Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
18 juni 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd bij verstek veroordeeld door de politierechter op 26 januari 2017. De dagvaarding voor deze zitting was tijdig en persoonlijk aan de verdachte betekend op 19 januari 2017. De verdachte stelde het hoger beroep pas in op 9 maart 2017, na de wettelijke termijn.
De raadsvrouwe voerde aan dat de verdachte niet op de hoogte was van de zittingsdatum en dat zij bij het verhoor bij de rechter-commissaris had aangegeven verhinderd te zijn op de datum van de terechtzitting. Zij stelde dat dit een verschoonbare termijnoverschrijding opleverde en dat niet-ontvankelijkverklaring in strijd was met het EVRM.
Het hof oordeelde echter dat de dagvaarding niet was ingetrokken en dat er geen bijzondere, niet aan de verdachte toe te rekenen omstandigheden waren die de termijnoverschrijding rechtvaardigden. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af, waarbij wordt benadrukt dat de wettelijke termijnen van openbare orde zijn en slechts onder bijzondere omstandigheden kunnen worden overschreden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens overschrijding van de termijn voor hoger beroep; de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard.