Uitspraak
handelend voor zichzelf en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen,
handelend voor zichzelf en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen,
[betrokkene 10] , geboren op [geboortedatum] 2016 te Syrië,
handelend voor zichzelf en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen,
zetelende te Den Haag,
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
Inleiding
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
De tweede vraag is of de Staat onrechtmatig handelt tegenover de vrouwen en de kinderen door hen niet naar Nederland te halen en zich daartoe ook niet in te spannen. Op deze vraag gaat de Hoge Raad hierna in § 2 in.
effective controluitoefende en in gevallen waarin een staat door middel van zijn vertegenwoordigers in het buitenland gezag uitoefende over een persoon (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.13-4.14). Daarnaast is rechtsmacht van een staat buiten zijn eigen grondgebied aangenomen in gevallen waarin door die staat werd geprocedeerd over gebeurtenissen buiten het grondgebied van die staat en in gevallen waarin de staat strafrechtelijk onderzoek deed naar dergelijke gebeurtenissen. In deze gevallen is de rechtsmacht van de staat beperkt tot die procedure of dat onderzoek (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.10).
De vrouwen en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit of hebben om een andere reden een bijzondere band met Nederland, hun fundamentele mensenrechten zijn in het geding en zij bevinden zich op het grondgebied van een staat of partij die niet bij het EVRM, het IVBPR of het IVRK is aangesloten. Dit betekent dat hun mensenrechten niet op een andere wijze kunnen worden beschermd dan doordat wordt aangenomen dat zij onder de rechtsmacht van de Staat vallen, aldus de vrouwen en de kinderen.
De overige klachten over rechtsmacht van de Staat kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).
De voorzieningenrechter heeft – kort gezegd – geoordeeld dat de Staat zich moest inspannen om de kinderen naar Nederland te halen, maar dat de Staat zich alleen behoefde in te spannen om de vrouwen naar Nederland te halen als de kinderen niet zonder de vrouwen naar Nederland zouden kunnen worden gehaald (zie hiervoor in 2.4). In hoger beroep hebben de vrouwen betoogd dat de kinderen niet zonder hun moeders naar Nederland zouden moeten worden teruggehaald en dat dit bovendien praktisch niet mogelijk is.Het hof heeft de vordering van de vrouwen en de kinderen zo uitgelegd dat de inzet van deze procedure wat betreft de kinderen is het terughalen van hen met hun moeders en dat het terughalen van alleen (een aantal van) de kinderen niet aan de orde is (zie rov. 7.5). Dat oordeel is feitelijk en, in het licht van het door de vrouwen en de kinderen in hoger beroep ingenomen standpunt, niet onbegrijpelijk.
De Hoge Raad moet daarom ervan uitgaan dat het niet de inzet van deze procedure is om een of meer van de kinderen zonder hun moeders naar Nederland te halen.
4.4. Beslissing
26 juni 2020.