inleidende verzoek(schrift) (de procesinleiding) dan wel uit een van de andere wijzen waarop het materieel gevorderde of verzochte aan de rechter is voorgelegd of waarbij het gevorderde of verzochte is bepaald, zoals in reconventie of bij tegenverzoek, bij verandering of vermeerdering van eis of verzoek (art. 130 en Pro 283 Rv) en dergelijke. [15] Uw Raad besliste in de uitspraak van 10 mei 2019, NJ 2020/397 m.nt. Van Mierlo dat art. 32 Rv Pro uitsluitend ten dienste van de partij staat die de vordering heeft ingesteld of het verzoek heeft gedaan waarop de rechter deels niet heeft beslist. Het staat die partij immers vrij van die vordering of dat verzoek af te zien. Art. 32 lid 1 Rv Pro is niet geschreven voor de wederpartij, aldus Uw Raad. Van Mierlo heeft in de annotatie onder de beschikking bepleit dat Uw Raad terugkomt van deze beperkte uitleg van art. 32 Rv Pro en moet oordelen dat iedere partij een verzoek tot aanvulling kan indienen.
3.4
Aanvulling op de voet van art. 32 kan Pro ook plaatsvinden als het dictum weliswaar bepaalt dat “het meer of anders gevorderde/verzochte” wordt afgewezen, maar de rechter tot de conclusie komt dat hij hierbij een (deel van de) vordering of een (deel van het) verzoek over het hoofd heeft gezien en die afwijzing daarop dan ook geen betrekking heeft. [16]
3.5
Het verzoek tot aanvulling kan ook beslissingen betreffen die in het kader van de uitspraak als behorend bij het gevorderde of verzochte ambtshalve hadden moeten worden genomen maar die toch ontbreken. Een voorbeeld is de vaststelling van het salaris van de curator in geval van homologatie van een akkoord (art. 71 lid 2 Fw Pro) of een beslissing over de proceskosten in zaken waarin art. 237 Rv Pro van toepassing is. [17]
Stilzwijgende oordelen
3.6
Bij een stilzwijgend oordeel ontbreekt niet een beslissing op enig deel van het gevorderde of verzochte, maar is sprake van een niet expressis verbis gegeven definitieve beslissing waarin het desbetreffende onderdeel van het gevorderde of verzochte wordt afgedaan. Of een dergelijke beslissing in de uitspraak besloten ligt, hangt van de uitleg van de uitspraak af. [18] Te denken valt aan het geval dat de uitdrukkelijke toewijzing van slechts één van de twee ingestelde vorderingen de afwijzing van de andere impliceert.

4.Herstelbeschikking/arrest van een uitspraak van de Hoge Raad

4.1
De artt. 31 en 32 Rv zijn ook van toepassing op uitspraken van de Hoge Raad. Volgens De Groot en Van der Voort Maarschalk [19] kan Uw Raad als cassatierechter ruimer toepassing geven aan de bepalingen van art. 31 en Pro 32 Rv – ook als het criterium ‘kennelijke fout’ niet geheel dekkend is [20] - dan de feitenrechters.
4.2
In de herstelbeschikking van een uitspraak van 25 februari 2011 [21] , herstelde Uw Raad een kennelijke verschrijving en een fout in de beschikking. Uit de herstelbeschikking blijkt dat de verkeerde partij was opgenomen die op de conclusie van de A-G heeft gereageerd en dat in rov. 3.12 zelfs een volzin per ongeluk was gewist. Uit de bewoordingen, de slotoverweging en het dictum valt af te leiden dat Uw Raad de beschikking op grond van art. 31 Rv Pro heeft hersteld. De annotator stelt zich de vraag of— gelet op de ratio van art. 31 Rv Pro — sprake is van voor ieder kenbare, eenvoudig te herstellen fouten in de beschikking van 25 februari 2011. Naar het oordeel van de annotator is ten aanzien van de aanpassing van rov. 3.12 voor partijen (en derden) niet per definitie duidelijk dat er een volzin ontbrak.

5.Het verzoek

5.1
In de onderhavige zaak heeft de moeder verzocht om de beschikking van Uw Raad van 13 mei 2022 te verbeteren dan wel aan te vullen. Uw Raad heeft bij die beslissing de beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover daarin het gezag van de moeder over de dochter en de zoon voor de duur van een jaar is beëindigd. Zoals in het verzoek om herstel dan wel aanvulling van de beschikking wordt aangegeven, heeft de moeder geen verzoek tot vernietiging van de beslissing tot benoeming van de voogd gedaan. Ook in cassatie is dit niet verzocht, dan wel tegen gegriefd.
5.2
Indien Uw Raad tot herstel van de beslissing op grond van art. 31 Rv Pro over zou gaan, is de vraag of sprake is van een fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Zoals hiervoor opgemerkt, heeft Uw Raad in de herstelbeschikking van de beslissing van 25 februari 2011 weliswaar een ruime toepassing aan art. 31 Rv Pro gegeven, maar een herstel zoals hier wordt verzocht is m.i. niet te kwalificeren als herstel van een kennelijke fout. Het zou m.i. eerder in de rede liggen om het verzoek aan te merken als een verzoek tot aanvulling van de beslissing op de voet van art 32 Rv Pro. Daaraan zou in de weg kunnen staan dat de moeder zowel in hoger beroep als in cassatie niet heeft gevraagd om vernietiging van de benoeming van de voogd. Uw Raad heeft dan immers niet verzuimd om op een deel van het verzochte te beslissen.
5.3
De wet biedt geen grondslag voor het bestaan van (tijdelijke) voogdij tegelijkertijd met het bestaan van ouderlijk gezag. Art. 1:245 leden Pro 1 en 2 BW bepalen dat een minderjarige onder gezag staat, en dat onder gezag wordt verstaan ouderlijk gezag
dan welvoogdij. Voogdij wordt cf lid 3 uitgeoefend door een ander dan een ouder. Uit het systeem van de wet volgt ook dat voogdij en gezag niet naast elkaar kunnen bestaan. Als gezag ontstaat, eindigt de voogdij zie bv art. 1:281 lid 1 onder Pro b BW waarin is bepaald dat de voogdij eindigt op de dag waarop in kracht van gewijsde is gegaan de beschikking waarbij het gezag aan een ouder wordt opgedragen.
5.4
Bepalingen over het gezag en de voogdij zijn van openbare orde (zie hetgeen hiervoor is opgemerkt onder 2.3). Uw Raad had dus – ondanks dat dit niet is verzocht - ambtshalve de beslissing tot benoeming van de voogd kunnen vernietigen. Ook op grond van art 25 Rv Pro had Uw Raad deze beslissing kunnen nemen.
5.5
Anderzijds zou uit de beslissing van Uw Raad ook kunnen worden afgeleid dat met de vernietiging van de gezagsbeëindiging van de moeder de beslissing tot benoeming van de tijdelijke voogd vernietigd is. De beslissing tot vernietiging van de benoeming van de voogd ligt dan besloten in de beslissing ten aanzien van het gezag. Immers zoals hiervoor overwogen in rov. 5.3 bestaat er geen grondslag voor het bestaan van (tijdelijke) voogdij naast ouderlijk gezag. De voogdij eindigt op grond van art 1:281 BW Pro als de beschikking waarbij het gezag aan een ouder is opgedragen in kracht van gewijsde is gegaan. Naar analogie zou dus in casu niet expliciet hoeven te worden beslist over de beëindiging van de voogdij. Een aanvulling of herstel van de beslissing zou in dat geval niet nodig zijn.
5.6
Nu de rechtbank echter in haar beschikking in het dictum heeft bepaald dat er een tijdelijke voogd wordt benoemd, verdient het de voorkeur teneinde iedere onduidelijkheid dienaangaande weg te nemen, de beschikking aan te vullen zoals verzocht.

6.Conclusie

De conclusie strekt tot aanvulling van de beschikking van Uw Raad van 13 mei 2022 gewezen tussen partijen in die zin dat de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 6 december 2019 ook wordt vernietigd ten aanzien van de benoeming van de GI tot tijdelijke voogd.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie o.a. Van Mierlo & Bart (red.), Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 161 (MvT) en HR 22 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1105, NJ 1994/94, rov. 3.4.3.3.
2.Zie recent HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:20, NJ 2020/122 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, rov. 3.3.2, verwijzend naar HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1357, RvdW 2017/869 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:663, NJ 2016/222.
3.Vgl. A.I.M. Van Mierlo, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Rv Pro, aant. 3 onder c (online, bijgewerkt t/m 1 januari 2022).
4.Vgl. de conclusie van A-G De Bock voor HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:644, RvdW 2018/543, onder 2.4, met verwijzing naar de noot van F.J.P. Lock bij HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3195, JBPR 2016/7, onder 4.
5.A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke rechtsvordering, art. 24 Rv Pro, aant. 3 onder b (online, bijgewerkt t/m 1 januari 2022); T.F.E. Tjong Tjin Tai, in: GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 24 Rv Pro, aant. 4 (online, bijgewerkt t/m 1 maart 2022).
6.De omvang van het hoger beroep (de Hoge Raad spreekt hier van ‘de grenzen van de rechtsstrijd’ in hoger beroep) dient te worden gerespecteerd. Zie HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274 m.nt. H.B. Krans ([…]/[…]) en HR 26 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:340, NJ 2017/214 m.nt. H.B. Krans ([…]/Stichting Trudo) alsmede Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/122a; 171-176 en H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken 2017/56-56a.
7.Zie bijv. B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/126; H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2017/55; Snijders & Wendels, Civiel Appel 2009/248 alsmede de conclusie van A-G Wuisman voor HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7145, NJ 2010/369, onder 3.3.3 en de conclusie van A-G Keus voor HR 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG3582, NJ 2009/54, onder 2.3.
8.HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7122, NJ 2011/167 m.nt. P. van Schilfgaarde (Staalbankiers/Elco), rov. 3.8. In dezelfde zin: HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:818, RvdW 2018/690, rov. 3.6.
9.Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 62 (MvT). Zie ook A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv Pro, aant. 3a (online, bijgewerkt t/m 4 januari 2022).
10.Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 63 (MvT).
11.Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 33 (NnavV). Zie ook Ten Kate & Wesseling-Van Gent 2013, p. 166.
12.Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 62 (MvT). Zie ook Ten Kate & Wesseling-Van Gent 2013, p. 166 en A.I.M. van Mierlo, in: T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 31 Rv Pro, aant. 3a (online, bijgewerkt t/m 4 januari 2022).
13.Ten Kate & Wesseling-Van Gent 2013, p. 177.
14.Ten Kate & Wesseling-van Gent 2013, p. 168. Zie bijv. ook reeds A. Knigge, ‘Herstel van kennelijke fouten in vonnissen, arresten en beschikkingen’, Advocatenblad 2000, nr. 8, p. 296 (hierna: Knigge 2000): “Herstel is mijns inziens slechts mogelijk indien voor partijen en derden niet alleen op het eerste gezicht direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is, maar bovendien op grond van de inhoud van het vonnis buiten redelijke twijfel is hoe de beslissing had moeten luiden, zonder dat nader inhoudelijk debat hierover tussen partijen noodzakelijk is”. Evenzo, met verwijzingen naar rechtspraak, P.A. Fruytier & L.V. van Gardingen, ‘De aanvulling en verbetering van uitspraken — een onderzoek naar het toepassingsbereik van art. 31 en Pro 32 Rv’, TCR 2014, nr. 3, p. 78 (hierna: Fruytier & Van Gardingen 2014): “Zodra over de beslissing of de wijze waarop de verbetering vorm zou moeten krijgen enig debat mogelijk is, trekt de Hoge Raad — althans voor de lagere rechters — de grens.”
15.Zie ook Ten Kate & Wesseling-Van Gent 2013, p. 227-228.
16.HR 10 april 2009, NJ 2009/183 (Teeuwe/Trijber) en HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9435, NJ 2010/527.
17.Zie ook Ten Kate & Wesseling-Van Gent 2013, p. 231-232.
18.Ten Kate & Wesseling-Van Gent 2013, p. 239.
19.J.F. de Groot & A.E.H. van de Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red), Cassatie 2019/370.
20.HR 13 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4601, NJ 2004/459, m.nt. J.B.M. Vranken (ABN-AMRO & ING/Zanders q.q. & Berghs q.q.), r.o. 1 en 2.
21.HR 27-05-2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6220, NJ 2012/72, m.nt. Bastiaan F. Assink.