ECLI:NL:HR:2020:1043

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2020
Publicatiedatum
11 juni 2020
Zaaknummer
19/02017
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling motiveringsklachten bestuurdersaansprakelijkheid in cassatie

In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat betrekking heeft op bestuurdersaansprakelijkheid. Het geding kent een lange voorgeschiedenis, waaronder eerdere vonnissen en arresten van lagere rechters en verstekverlening tegen de verweerder.

De Hoge Raad heeft de motiveringsklachten van eiser beoordeeld, maar geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het bestreden arrest. Daarbij is overwogen dat het niet noodzakelijk is om de motieven van het oordeel nader toe te lichten, omdat de klachten niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie, die aan de zijde van de verweerder nihil worden begroot. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een vierde raadsheer.

Deze uitspraak bevestigt de maatstaf voor beoordeling van motiveringsklachten in bestuurdersaansprakelijkheidszaken en benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het toetsen van motiveringsklachten die niet van belang zijn voor rechtsontwikkeling.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer19/02017
Datum12 juni 2020
ARREST
In de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser] ,
advocaat: K. Aantjes,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster] ,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 3396277 CV EXPL 14-5456 van de kantonrechter te Breda van 1 juli 2015;
b. het arrest in de zaak 200.182.062/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 22 januari 2019.
c. zijn uitspraak op verstekverlening in deze zaak, ECLI:NL:HR:2019:1283, van 19 juli 2019.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op
12 juni 2020.