Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
7 juli 2020.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 7 juli 2020 het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 december 2018 vernietigd en de zaak terugverwezen. Het hof had het vonnis van de politierechter bevestigd waarin de verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, waarvan één week voorwaardelijk, wegens mishandeling van een politieambtenaar.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging niet had gemotiveerd zoals vereist volgens artikel 14j lid 1 (oud) Sr, thans artikel 6:6:5 lid 1 jo Pro. 6:6:21 lid 1 Sv. De motivering ontbrak zowel in het arrest van het hof als in het vonnis van de politierechter, waardoor het cassatiemiddel gegrond was.
Daarnaast stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat het hof bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis had toegepast, hetgeen niet in overeenstemming was met de recente rechtspraak (ECLI:NL:HR:2020:914). De Hoge Raad bepaalde dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor zover het de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging en de toepassing van vervangende hechtenis betrof, wees de zaak terug voor hernieuwde beoordeling en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof wegens ontbrekende motivering bij vordering tot tenuitvoerlegging en past ambtshalve gijzeling toe in plaats van vervangende hechtenis; zaak terugverwezen voor nieuwe beoordeling.