Conclusie
Eiseressen zelfmoet de Staat zich volgens de voorzieningenrechter (slechts) inspannen voor zover dit nodig is om de kinderen te kunnen repatriëren. Het gerechtshof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en alsnog alle vorderingen van Eiseressen afgewezen. Het gerechtshof heeft tot uitgangspunt genomen dat de rechter de handelwijze van de Staat terughoudend dient te toetsen in verband met de beleidsvrijheid van de Staat op het terrein van (nationale) veiligheid en buitenlands beleid. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat de Staat in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot zijn weigering om Eiseressen te repatriëren, hoe zwaarwegend de belangen van Eiseressen en hun kinderen ook zijn.
per gevalbehoort te worden beoordeeld. Vooral voor de repatriëring van de kinderen pleit veel. De foute keuzes van hun ouders kunnen aan deze kinderen niet worden tegengeworpen. Ook voor sommige van de moeders kan gelden dat hun weinig valt te verwijten, bijvoorbeeld omdat zij als jongvolwassenen niet werkelijk de keuze hadden om te weigeren hun man of partner op diens reis naar het kalifaat van IS te vergezellen. Eiseressen hebben er echter voor gekozen om in dit geding
nietde individuele gevallen van hen en hun kinderen centraal te stellen; in plaats daarvan hebben zij zich op het standpunt gesteld dat de Staat hen
als groepbehoort te repatriëren. Ook strekken hun vorderingen uitsluitend tot het repatriëren van de vrouwen en de kinderen tezamen, en uitdrukkelijk niet tot het repatriëren van de kinderen alleen. Daarmee staat in dit geding alleen de rechtmatigheid van het door de Staat gevoerde repatriëringsbeleid ter beoordeling, dus in algemene zin, los van de toepassing van dat beleid op individuele gevallen. Mede gelet op de beleids- en beoordelingsruimte die op het terrein van buitenlands beleid aan de overheid toekomt, kan niet worden gezegd dat het beleid van de Staat jegens Eiseressen onrechtmatig is. De vorderingen van Eiseressen zijn dus terecht door het gerechtshof afgewezen.
2.Feiten en procesverloop
kinderenverplicht, moet acht worden geslagen op de door Eiseressen ingeroepen kinderrechten uit het IVRK en (voor zover relevant) mensenrechten uit het EVRM. Daarbij is van belang dat de kinderen er niet zelf voor hebben gekozen naar Syrië te gaan. Gezien de ernstige en acute noodsituatie waarin de kinderen zich bevinden, is de Staat op grond van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm gehouden de redelijkerwijs mogelijke maatregelen te treffen om aan deze Nederlandse kinderen bescherming te bieden. Deze verplichting brengt mee dat de Staat zich tot het uiterste dient in te spannen om de kinderen te repatriëren. Zij strekt niet verder dan tot hetgeen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de Staat mag worden verwacht. (vonnis onder 4.7-4.11)
Eiseressen zelfgeldt dat zij geen zelfstandige aanspraak op repatriëring hebben. Dit kan anders komen te liggen wanneer komt vast te staan dat de autoriteiten die de leiding uitoefenen over de kampen, de kinderen enkel samen met hun moeders laten vertrekken. In die situatie brengt het belang van de kinderen bij repatriëring mee dat de Staat zich ook dient in te zetten voor repatriëring van de moeders, om zo te bewerkstelligen dat de kinderen naar Nederland kunnen reizen. Dit betekent dat de drie Eiseressen zonder kinderen geen aanspraak kunnen maken op repatriëring, tenzij de Syrisch-Koerdische autoriteiten, of anderen die aan repatriëring medewerking moeten verlenen, aan het vertrek van de kinderen de voorwaarde verbinden dat ook die Eiseressen naar Nederland reizen. (vonnis onder 4.16-4.22)
effective controlheeft. De Staat zou weliswaar indirect een zekere feitelijke invloed kunnen uitoefenen op de positie van Eiseressen, door gebruik te maken van het aanbod van de Koerden en de VS om hulp te bieden bij het terughalen van Eiseressen en het aanbod van het Rode Kruis om daarbij een faciliterende rol te spelen, maar daarmee oefent de Staat nog geen rechtsmacht uit over Eiseressen, in de zin van de mensenrechtenverdragen. Grondslag (A) kan Eiseressen niet baten. (arrest onder 6.3)
3.Inleidende beschouwingen
Aanpak in deze conclusie
statische uitlegvan de mensenrechtenverdragen trekt de nationale rechter de grenzen volgens wat in verband met de rechtspraak van het EHRM onmiskenbaar is. In een dynamische uitleg trekt de nationale rechter reeds bestaande lijnen in de rechtspraak van het EHRM eventueel ook door en houdt hij rekening met een ontwikkeling van het recht die in de bestaande rechtspraak van dat Hof naar zijn overtuiging reeds besloten ligt.
in optima forma.Zó, als zwaarwegend belang, kan met dat recht wel degelijk rekening worden gehouden en mijns inziens moet dat ook (zie hierna onder 6.1 e.v.).
trias politica.In de eerste plaats bestaat er geen strikte scheiding tussen de staatsmachten, maar veeleer een evenwicht tussen die machten. En in de tweede plaats, het betreft hier niet de verhouding tussen wetgever en rechter, maar tussen
uitvoerende machten rechter. Die uitvoerende macht staat ten volle ónder het recht, zoals in wetgeving en verdragen neergelegd, en het is het goed recht van burgers om aan de rechter de vraag voor te leggen of de uitvoerende macht rechtmatig handelt. Intussen maakt het uiteraard wel uit hoeveel afstand de rechter ten opzichte van de bestuurlijke afweging houdt. Met dit laatste zeg ik niet dat de wetgevende macht wél boven het recht staat (dat is niet het geval, zeker niet wat betreft mensenrechten), maar omdat de wetgevende macht het recht ook zelf vormgeeft, is de rolverdeling tussen rechter en wetgever wel wezenlijk anders [27] dan tussen rechter en uitvoerende macht.
groep, [29] tezamen met hun minderjarige kinderen – terug te geleiden naar Nederland, althans om met het oog daarop de nodige inspanningen te verrichten en voorbereidingen te treffen. [30] Bij de onderbouwing van hun vorderingen zijn Eiseressen gezamenlijk opgetrokken (hoewel zij in de feitelijke instanties door verschillende advocaten werden bijgestaan [31] ). Zij hebben in algemene zin geschetst in welke situatie zij zich bevinden en welke argumenten pleiten voor hun terugkeer (als groep). In reactie op het door de Staat gedane beroep op zijn beleid met betrekking tot de repatriëring van IS-uitreizigers en/of hun kinderen hebben Eiseressen niet ieder voor zich aangevoerd dat en waarom dit beleid in hun persoonlijke situaties geen toepassing mag vinden. Het procesdossier bevat – afgezien van enkele medische [32] en strafrechtelijke [33] details die in cassatie geen rol meer spelen – geen informatie over de persoonlijke situaties van Eiseressen en hun kinderen. [34] De vorderingen hebben uitsluitend de brede strekking dat Eiseressen zich verzetten tegen de toepassing van het repatriëringsbeleid op hen als groep. Duidelijkheidshalve: het gaat er Eiseressen niet om dat zij als groep tegelijk worden gerepatrieerd (bij wijze van spreken: met één transport), maar wel om een categorale benadering, in de zin dat de Staat verplicht is zich voor repatriëring in te zetten, ongeacht variaties in individuele gevallen.
gezamenlijketerugkeer, mét hun kinderen. Terugkeer van alleen de kinderen (of sommigen van hen) is in dit geding dus niet aan de orde, [35] net zomin als terugkeer van bepaalde Eiseressen in het bijzonder.
in algemene zin, in plaats van op ieder van Eiseressen en hun minderjarige kinderen in het bijzonder. [36] In navolging van de procespartijen hebben ook de voorzieningenrechter van de rechtbank en het gerechtshof de vorderingen in algemene zin opgevat en beoordeeld, zonder daarbij onderscheid te maken tussen de afzonderlijke Eiseressen (respectievelijk hun kinderen) onderling. Het was niet onmogelijk geweest dat de voorzieningenrechter van de rechtbank of het gerechtshof de keuze had gemaakt om aan de individuele omstandigheden van ieder van Eiseressen en hun respectieve kinderen wél aandacht te besteden, door bij Eiseressen om nadere inlichtingen te vragen en naar aanleiding daarvan de Staat nader te horen. Gelet op de insteek die Eiseressen hebben gekozen, is mijns inziens niet onbegrijpelijk dat de voorzieningenrechter van de rechtbank en het gerechtshof dat niet hebben gedaan. Maar hoe dan ook: omdat in cassatie door Eiseressen niet wordt geklaagd dat het oordeel van het gerechtshof, in het licht van de individuele omstandigheden van een van of meer van hen onjuist of onbegrijpelijk is (afgezien van wat voor hen als groep geldt), is in ieder geval in cassatie alleen de beoordeling op groepsniveau aan de orde, overeenkomstig de door Eiseressen en hun advocaten in dit geding gemaakte keuzes. Materieel bezien heeft het geding, niettegenstaande de theoretische pluraliteit van vorderingen (hiervoor 3.14), aldus veel trekken van een collectieve actie in de zin van art. 3:305a BW: een mengvorm van een ‘groepsactie’ en een ‘algemeen belangactie’. [37]
last but not least:voor de kinderen van de IS-uitreizigers geldt in ieder geval
nietdat de erbarmelijke omstandigheden waaronder zij leven en de gevaren waaraan zij blootstaan, mede op hun eigen conto mogen worden geschreven. In ieder geval het belang van deze kinderen behoort dus zwaar te wegen. Ook de voorzieningenrechter en het hof zijn hiervan uitgegaan. [43]
als groep. Daarmee is dat beleid de kern van het geschil in dit geding.
nationale veiligheidop. Het kabinet baseert deze aanname op veiligheidsanalyses van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). [46] Het kabinet maakt in dit verband geen onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke uitreizigers. Wel onderkent het kabinet dat het een heterogene groep betreft en dat de inschatting van de veiligheidsrisico’s per individu moet worden gemaakt. [47] De kinderen van uitreizigers beschouwt het kabinet in de eerste plaats als slachtoffers van de door hun ouders gemaakte keuzes, al wordt bij kinderen vanaf 9 jaar ook rekening gehouden met een eventuele dreiging die van hen kan uitgaan. [48] Bij de beoordeling van de veiligheidsrisico’s die uitgaan van een terugkeer van de kinderen neemt het kabinet in aanmerking dat het scheiden van de kinderen en hun ouders in beginsel onwenselijk en juridisch complex is. Het terughalen van de kinderen kan daarom volgens het kabinet niet los worden gezien van het terughalen van hun ouders, en de daarmee gepaard gaande veiligheidsrisico’s. [49]
lokale veiligheidsrisico’sdie Nederlandse ambtenaren en andere partijen (waaronder de uitreizigers en hun kinderen zelf) lopen door een eventuele repatriëring. De uitreizigers hebben zich uit eigen beweging begeven naar een onveilig gebied, ondanks pogingen van de Staat om dit te verhinderen. Het kabinet stuurt in beginsel geen mensen naar onveilige gebieden en wil ook geen verantwoordelijkheid aanvaarden voor de risico’s tegenover andere partijen. [52]
diplomatieke verhoudingenen
internationale betrekkingen. Nederland onderhoudt geen diplomatieke betrekkingen met Syrië. Om de terugkeer van uitreizigers mogelijk te maken, moeten formele relaties worden aangegaan met niet-erkende, separatistische groeperingen en/of entiteiten (al dan niet door tussenkomst van derden). Dit brengt volgens het kabinet risico’s met zich mee in de relaties met landen in de regio. [53]
individueleuitreizigers en/of hun kinderen, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van ieder geval, maar wel tegen een repatriëring van Eiseressen en hun kinderen als groep (zoals in dit geding door Eiseressen gevorderd). [59]
4.Rechtsmacht in de zin van de mensenrechtenverdragen
Rechtsmacht als voorwaarde voor mensenrechtenbescherming
allendie zich binnen die rechtssfeer bevinden, in het algemeen ongeacht nationaliteit en verblijfsstatus. Anders gezegd, mensenrechtenverdragen roepen voor een daarbij aangesloten staat verplichtingen in het leven ten opzichte van alle personen die zich binnen zijn ‘rechtsmacht’ (
jurisdiction) bevinden.
van staten onderlingcentraal staat – is nu niet aan de orde. [63] Het gaat bij de mensenrechtenverdragen in plaats daarvan om de aanwezigheid van een bepaalde relatie
tussen de verdragsstaat en het individuwiens mensenrechten in het geding zijn, en die met zich brengt dat die staat de naleving van die rechten met betrekking tot dat individu behoort te waarborgen. [64]
threshold criterion. [65]
grondgebiedbevindt, is inmiddels duidelijk dat ook dit niet werkelijk verschil maakt. Ook de werking van het IVBPR wordt namelijk niet zuiver territoriaal opgevat, [70] geheel in overeenstemming met de hierna te bespreken rechtspraak van het EHRM met betrekking tot art. 1 EVRM Pro.
primarily territorialworden opgevat. [75] In beginsel is beslissend waar het slachtoffer van de beweerde mensenrechtenschending zich bevindt. De verplichting van de staat tot het waarborgen van de in het verdrag verankerde rechten strekt zich dus – evenzeer
in beginsel– slechts uit tot personen die zich op het grondgebied van de verdragsstaat bevinden. [76] Het EHRM baseert dit
territorial principle(territorialiteitsbeginsel) op het volkenrecht, dat eveneens uitgaat van een primair territoriale notie van het begrip rechtsmacht. [77] Het onder 4.2 bedoelde betekenisverschil tussen het volkenrechtelijke en het mensenrechtelijke rechtsmachtbegrip staat hieraan niet in de weg. Er bestaat namelijk behalve verschil ook samenhang. Voor zover een staat niet beschikt over handhavende rechtsmacht in volkenrechtelijke zin (in zijn verhouding tot andere staten), is hij uit de aard der zaak in het algemeen ook niet bij machte om de naleving van mensenrechten te verzekeren. [78]
feitelijkemacht binnen het eigen grondgebied, bijvoorbeeld omdat een separatistische beweging gezag uitoefent over een deel van dat grondgebied (zonder als staat te worden erkend), neemt de rechtsmacht van een staat niet weg. Een passieve houding van een verdragsstaat ten opzichte van mensenrechtenschendingen jegens individuen binnen zijn rechtsmacht, kan tot aansprakelijkheid onder het verdrag leiden. [79] Illustratief is de uitspraak van het EHRM in de zaak
Ilaşcu e.a./Moldavië en Rusland, [80] waarin het ging om klagers die waren gedetineerd door de ‘MRT’, een separatistische beweging die met steun van Rusland feitelijk het gezag uitoefent over Transnistrië, een deel van het grondgebied van Moldavië. Het EHRM achtte zowel Rusland als Moldavië voor mensenrechtenschendingen aansprakelijk, zij het in verschillende mate. Met betrekking tot de rechtsmacht van Moldavië (binnen het eigen grondgebied) oordeelde het Hof dat er, ook bij gebrek aan
effective control, op Moldavië de positieve verplichting rustte
effective controlover een deel van het eigen grondgebied leidt volgens het Hof niet tot het ontbreken van rechtsmacht, maar slechts tot een beperking van de reikwijdte ervan: de rechtsmacht moet in die context worden beoordeeld in het licht van de positieve verplichtingen die een verdragsstaat ten opzichte van personen binnen zijn grondgebied heeft. Deze positieve verplichtingen behelzen, bij gebreke van effectieve controle, een inspanningsverplichting voor de verdragsstaat:
Soering-rechtspraak van het EHRM in dat een verdragsstaat niet tot uitzetting of uitlevering van onderdanen of vreemdelingen mag overgaan, indien hij serieuze gronden heeft om aan te nemen dat de betrokkene in het land van bestemming een reëel risico loopt om te worden blootgesteld aan een behandeling die in strijd is met art. 2 en Pro/of 3 EVRM (het recht op leven en het verbod van marteling). [85] Dit is geen uitzondering op het territorialiteitsbeginsel, want het betreft positieve verplichtingen van een verdragsstaat binnen het eigen grondgebied (namelijk bij gelegenheid van de beslissing omtrent uitzetting of uitlevering). [86] De enige bijzonderheid is dat bij de uitoefening van die verplichtingen binnen het eigen territoir ook moet worden gelet op wat als consequentie van uitzetting of uitlevering buiten dat territoir naar verwachting zal gebeuren.
jurisdictional linkdoet ontstaan. [88] Ook een strafprocedure tegen een verdachte die zich in het buitenland bevindt, doet ongetwijfeld een dergelijke
linkontstaan. [89] De gevolgen van het bestaan van rechtsmacht voor de verdragsstaat beperken zich echter tot hetgeen waartoe de verdragsstaat in het kader van die procedure gehouden is. Die procedure vindt plaats binnen het eigen territoir. Een (echte) uitzondering op het territorialiteitsbeginsel betreft het dus niet.
Al-Skeini e.a./Verenigd Koninkrijk, hebben met elkaar gemeen dat zij betreffen ‘acts of the Contracting States performed, or producing effects, outside their territories’. [91] Het EHRM spreekt in dit verband van
extra-territorial actsdie leiden tot
an exercise of jurisdiction. [92] Steeds zijn echter de bijzondere omstandigheden van het geval bepalend. [93] Niet alle acties die plaatsvinden of effect sorteren buiten het eigen grondgebied leiden dus tot rechtsmacht; het uitgangspunt is integendeel dat ze dat niet doen en dat het ontstaan van extraterritoriale rechtsmacht uitzonderlijk is. De achtergrond van deze rechtspraak heeft het Hof als volgt omschreven: [94]
effective controluitoefent over een gebied buiten zijn eigen grondgebied. Het EHRM spreekt in dit verband over rechtsmacht
ratione loci(vanwege de locatie). [95] Het gaat hier met name om gevallen van
military occupationdan wel
creation of a separatist entity. Die gevallen liggen welbeschouwd in het verlengde van territoriale rechtsmacht. Indien een staat, al dan niet rechtmatig, over een bepaald gebied effectief controle uitoefent, is hij gehouden om daar de naleving van mensenrechten te waarborgen, en wel, in de woorden van het Hof, van ‘the entire range of substantive rights set out in the Convention and those additional Protocols which it has ratified’. [96] In de zaak
Jaloud/Nederlandheeft het EHRM een dergelijke op
effective controlin een gebied gebaseerde jurisdictie ook aanwezig geacht in een bepaalde context, zoals tijdens een SFIR-missie in Irak op basis van de VN-resolutie 1483 in
occupied territory, maar zonder dat er sprake is van een bezetting door de handelende staat zelf, namelijk in het geval die staat door optreden van hun militairen ter handhaving van gezag in het kader van deze missie macht uitoefenen over personen. [97] Deze uitbreiding van de leer van
effective controlligt dicht bij de tweede gevalscategorie, waaraan ik nu toekom.
agents), controle en gezag, en daarmee rechtsmacht, uitoefent over een individu. Het EHRM spreekt in dit verband over rechtsmacht
ratione personae(vanwege de persoon). [98] De belangrijkste voorbeelden betreffen handelingen van diplomatieke en consulaire ambtenaren en geweldsgebruik door militairen buiten het kader van een bezetting. Een belangrijk verschil met de eerste gevalscategorie is dat eventuele rechtsmacht
ratione personaeniet een kwestie is van alles-of-niets, maar afhankelijk is van de máte van controle en gezag die door de verdragsstaat over het individu worden uitgeoefend. De verdragsrechten worden in dit type gevallen dus op maat gesneden, in de woorden van het Hof
divided and tailored, en de verdragsstaat die rechtsmacht
ratione personaeuitoefent over een individu, behoeft slechts de rechten te waarborgen ‘relevant to the situation of that individual’. [99] In de vakliteratuur spreekt men wel van een ‘proportionele toepassing’ van het verdrag. [100]
ratione locien rechtsmacht
ratione personaeer zonder meer ook toe kunnen leiden dat de in het verdrag erkende mensenrechten gelding krijgen buiten de zogenaamde
legal spacevan het verdrag, dat wil zeggen buiten het geografische toepassingsgebied van het verdrag in de zin van de optelsom van het grondgebied van alle verdragsstaten, zoals bij deelname door een verdragsstaat aan een militaire operatie in een land dat niet bij het EVRM is aangesloten. Aanvankelijk bestond hierover twijfel naar aanleiding van het arrest
Banković e.a./België e.a.Het EHRM nam geen rechtsmacht aan wat betreft door de NAVO geregisseerde bombardementen in voormalig Joegoslavië, waarbij het Hof sprak over de ‘essentially regional vocation of the Convention system’. [101] De beslissing van het Hof is in de vakliteratuur hevig bekritiseerd. [102] In latere rechtspraak heeft het Hof verduidelijkt dat het EVRM wel degelijk van toepassing kan zijn op extraterritoriale gedragingen van verdragsstaten buiten de
legal spacevan het verdrag. [103] Thans neemt men aan dat de bedoelde overweging in
Banković e.a./België e.a.moet worden begrepen als een reactie op het argument van de klagers in die zaak, als zou zonder extraterritoriale werking een vacuüm ontstaan in het stelsel van mensenrechtenbescherming onder het verdrag. [104] Dát argument – dat ook door Eiseressen in deze zaak wordt gebruikt [105] – gaat volgens deze lezing van
Banković e.a./België e.a.niet op in gevallen die buiten de
legal spacevan het verdrag vallen. Kortom, extraterritoriale rechtsmacht is ook buiten de
legal spacevan het verdrag mogelijk mits aan de voorwaarden voor rechtsmacht
ratione locidan wel
ratione personaeis voldaan. Leiden die voorwaarden ertoe dat het verdrag buiten de
legal spacevan het verdrag niet van toepassing is, dan is dat geen argument om op die voorwaarden af te dingen. Dat in zo’n geval het verdrag niet van toepassing is, is eenvoudig de consequentie van de omstandigheid dat het geografische toepassingsgebied van het verdrag beperkt is. In latere rechtspraak heeft het EHRM bevestigd dat het verdrag een regionaal toepassingsbereik heeft, in die zin dat het niet van toepassing is op gedragingen van staten die daarbij geen partij zijn; ook eist het verdrag van de verdragsstaten niet dat zij de regels uit het verdrag aan andere staten opleggen. [106]
de feitelijke mogelijkheid tot beïnvloedingdoor een verdragsstaat van de situatie in een bepaald gebied of met betrekking tot een bepaald persoon vanuit mensenrechtelijk perspectief. Dit nieuwe (veronderstelde) beginsel berust op het uitgangspunt dat verdragsstaten in al hun doen en laten, waar en in welke situatie dan ook, de in het verdrag erkende mensenrechten – althans de meest fundamentele van die verdragsrechten (zoals art. 2 en Pro 3 EVRM) – dienen te respecteren, indien en voor zover dat in hun vermogen ligt. [107] Behalve op de huidige uitzonderingen op het territorialiteitsbeginsel (de twee gevalstypen zoals onder 4.12 e.v. omschreven) beroepen deze auteurs zich ook op het arrest
Ilaşcu e.a./Moldavië en Rusland(hiervoor 4.8), over positieve verplichtingen jegens personen die zich bevinden op een deel van het grondgebied waarover de verdragsstaat geen feitelijk gezag uitoefent, en op de
Soering-rechtspraak (hiervoor 4.9) met betrekking tot gevallen van uitzetting of uitlevering. Al deze lijnen in de rechtspraak van het EHRM worden geëxtrapoleerd tot een nieuw beginsel op grond waarvan de feitelijke mogelijkheid voor een verdragsstaat tot beïnvloeding bepalend is voor het al dan niet bestaan van rechtsmacht.
Ilaşcu and Others v. Moldova and Russia[GC], no. 48787/99, § 331, ECHR 2004-VII).’
Ilaşcu e.a./Moldavië en Rusland(hiervoor 4.8), waarnaar zij verwijst. In dat arrest ging het immers over territoriale rechtsmacht in de context van separatistische activiteiten op het
eigen grondgebiedvan de verdragsstaat. Ook is in de zaken uit 2005 en 2006 juist géén extraterritoriale rechtsmacht aangenomen, zodat ook daarom niet voor de hand ligt dat het Hof heeft bedoeld de gevallen waarin rechtsmacht wordt aangenomen, uit te breiden. In latere rechtspraak van het EHRM (al dan niet van de Grote Kamer) komt de bedoelde formulering niet meer voor. Zij wordt ook niet vermeld in de gezaghebbende
Guide on Article 1 of the European Convention on Human Rights, opgesteld door het directoraat Jurisconsult van het EHRM. Veel wijst er daarom op dat de overweging uit de beide beslissingen in 2005 en 2006 een
slip of the tongueis geweest. [109] Ook los daarvan ligt het minder voor de hand dat een zo ingrijpende koerswijziging als in de literatuur verondersteld (verruiling van het territorialiteitsbeginsel voor een nieuw, op feitelijke invloed gestoeld beginsel) haar beslag zou krijgen in (slechts) twee ‘chamber judgments’, in plaats van in een overzichtsarrest van de Grote Kamer van het EHRM. Latere rechtspraak van de Grote Kamer volgt ook nog steeds de oorspronkelijke lijn van het Hof, zoals hiervoor 4.11 e.v. weergegeven. [110]
Guidewordt wel verwezen naar een beslissing van de toenmalige Commissie voor de Rechten van de Mens uit 1983. De broer van klaagster (een Britse onderdaan) was in Ierland het slachtoffer geworden van een terroristische aanslag door de onafhankelijkheidsbeweging IRA. Klaagster klaagde over schending van art. 2 EVRM Pro en voerde aan dat de Britse autoriteiten onvoldoende maatregelen hadden getroffen ter bestrijding van het internationale terrorisme in het grensgebied tussen Ierland en Noord-Ierland als onderdeel van het Verenigd Koninkrijk. De commissie verwierp deze klacht als ‘
ratione lociincompatible with the Convention’. [111] Volgens de
Guidebevestigt deze beslissing het territorialiteitsbeginsel en werd aldus verworpen de stelling dat de Britse autoriteiten tekortgeschoten waren omdat zij ‘had not done all in their power to combat the overall phenomenon of IRA terrorism’. [112] Het is duidelijk dat als deze beslissing uit 1983 nog steeds het geldende recht weergeeft, zoals de
Guidesuggereert, ook dit niet past bij de gelding van een beginsel als hiervoor bedoeld.
nalatenom bestaande feitelijke mogelijkheden van beïnvloeding te benutten. Dat lijkt me een te grote stap ten opzichte van de huidige lijn van het Hof volgens welke de uitzonderingen op het territorialiteitsbeginsel berusten op
extra-territorial actsdie leiden tot
an exercise of jurisdiction, en met de aan die uitzonderingen ten grondslag liggende overweging dat wat een verdragsstaat op het eigen grondgebied niet mag
doen, door die staat ook niet mag worden
gedaanop het grondgebied van een andere staat (zie hiervoor 4.12). [114]
feitelijkemogelijkheden tot beïnvloeding. Dat past niet goed bij het
normatieveconcept dat rechtsmacht noodzakelijk is, in de zin van een verantwoordelijkheid van de verdragsstaat voor de handhaving van mensenrechten van individuen binnen de eigen rechtssfeer (hiervoor 4.1 en 4.2).
effective controluitoefent. Het gerechtshof Den Haag heeft dit namelijk in zijn arrest onder 6.3 overwogen en daartegen richt zich geen cassatieklacht. De uitzondering van extraterritoriale rechtsmacht
ratione loci(hiervoor 4.13) is in deze zaak dus in ieder geval niet van toepassing. Door Eiseressen wordt ook niet aangevoerd dat de Staat door middel van vertegenwoordigers ter plaatse ‘controle en gezag’ over Eiseressen zou uitoefenen. Ook de uitzondering voor extraterritoriale rechtsmacht
ratione personaeis dus niet aan de orde, in ieder geval niet in een vorm zoals tot nu toe in de rechtspraak van het EHRM erkend (hiervoor 4.14). De onderhavige procedure levert een
jurisdictional linkop, maar het effect daarvan beperkt zich tot die procedure (hiervoor 4.10).
bijzondere rechtvaardiging behoeft in de individuele omstandigheden van het gevalen aan
uitzonderlijke gevallenvoorbehouden zal blijven (hiervoor 4.11). Eiseressen hebben in dit geding hun individuele omstandigheden echter juist grotendeels níét uiteengezet (hiervoor 3.15 e.v.); ook hebben zij in cassatie geen klacht opgeworpen die naar de individuele omstandigheden van sommige van Eiseressen en hun kinderen verwijst (hiervoor 3.18). Kortom, mijns inziens kan in dit geding ook de meest ruimhartige uitleg van het vereiste van rechtsmacht Eiseressen niet baten.
Questions aux partiesbekend, dat wil zeggen de vragen die het EHRM aan partijen heeft voorgelegd, met de uitnodiging om daarop te reageren. Met betrekking tot de rechtsmacht van Frankrijk zien de vragen van het Hof op: (i) het criterium van effectieve controle over een grondgebied en over personen, als bedoeld in het arrest
Al-Skeini e.a./Verenigd Koninkrijk(vergelijk hiervoor 4.13); (ii) een door de klagers in Frankrijk gevoerde procedure en eventueel daaruit voortvloeiende
jurisdictional link(vergelijk hiervoor 4.10), (iii) de strafvervolging tegen de Franse vrouw; (iv) de positieve verplichting tot voorkoming van marteling, als bedoeld in het
Soering-arrest (vergelijk hiervoor 4.9), (v) het recht van terugkeer, als verankerd in art. 3 lid 2 van Pro het Vierde Protocol bij het EVRM (zie hierna 6.32) en (vi) de repatriëring van andere minderjarige kinderen van Franse uitreizigers en de betrokkenheid van vertegenwoordigers van de Franse staat daarbij. [118]
Soering-rechtspraak. Die rechtspraak (hiervoor 4.9) houdt in dat uitlevering of uitzetting niet is toegestaan als zij gepaard gaat met een reëel risico op (bijvoorbeeld) foltering. In een dergelijk geval heeft de verdragsstaat weliswaar geen rechtsmacht in het buitenland waar de mensenrechtenschending dreigt, maar wel met betrekking tot de beslissing tot uitlevering of uitzetting die die schending mogelijk maakt. Uit de vraagstelling in de Franse zaak valt mogelijk af te leiden dat het Hof een parallel ziet met het geval dat een verdragsstaat concreet bestaande mogelijkheden tot repatriëring van een persoon niet benut, wat het voortduren van de schending van mensenrechten mogelijk maakt. Het is in dit verband mogelijk veelbetekenend dat het Hof spreekt van ‘la responsabilité de l’État au regard des conséquences extraterritoriales de ses décisions ou omissions’ (‘de verantwoordelijkheid van de staat in verband met de extraterritoriale gevolgen van zijn beslissingen of nalatigheden’), waarbij in het bijzonder de toevoeging
ou omissionsopvalt.
advisory opinionvan het EHRM te vragen
. [121] Verder blijf ik bij wat ik hiervoor (onder 4.25) heb gezegd: als al een relevante ontwikkeling in de rechtspraak van het EHRM valt te verwachten, zal die toegespitst zijn op de individuele omstandigheden van de personen die door de Staat niet uit de opvangkampen worden gerepatrieerd, terwijl zulke individuele omstandigheden in dit geding juist grotendeels buiten beeld zijn.
5.Rechterlijke terughoudendheid bij de toetsing van buitenlands beleid
De overheid als behartiger van het algemeen belang; beleids- en beoordelingsruimte
Lindenbaum/Cohen(1919) [122] is door de Hoge Raad in het (iets minder bekende) arrest
Noordwijkerhout/Guldemond(1915) [123] aangenomen dat de burgerlijke rechter bevoegd is om te oordelen over vorderingen uit hoofde van onrechtmatige overheidsdaad. Een dergelijke vordering kan onder meer de vorm hebben dat de rechter wordt gevraagd onrechtmatig handelen of nalaten van de overheid te verbieden en/of de overheid te gebieden te doen wat zij volgens het recht verplicht is te doen (art. 3:296 BW Pro). Dat de rechtmatigheid van overheidshandelen inderdaad bij een onafhankelijke rechter ter discussie kan worden gesteld en dat ook aan de overheid door de rechter een gebod of bevel kan worden opgelegd, zijn wezenlijke elementen van onze staatsinrichting, die direct verband houden met het concept van de rechtsstaat. In de rechtsstaat is eenieder aan het recht onderworpen, ook de overheid. Bij de beoordeling van het overheidshandelen houdt de rechter intussen rekening met de bijzondere positie van de overheid als behartiger van het algemeen belang. De beoordeling van wat de overheid volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (in de zin van art. 6:162 lid 2 BW Pro), geschiedt dus ten dele aan de hand van bijzondere maatstaven. [124]
beleids- en beoordelingsruimtete worden gegund. [125] In dit verband wordt met ‘beleidsruimte’ gedoeld op de ruimte die de overheid veelal heeft bij de beslissing om al dan niet van een bepaalde bevoegdheid gebruik te maken. Met ‘beoordelingsruimte’ wordt gedoeld op de ruimte die de overheid toekomt om te beoordelen of een bepaalde aan haar toegekende bevoegdheid, in een bepaald geval al dan niet van toepassing is (wat dus ruimte voor de overheid impliceert bij de kwalificatie van de feitelijke omstandigheden van het geval). [126]
mate waarinaan de overheid beleids- en/of beoordelingsruimte toekomt, niet op alle terreinen van overheidshandelen even groot is. Die mate van ruimte wordt door het recht bepaald. Het recht bepaalt de
grenzen waarbinnenvoor de overheid beleids- en beoordelingsruimte bestaat. [128] Omdat de rechter bij zijn toetsing van het overheidshandelen die grenzen dient te bewaken, creëert beleids- en/of beoordelingsruimte dus niet voor de overheid een domein van handelen waarin de rechter in het geheel niet zou mogen treden (nog afgezien van de werking van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, hierna 5.12). Deze constatering sluit aan bij het thans min of meer algemene gevoelen onder de beoefenaren van het staatsrecht dat de zogenaamde
Trias politicaniet kan worden opgevat als een (volledige) scheiding van de machten, maar (in ieder geval gedeeltelijk) veeleer als een evenwicht tussen de machten behoort te worden verstaan. [129]
vice versa. [131] In de context van gevallen van onrechtmatige overheidsdaad, [132] volstaat het om drie gradaties van beleids- en beoordelingsruimte te onderscheiden, die corresponderen met drie gradaties in de intensiteit van rechterlijke toetsing.
enkeleomstandigheid dat een geschil een kwestie betreft die tot politieke beroering leidt en politiek omstreden is, nog niet meebrengt dat de rechter bijzonder terughoudend behoort te zijn. [148] Ook de omstandigheid dat een meerderheidsopvatting binnen politieke organen pleit voor een bepaalde beslissing, leidt daartoe niet. Tot de essentie van de rechtsstaat behoort ook dat een rechter een uitspraak mag doen die aan een op dat moment bestaande politieke meerderheid onwelgevallig is – nee, zo vaak het recht dat meebrengt,
moetde rechter die uitspraak doen. Dat is een taak die hem door de wetgever en dus door dezelfde politiek is opgedragen en tot onze nationale (art. 112 Grondwet Pro) en internationale constitutie (art. 14 IVBPR Pro, art. 6 EVRM Pro en art. 2 VEU Pro) behoort.
in redelijkheidtot haar handelwijze heeft kunnen komen. Dit nu wordt (of werd, zie hierna) veelal aangeduid als ‘marginale toetsing’. [149] Men kan eventueel een parallel zien met de maatstaf voor misbruik van bevoegdheid van art. 3:13 lid 2 BW Pro, [150] al dient men daarbij te bedenken dat de afstandelijke toets van de uitoefening van bijvoorbeeld het eigendomsrecht, een wezenlijk andere achtergrond heeft: de zogenaamde marginale toetsing van overheidshandelen is dienstbaar aan de publieke functie van de overheid als dienaar van het algemeen belang, wat de toelaatbaarheid van een overheidshandelen
naar willekeuruitsluit, terwijl de toetsing met terughoudendheid van het handelen van een privaat gerechtigde nu juist diens vrijheid veronderstelt om naar eigen voorkeur te handelen, zij het dat die vrijheid haar begrenzing vindt in een al te grote aantasting van de rechtmatige belangen van anderen. [151] Ook kan een vergelijking worden gemaakt met de
margin of appreciationdie het EHRM aan verdragsstaten gunt bij de toepassing van de beperkingsclausules uit het verdrag (zoals die van art. 8 lid 2 EVRM Pro). [152] Ook die vergelijking is echter onvolkomen, omdat de
margin of appreciationziet op de verhouding tussen het EHRM en alle organen van een verdragsstaat, onder welke ook de nationale rechterlijke macht, terwijl de zogenaamde marginale toetsing ziet op de verhouding tussen de (Nederlandse) rechter en de uitvoerende macht. [153]
political question,de Britse leer van de
crown acts of stateen de Franse leer van de
actes de gouvernementde rechter zich in kwesties van buitenlands beleid en defensie onbevoegd dient te verklaren. [169] Ten minste dezelfde terughoudendheid bestaat dus in buitenlandse rechtsstelsels, óók in de Verenigde Staten van Amerika, waar traditioneel de bemoeienis van de rechtspraak met politieke kwesties verhoudingsgewijs groot is. Ik zeg ‘ten minste dezelfde terughoudendheid’: het Nederlandse recht kent niet de regel dat de rechter zich in kwesties van buitenlands beleid en defensie
onbevoegddient te verklaren. In het licht van wat hiervoor is gezegd, zal duidelijk zijn dat ik meen dat dit terecht is. Tot de essentie van een rechtsstaat behoort dat ook de overheid stééds aan het recht is onderworpen. Slechts de intensiteit waarmee de rechter toetst varieert. In kwesties van buitenlands beleid en defensie past de rechter bijzondere terughoudendheid. Maar dat is wat anders dan dat de rechter een partij die in zulke kwesties recht zoekt, reeds bij de voordeur zou moeten weren.
Srebrenicain voormalig Joegoslavië. In die arresten heeft de Hoge Raad een ‘terughoudende toetsing’ van de betrokken gevechtshandelingen, zoals door de Staat in cassatie bepleit, nadrukkelijk van de hand gewezen. Reden daarvoor is dat een zo terughoudende toetsing zou meebrengen dat voor de beoordeling door de rechter van de gevolgen van het optreden van Dutchbat ‘nagenoeg geen ruimte’ zou bestaan, en dat was volgens de Hoge Raad ‘onaanvaardbaar’. Wel moest volgens de Hoge Raad in de beoordeling worden verdisconteerd dat het ging om ‘onder grote druk in een oorlogssituatie genomen beslissingen’. [178]
crown acts of stateeveneens onderscheid maakt tussen enerzijds politieke beslissingen ter invulling van buitenlands beleid als zodanig (zoals een oorlogsverklaring of het sluiten van vrede) en anderzijds ‘uitvoeringshandelingen’, waarmee aan dat beleid concreet gestalte is gegeven. Alleen het eerste type beslissingen is naar Brits recht
non-justiciable. Dezelfde lijn signaleert Van der Hulle in de (lagere) Amerikaanse rechtspraak voor zover het de grondrechten betreft van Amerikaanse staatsburgers. [180]
structureeltot een ernstige inbreuk op mensenrechten leidt, per saldo weinig uit of de rechter alleen de onrechtmatigheid van de uitvoeringshandelingen vaststelt, of ook die van het beleid zelf.
als groepactief behoort te repatriëren. Ook strekken hun vorderingen uitsluitend tot het repatriëren van de moeders en de kinderen gezamenlijk, en uitdrukkelijk niet tot het repatriëren van de kinderen alleen.
6.De zorgvuldigheidsnorm
Houvast bij de vaststelling van ongeschreven recht; reflexwerking van wetten en verdragen
wetsbepalingenzijn die niet rechtstreeks op het te beslissen geval van toepassing zijn. [188] (Is een bepaling wel rechtstreeks van toepassing, dan kan uiteraard op grond daarvan de zaak worden beslist en is toepassing van de zorgvuldigheidsnorm niet meer aan de orde.) Onder juristen is overbekend de zogenaamde ‘correctie Langemeijer’ zoals door de Hoge Raad in 1951 in het
Tandartsenarrestaanvaard
: [189] de schending van een wettelijke norm die niet strekt tot bescherming van de benadeelde tegen de door hem geleden schade (en daarom, op grond van de zogenaamde relativiteitseis, zelf niet tot aansprakelijkheid leidt), kan als gezichtspunt fungeren bij de beantwoording van de vraag of jegens de benadeelde is gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. [190] Op vergelijkbare wijze kunnen ook
verdragsbepalingendoorwerken in de zorgvuldigheidstoetsing, ook voor zover daaraan geen rechtstreekse werking toekomt in de zin van art. 93 en Pro 94 Grondwet. [191] Een bekend voorbeeld daarvan is de ‘indirecte horizontale werking’ die kan uitgaan van EVRM-rechten (geschreven voor de ‘verticale verhouding’ tussen overheid en burger) in rechtsverhoudingen tussen private partijen. [192]
de aard van de betrokken belangen,dat, zoals gezegd, van wezenlijke betekenis is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van overheidsbeleid (hiervoor 5.17). Het gerechtshof heeft in deze zin aangenomen dat aan de grondrechten van Eiseressen en hun kinderen ‘indirecte werking’ toekomt. [195]
Mothers of Srebrenicatot ‘uitgangspunt’ heeft genomen dat de in het EVRM en het IVBPR neergelegde normen die strekken tot bescherming van het recht op leven en de integriteit van het menselijk lichaam, ook besloten liggen in de nationale zorgvuldigheidsnorm. Vanwege dit uitgangspunt maakte het in die zaak voor de rechtmatigheidstoetsing ‘geen verschil’ of en in hoeverre Nederland ter plaatse rechtsmacht had in de zin van het EVRM en het IVBPR (die rechtsmacht, in de zin van
effective control, was voor de relevante periode vastgesteld voor de gedragingen van Dutchbat
binnende compound, maar niet voor die
daarbuiten). Dit uitgangspunt berustte echter op een bijzonderheid van díé zaak, want was het gevolg van de omstandigheid dat door de Staat tegen het oordeel in die zin van het gerechtshof, in cassatie geen klacht was opgeworpen (vergelijk hiervoor 3.2). [196] Uit het arrest
Mothers of Srebrenicavan de Hoge Raad kan dus niet worden afgeleid dat inderdaad de bedoelde normen uit het EVRM en het IVRK, ook bij gebreke van rechtsmacht in de zin van die verdragen, tóch (anders dan volgt uit wat onder 6.3 en 6.4 is gezegd) ten volle in de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 lid 2 BW Pro besloten liggen. [197]
soft law, in allerlei vormen en gradaties, komen in aanmerking. [199] Illustratief is de
Urgenda-zaak, waarin de Staat is bevolen de uitstoot van broeikasgassen vanaf het Nederlandse grondgebied per eind 2020 te doen beperken met minimaal 25% ten opzichte van 1990. Dit op art. 2 en Pro 8 EVRM gebaseerde reductiebevel werd, met inachtneming van de stellingen van de partijen in het geding, mede gebaseerd op breed gedeelde inzichten uit de klimaatwetenschap en de internationale gemeenschap. [200]
Kelderluik-arrest fungeren daarbij als een zinvol stramien voor de beredeneerde belangenafweging die de rechter dient uit te voeren. [202] Ook in het
Kalimijnen-arrest, dat het gerechtshof Den Haag tot uitgangspunt heeft genomen, [203] had de zorgvuldigheidstoetsing het karakter van een contextgebonden belangenafweging. [204]
mutual consent. Staten zijn dus vrij om al dan niet diplomatieke en/of consulaire betrekkingen met elkaar aan te gaan. Wederzijdse erkenning is daarvoor een noodzakelijke voorwaarde. [209] Zonder diplomatieke en/of consulaire betrekkingen kunnen staten geen formeel overheidsgezag uitoefenen over onderdanen op het grondgebied van een andere staat en de belangen van die onderdanen niet behartigen. In de praktijk is zulke belangenbehartiging ook zonder formele betrekkingen veelal toch mogelijk door tussenkomst van andere staten of internationale organisaties. [210]
diplomatic protectionuitoefenen. [211] Dit is vastgelegd in de (niet bindende, maar wel gezaghebbende)
Draft Articles on Diplomatic Protectionvan de
International Law Commission(ILC) van de Verenigde Naties. [212] Volgens deze regeling houdt het uitoefenen van diplomatieke bescherming in dat eerstgenoemde staat laatstgenoemde staat aansprakelijk stelt voor de door zijn onderdaan geleden schade (art. 1). De onderdaan die het betreft, staat hier volkenrechtelijk bezien buiten: het is de betrokken
staataan wie het recht toekomt om diplomatieke bescherming uit te oefenen (art. 2). Van oudsher wordt aangenomen dat dit een discretionaire bevoegdheid van de betrokken staat betreft. [213] De toelichting bij de ILC-artikelen bevestigt dit met zoveel woorden. [214]
recommended practiceopgenomen dat een staat die gerechtigd is tot het uitoefenen van diplomatieke bescherming,
gehoudenis op grond van een aan de uitreizigers en/of hun kinderen toekomend
rechtop diplomatieke en/of consulaire bijstand, kan volgens de huidige stand van het recht slechts van geval tot geval worden beoordeeld, rekening houdend met de specifieke omstandigheden waarin de betrokkenen zich bevinden en de overige bij de repatriëring betrokken belangen. Daarbij zal ook rekening moeten worden gehouden met de omstandigheid dat Nederland geen diplomatieke banden met Syrië onderhoudt, wat repatriëring (niet uitsluit maar wel) in praktische en diplomatieke zin bemoeilijkt. [228] In de onderhavige zaak zijn de individuele omstandigheden van de verschillende IS-uitreizigers en van hun kinderen echter niet uiteengezet, en in ieder geval in cassatie ligt alleen nog de vraag voor of de Staat Eiseressen en hun kinderen
tezamenactief behoort te repatriëren (hiervoor 3.16 e.v.).
a primary considerationzijn). [232] Ervan uitgaande dat de Staat geen rechtsmacht uitoefent in de context waarin Eiseressen en hun kinderen zich bevinden, is de Staat niet uit hoofde van de genoemde verdragen gehouden de naleving van deze rechten te waarborgen. Het is niet aannemelijk dat diezelfde verplichting tot waarborging van mensenrechten dan wel uit de zorgvuldigheidsnorm zou kunnen worden afgeleid. Met de bedoelde mensenrechten corresponderen intussen zwaarwegende belangen van Eiseressen en hun kinderen, die bij de toepassing van de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW Pro wel degelijk meewegen (hiervoor 6.3 en 6.4). Vanwege deze beperkte reflexwerking is een nader onderzoek naar positieve verplichtingen van de staat die uit de verdragen volgen, toch zinvol. [233]
Osman-obligation, door het EHRM aanvaard in verband met art. 2 en Pro 3 EVRM (het recht op leven, respectievelijk het verbod van foltering). [240] Deze positieve verplichting ziet op gevallen waarin personen worden bedreigd door gewelddadig gedrag van anderen. Het niet optreden tegen zulke bedreigingen kan een schending van art. 2 EVRM Pro opleveren (hetzelfde geldt op overeenkomstige wijze voor art. 3 EVRM Pro). Wat daarvoor nodig is formuleert het EHRM als volgt:
Reasonable Knowledge and Means test: [242] er moet bij de verdragsstaat redelijke kennis zijn van (kort gezegd) het ernstige gevaar en deze staat moet beschikken over (eveneens kort gezegd) redelijke middelen om het gevaar te keren. Het tweede element, het vereiste van
reasonable means, is door het Hof nader aangeduid met de overweging dat de te treffen maatregelen geen
impossible or disproportionate burdenvoor de verdragsstaten mogen opleveren. [243]
Osman-obligationkomt het er dus op aan wat in redelijkheid van verdragsstaten kan worden gevergd ter bevordering van een effectieve bescherming van de verdragsrechten. Gerards wijst erop dat deze maatstaf gelijkenis vertoont met de zogenaamde
fair balance test, die het EHRM hanteert in de context van art. 8 EVRM Pro (het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van het familie- en gezinsleven). Getoetst wordt of verdragsstaten een
redelijke afweginghebben gemaakt van de in het geding zijnde belangen. [244] Daarbij laat het Hof een zekere beleids- en beoordelingsruimte aan de verdragsstaten, de bekende
margin of appreciation(vergelijk 5.11). De omvang van die marge kan variëren naargelang van het gewicht van het betrokken verdragsrecht en de ernst van de dreigende aantasting ervan. [245]
Urgenda-arrest heeft de Hoge Raad aangenomen dat, als duidelijk is dat een
real and immediate riskin de zin van de
Osman-obligationbestaat, de
margin of appreciationalleen nog ziet op een vrijheid voor de verdragsstaten bij
de keuze vande te treffen maatregelen; er bestaat dan dus geen vrijheid om niets te doen. [246] Ik maak hierbij de kanttekening dat in het tweede element van de
Reasonable Knowledge and Means test, het vereiste van
reasonable means, en de daaraan gekoppelde randvoorwaarde dat de te treffen maatregelen geen
impossible or disproportionate burdenmogen opleveren, mijns inziens toch een zekere beleids- en beoordelingsruimte voor de betrokken verdragsstaat schuilt. Wel is die ruimte wat betreft de rechten van art. 2 en Pro 3 EVRM (het recht op leven respectievelijk het verbod van foltering) aanzienlijk beperkter dan (bijvoorbeeld) in de context van art. 8 EVRM Pro (het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van het familie- en gezinsleven). [247]
Osman-obligationen het vereiste van rechtsmacht (hoofdstuk 4) sterk is. Omdat een verdragsstaat gehouden is om voor eenieder die zich binnen zijn rechtsmacht bevindt, het recht op leven te waarborgen, dient hij, indien daar redelijkerwijs aanleiding voor bestaat, daartoe alles te doen wat redelijkerwijs mogelijk is. Ervan uitgaande dat die rechtsmacht in de gevallen van de IS-uitreizigers en hun kinderen ontbreekt, hebben de positieve verplichtingen uit het EVRM geen rechtstreekse gelding. Intussen zullen civiele juristen de nodige overeenstemming opmerken tussen de
Reasonable Knowledge and Means testen de nationale kelderluikcriteria, zoals gangbaar bij toepassing van de nationale zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW Pro (hiervoor 6.8). [248] Het bereik van die nationale norm vindt geen beperking in een vereiste van rechtsmacht.
jurisdictional linkvoor zover een strafzaak tegen een IS-uitreiziger aanhangig is (6.34) en
family lifevan de IS-uitreizigers en hun kinderen met ouders respectievelijk grootouders (6.35).
hulp bij terugkeeraf te leiden, in de zin dat de staat verplicht is om ook buiten de eigen rechtssfeer gelegen belemmeringen voor die terugkeer zo mogelijk weg te nemen. Intussen is iets dergelijks in de literatuur wel gesuggereerd. [252] In de rechtspraak van het EHRM heb ik daarvoor geen aanknopingspunt kunnen vinden. Overigens moet gezegd worden dat in de bij het EHRM aanhangige zaak van een Franse vrouw en haar kinderen het Hof – in de aan partijen gestelde vragen – wel mede naar het recht van terugkeer verwijst (hiervoor 4.26).
jurisdictional link. Dat biedt mijns inziens geen aanknopingspunt voor de zaak van Eiseressen tegen de Staat, reeds omdat, voor zover mij bekend, niet tegen alle Eiseressen in Nederland een strafzaak loopt. [255] In ieder geval hebben Eiseressen zich daarop niet beroepen. Los daarvan geldt dat de
jurisdictional linkslechts gevolgen heeft voor de desbetreffende procedure en niet in algemene zin tot rechtsmacht leidt (hiervoor 4.10). Mijns inziens ligt ook niet voor de hand om bij wijze van reflexwerking uit de
jurisdictional linkaf te leiden dat IS-uitreizigers tegen wie in Nederland een strafzaak loopt, bij de toepassing van de zorgvuldigheidsnorm een streepje voor hebben boven de anderen, in de zin dat zij – ook buiten het verband van wat in de strafzaak geldt – op repatriëring aanspraak zouden kunnen maken.
family life(art. 8 EVRM Pro) ziet inderdaad mede op de banden tussen uitwonende kinderen en hun ouders en tussen kleinkinderen en grootouders, [256] maar deze banden zijn wel van wezenlijk andere aard en hebben een ander gewicht dan die tussen hen die in gezinsverband samenwonen. [257] Eventueel zijn bijzonderheden denkbaar, bijvoorbeeld in de zin van kleinkinderen die een tijdlang in het gezin van hun grootouders zijn opgevoed. Door het tijdsverloop sinds hun uitreizen naar Syrië of Irak, zal echter ook het belang van een dergelijke bijzonderheid inmiddels sterk zijn afgenomen. Het valt daarom mijns inziens niet te verwachten dat het gezichtspunt in veel gevallen een rol van betekenis zal kunnen spelen. Hoe dan ook, Eiseressen hebben hun vorderingen niet mede gebaseerd op de banden met in Nederland zich bevindende familieleden, zodat het in deze zaak niet speelt.
Ilaşcu e.a./Moldaviëoordeelde het EHRM dat de bezette verdragsstaat (Moldavië) gehouden was
effective controlkan uitoefenen en anderszijds een verplichting van de Staat met betrekking tot onderdanen die zich bevinden buiten het grondgebied van de Staat, in een gebied waarover de Staat geen
effective controluitoefent. Een belangrijk verschil tussen beide situaties is dat in het eerste geval (anders dan in het laatste geval) het ontbreken van
effective controleen uitzonderlijke toestand is. Ik meen dat dit verschil in verband met het territorialiteitsbeginsel voor de kwestie van rechtsmacht beslissend is (hoofdstuk 4). Maar dat neemt niet weg dat er ook overeenkomst is, namelijk het ontbreken van
effective control.In verband daarmee is mijns inziens een zekere reflexwerking bij de toepassing van de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW Pro zeer wel denkbaar. Dat leidt niet tot absolute aanspraken aan de zijde van IS-uitreizigers, maar over de band van zwaarwegende belangen mogelijk indirect wel tot een in omvang en intensiteit aan de situatie aangepaste rechtsplicht. Daarbij merk ik op dat de in het EVRM vastgelegde verplichting van de Staat om op het eigen grondgebied de naleving van mensenrechten te waarborgen, uiteraard aanzienlijk veel sterker is dan een indirect uit het EVRM afgeleide rechtsplicht om de naleving van mensenrechten ten aanzien van onderdanen in het buitenland naar vermogen te bevorderen.
Soering-rechtspraak [260] met betrekking tot de bescherming van ingezetenen in uitleverings- en uitzettingssituaties. Deze rechtspraak komt erop neer dat verdragsstaten aansprakelijk kunnen worden gehouden voor een potentiële verdragsschending buiten hun grondgebied, indien zij het in hun macht hebben die schending te voorkomen. Zoals we eerder zagen (hiervoor 4.9) is dit geen echte uitzondering op het territorialiteitsvereiste, omdat het ziet op de beslissing omtrent uitlevering of uitzetting, die op het eigen grondgebied van de staat wordt genomen. Ik vermeldde reeds de vraagstelling van het EHRM in de aanhangige zaak met betrekking tot een Franse vrouw en haar kinderen (4.26 e.v.).
Soering). Bij wijze van reflexwerking over de band van zwaarwegende belangen is denkbaar dat de Staat ook niet de ogen mag sluiten voor mensenrechtenschendingen die buiten zijn territoir
met zekerheidplaatsvinden, voor zover hij redelijkerwijs in staat is om te bevorderen dat die schendingen worden beëindigd. Opnieuw geldt dat deze laatste rechtsplicht op grond van de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW Pro geen absoluut karakter kan dragen en dat de Staat ook andere zwaarwegende belangen mag meewegen. Omdat niet alle gevallen van IS-uitreizigers gelijk zijn, behoeft die weging niet steeds gelijk uit te vallen.
Güzelyurtlu e.a./Cyprus en Turkije. [261] De zaak betrof een gezin dat in 2005 vermoord werd aangetroffen in het door Turkije bezette deel van Cyprus. Het strafrechtelijk onderzoek kwam niet van de grond doordat enerzijds de Turkse autoriteiten weigerden de gevluchte verdachten aan Cyprus uit te leveren, terwijl anderzijds de Cypriotische autoriteiten weigerden bewijsmateriaal aan Turkije over te dragen. In eerste instantie werden beide verdragsstaten voor deze patstelling aansprakelijk gehouden, [262] maar uiteindelijk oordeelde de Grote Kamer van het EHRM dat alleen Turkije aansprakelijk was. Van belang zijn de algemene overwegingen van het Hof met betrekking tot de ‘duty to cooperate as a component of the procedural obligation under Article 2’. De patstelling was veroorzaakt doordat de staten geen diplomatieke relaties onderhielden, als gevolg van een jarenlang slepend conflict (de kwestie Noord-Cyprus). Het EHRM erkende dat ‘Contracting States cannot cooperate with each other in a legal vacuum’. Niettemin oordeelde het Hof dat, in een grensoverschrijdende context als deze, de betrokken staten gehouden zijn ‘to act jointly and to cooperate in order to protect the rights and freedoms they have undertaken to secure within their jurisdiction’. Bij gebrek aan formele diplomatieke relaties kunnen verdragsstaten volgens het Hof gehouden zijn ‘to use other more informal or indirect channels of cooperation, for instance through third States or international organisations’. [263] In het eerdere
chamber judgementwerd de samenwerkingsverplichting verder gespecificeerd met de overweging dat verdragsstaten in deze context gehouden kunnen zijn om uitlevering van de daders na te streven. [264]
legal spacevan het verdrag (vergelijk 4.15), en de rechtsmacht van beide landen, ieder voor wat binnen het eigen territoir plaatshad, sprak vanzelf. Beide behoorden op hun eigen grondgebied de naleving van mensenrechten te waarborgen. Omdat die waarborging slechts kon plaatsvinden door met de andere staat samen te werken, was die samenwerking verplicht, ook al waren er geen diplomatieke betrekkingen tussen de staten. Het behoeft echter geen betoog dat ook de waarde van het menselijk leven een wezenlijke rol speelde. Ook die waarde droeg eraan bij dat ondanks het ontbreken van diplomatieke betrekkingen – wat, bezien vanuit Cyprus, berustte op een terechte weigering om het gezag van Turkije over Noord-Cyprus te erkennen – samenwerking geboden was. Het ligt mijns inziens alleszins voor de hand om in verband met het bijzondere gewicht van de waarde van het menselijk leven aan te nemen dat ook bij toepassing van de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW Pro het ontbreken van diplomatieke betrekkingen met zowel Syrië als de Koerdische autoriteiten ter plaatse, niet op voorhand doorslaggevend is. Het risico van verwikkelingen die daarmee samenhangen, moet worden afgewogen tegen de zwaarwegende belangen van de IS-uitreizigers en hun kinderen, zoals dit ook voor andere belangen geldt. Die weging behoeft opnieuw niet in alle gevallen hetzelfde uit te vallen.
position papervan de Kinderombudsman, die vermeldt dat de daarin uiteengezette standpunten worden gedeeld door kinderrechtencommissarissen uit andere Europese landen. [267] Dit wil niet zeggen dat het IVRK ook steun biedt voor de door Eiseressen ingestelde vorderingen, die een repatriëring van Eiseressen en hun kinderen gezamenlijk (als groep) tot inzet hebben, ongeacht de specifieke situaties van ieder van hen afzonderlijk (hiervoor 3.16). Naar aanleiding van de reactie van de minister van Justitie en Veiligheid op de genoemde
position paperheeft de kinderombudsman benadrukt dat moet worden gekeken naar ‘het individuele kind in plaats van de kinderen te beschouwen als een homogene groep’. [268] Ook het VN-kinderrechtencomité benadrukt dat de
best interests of the child(als bedoeld in art. 3 lid 1 IVRK Pro)
on a case-by-case basismoeten worden beoordeeld en afgewogen tegen andere, eventueel daarmee conflicterende belangen van bijvoorbeeld de ouders en de maatschappij. [269]
gezamenlijkerepatriëring van moeders en hun kinderen toestaan, is het aan de Belgische staat om te beoordelen (en aan de Belgische rechter om achteraf te toetsen) of, onder de specifieke omstandigheden van ieder geval, [282] het belang van het kind vereist dat (ook) zijn of haar moeder wordt gerepatrieerd. In de voorliggende zaak kon een en ander de kinderen en hun moeder niet baten. Het hof verklaarde de moeder, voor zover zij optrad namens de kinderen, niet-ontvankelijk omdat haar moederschap niet was aangetoond. Voor zover de moeder optrad voor zichzelf, werd haar vordering afgewezen. Volgens het hof was niet voldaan aan het rechtsmachtvereiste (in de zin van art. 1 EVRM Pro) en kon de moeder ook geen aanspraak maken op consulaire bijstand of repatriëringsinspanningen anderszins. [283] Het is nog niet bekend of in deze zaak beroep in cassatie is of zal worden ingesteld.
ouderskonden geen aanspraak maken op consulaire bijstand, nu zij zelf hadden verkozen om uit te reizen. Navraag bij het Hof van beroep te Brussel heeft uitgewezen dat in deze zaak hoger beroep is ingesteld. De uitkomst daarvan was ten tijde van de afronding van deze conclusie nog niet bekend.
actes de gouvernement(hiervoor 5.19). In twee beslissingen van de administratieve rechtbank van Parijs van 9 april 2019 is geoordeeld dat repatriëring, gelet op de daartoe benodigde onderhandelingen met de lokale autoriteiten in Syrië, zozeer is verweven met het buitenlandse beleid van de Franse staat, dat zij aan rechterlijke toetsing is onttrokken. [288] In hoger beroep is dat oordeel bevestigd door de rechtspraakafdeling van de Franse Raad van State, de
Conseil d’État. [289] De Franse zaak bij het EHRM (hiervoor 4.26 e.v.), lijkt met deze vaste rechtspraak in een rechtstreeks verband te staan. [290]
cas par cas) te beoordelen. Verzoekers betoogden dat
alleFranse kinderen uit Syrië behoren te worden gerepatrieerd. [292] De rechtbank verwierp dit betoog, met het argument dat het hier een kwestie van buitenlands beleid betrof, waarover de Franse rechter niet oordeelt:
crown acts of state(hiervoor 5.19). Het vraagstuk van repatriëring is wel zijdelings aan de orde gekomen in een uitspraak van 7 augustus 2019 van de Britse bestuursrechter in eerste aanleg, de
Administrative Courtvan de
High Court of Justice (Queen’s Bench Division). [294] De zaak betrof de ontneming van de Britse nationaliteit aan een uitreiziger, waartegen door diens vader werd opgekomen. De vader klaagde over het ontbreken van
proper policywat betreft de nationaliteitsontneming en beriep zich in het verlengde daarvan ook op ‘the Home Secretary’s failure to facilitate or take proper steps to return Ashraf [zijn zoon] to the United Kingdom’. In het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de vader stelde de Britse rechter vast dat de vader ‘has a proper interest in challenging the alleged policy of inaction in repatriating British ISIL suspects’. De rechter weigerde echter de gevraagde voorziening met de overweging dat geen grondslag bestaat voor ‘any legal duty to make arrangements to repatriate Ashraf in order that he can be tried in the United Kindom’. Onder verwijzing naar rechtspraak van de
Court of Appealmerkte de rechter op dat geen recht op consulaire bijstand toekomt aan Britse gedetineerden, nog daargelaten dat verzoekers zoon de Britse nationaliteit was ontnomen.
kinderenvooropstaat: repatriëring van de ouders is daarvan hooguit een bijkomend gevolg. De Staat heeft er verder op gewezen dat het in de Belgische en Duitse rechtspraak steeds ging om ‘incidentele gevallen van bijzondere aard’ en niet om een vordering zoals in deze zaak ingesteld, waarmee ‘het beleid als zodanig ter discussie wordt gesteld en dus een repatriëring van alle vrouwen en kinderen’. [295] In ieder geval het laatste is een terechte kanttekening. Repatriëring van een hele groep van onderdanen, zonder aandacht voor de bijzonderheden van ieder geval, en dan alleen nog wat betreft kinderen, was enkel aan de orde in de Franse zaak over het beleid
cas par cas(onder 6.54). Die zaak heeft in een afwijzing geresulteerd, wat intussen naar geldend Frans recht (in verband met de doctrine van
actes de gouvernement, hiervoor 5.19) min of meer vanzelf spreekt (hiervoor 5.20 e.v.).
Key principles for the protection, repatriation, prosecution, rehabilitation and reintegration of women and children with links to united nations listed terrorist groups, van de Secretaris-Generaal van de VN uit april 2019. Daarin wordt gewezen op het belang van een ‘individual assessment and screening to appropriately assess each case and determine each person’s affiliation and/or victimhood’. [298] Toegespitst op de kinderen wordt door de Secretaris-Generaal gewezen op het belang van
maintaining family unity. Het scheiden van kinderen tegen de wil van de ouders mag alleen plaatsvinden in
the child’s best interests. [299]
statementvan 28 mei 2019 van de mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa. [300] Daarin wordt erop aangedrongen dat de lidstaten van de Raad van Europa ‘take all necessary measures to ensure the repatriation as a matter of urgency of their under-age nationals from the camp of Al-Hol’. In het verlengde hiervan worden de lidstaten aangespoord ‘to consider repatriating their mothers as well, in order to safeguard the best interests of the children, as required by the UN Convention on the Rights of the Child.’
International obligations concerning the repatriation of children from war and conflict zones. In deze resolutie wordt gewezen op de
significant difficulties and challengesgemoeid met de repatriëring van uitreizigers en ook op de
highly polarised opinionsin de lidstaten. Onder verwijzing naar kinderrechten heeft de vergadering als haar overtuiging uitgesproken dat
Explanatory memorandumvan de Oostenrijkse afgevaardigde Schennach is een toelichting op de resolutie gegeven. [303] Deze toelichting wekt de indruk dat de resolutie geldend recht weergeeft, maar ik meen dat dit bepaald onzeker is. Aanknopingspunten daarvoor zijn er slechts beperkt.
Policy Briefvan de
European Council on Foreign Relations, een pan-Europese denktank op het gebied van buitenlands beleid en veiligheidsbeleid. In dit document van 25 oktober 2019 wordt geïnventariseerd hoe verschillende EU-lidstaten omgaan met de repatriëring van uitreizigers en hun kinderen. Geconstateerd wordt dat het terughoudende repatriëringsbeleid van de EU-lidstaten contrasteert met de veel grotere repatriëringsinspanningen van landen buiten Europa, zoals Kosovo en diverse landen in Centraal-Azië. Gepleit wordt voor een ruimer repatriëringsbeleid, met onder meer als argument dat aldus kan worden onderscheiden tussen
different categories of European ISIS supporters. [304]
position papervan de
Child Justice Advocacy Group(CJAG), een internationale coalitie van kinderrechtenorganisaties. In dit document van 28 januari 2020 worden tien aanbevelingen gedaan, waaronder:
rechtmatigheidvan dat beleid wordt door hem getoetst. Los daarvan is het de vraag of
Eiseressenzich erop kunnen beroepen dat de samenleving op andere wijze beter tegen henzelf kan worden beschermd; dat veiligheidsbelang is immers niet hún belang, maar juist dat van anderen (vergelijk art. 6:163 BW Pro).
Policy Briefvan de
European Council on Foreign Relations(hiervoor 6.61), de
position papervan de
Child Justice Advocacy Group(hiervoor 6.62). Ik zie echter geen aanwijzingen dat deze stellingnamen op geldend recht zijn gebaseerd en meen dat ze vooral als aanbevelingen moeten worden opgevat.
op individueel gevalsniveaubehoort te worden beoordeeld. Beoordeling van geval tot geval is het uitgangspunt bij de vraag of de IS-uitreizigers recht hebben op diplomatieke en/of consulaire bijstand (hiervoor 6.21). Er bestaat een zekere reflexwerking van de positieve verplichtingen zoals die uit mensenrechtenverdragen voortvloeien (hiervoor 6.4 en 6.23 e.v.). Bij gebrek aan rechtsmacht bestaan voor de IS-uitreizigers echter geen absolute aanspraken. Hun zwaarwegende belangen moeten worden afgewogen tegen andere, eveneens zwaarwegende belangen. Omdat niet alle gevallen van IS-uitreizigers gelijk zijn, kan die weging verschillend uitvallen (hiervoor 6.38, 6.40 en 6.42). De belangen van de kinderen van de IS-uitreizigers hebben een bijzonder groot gewicht, maar ook volgens de
position papervan de kinderombudsman en de stellingname van het VN-kinderrechtencomité leidt dat niet tot een eenvormige benadering; in plaats daarvan bepleiten zij een beoordeling van geval tot geval (hiervoor 6.45). In de buitenlandse rechtspraak zijn er voorbeelden van repatriëringbevelen, maar zij betreffen steeds individuele gevallen (hiervoor 6.56). Een beoordeling van individuele gevallen is ook het uitgangspunt van de
Key principlesvan de Secretaris-Generaal van de VN (hiervoor 6.58).
a primaryconsideration) biedt steun voor de opvatting dat de Staat zich behoort in te zetten voor het repatriëren van de kinderen. [309] Het lijkt immers duidelijk dat de belangen van de kinderen thans ernstig schade lijden, welke schade straks gemakkelijk onherstelbaar kan blijken te zijn. Bij de waardering van de belangen van de kinderen, is wezenlijk dat aan deze kinderen niet kan worden verweten dat zij zichzelf in moeilijkheden hebben gebracht en/of door de verwerpelijke en gevaarlijke ideeën van IS zijn beïnvloed, zoals de Staat ook uitdrukkelijk erkent (hiervoor 3.28). Uiteraard mag (en moet) de Staat wel rekening houden met de mogelijkheid dat voor sommige (of eventueel vele) kinderen geldt dat zij ernstig met die ideeën besmet zijn geraakt en daarom (in de toekomst) ook zelf een gevaar voor de nationale veiligheid kunnen opleveren. Het valt echter te betwijfelen of dat een geldige reden is om deze kinderen niet te willen repatriëren. Kinderen die op een verkeerd pad zijn geraakt en een gevaar voor hun omgeving opleveren, behoren niet te worden afgeschreven, maar in plaats daarvan met gepaste maatregelen van onder meer kinderbescherming zo goed mogelijk te worden begeleid.
7.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Introductie van de klachten en plan van behandeling
Onderdeel 1draagt een inleidend karakter en bevat voornamelijk klachten die in de daarop volgende middelonderdelen worden uitgewerkt.
Onderdeel 2richt zich tegen het oordeel van het gerechtshof in zijn arrest onder 6.3 e.v., [311] over het ontbreken van rechtsmacht in de zin van de mensenrechtenverdragen. De
onderdelen 3 en 4zien op de maatstaf die het hof onder 7.1 e.v. bij de toetsing aan de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm heeft aangelegd. Eiseressen betogen dat het hof, gelet op de door hen ingeroepen mensenrechten, niet met een ‘marginale toetsing’ mocht volstaan.
Onderdeel 5klaagt meer concreet over de door het gerechtshof onder 7.5 e.v. gemaakte belangenafweging in het kader van de zorgvuldigheidsnorm.
Onderdeel 6stelt een nadere voorvraag aan de orde, namelijk de invloed van de nationaliteit van Eiseressen op de zorgvuldigheidstoetsing.
Onderdeel 7bevat een veegklacht en heeft geen zelfstandige betekenis.
onderdeel 2. Geklaagd wordt dat dit oordeel onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is.
threshold criterion, waarvan de toetsing
voorafgaataan de inhoudelijke verdragstoetsing (hiervoor 4.3). Eiseressen nemen bij hun bespreking van de rechtsmacht tot ‘uitgangspunt’ dat in deze zaak mensenrechten worden geschonden. [314] Dat is juist voor zover het de vaststelling betreft dat de door het EVRM en het IVRK beschermde
belangenvan Eiseressen in het geding zijn. Onder 7.5 heeft het hof vastgesteld dat het hier gaat om de belangen van de kinderen bij leven, overleven en ontwikkeling, en de belangen van de vrouwen bij (onder meer) vrijheid en veiligheid. Van een
verdragsschendingkan echter op voorhand niet worden gesproken, zolang niet vaststaat dat de Staat (of een andere verdragsstaat) rechtsmacht uitoefent over Eiseressen.
juridische bevoegdheidvan een verdragsstaat om in te grijpen, maar om de
feitelijke mogelijkheidtot beïnvloeding van de mensenrechtensituatie van een individu. Eiseressen zoeken hiermee aansluiting bij het hiervoor onder 4.16 besproken beginsel, dat in sommige literatuur uit de rechtspraak van het EHRM is afgeleid. Eiseressen verwijzen in dit verband ook naar het onder 6.50 besproken (naderhand in hoger beroep vernietigde) vonnis van de Belgische rechter in eerste aanleg, waarin een dergelijk beginsel is toegepast. Tegen deze achtergrond klagen Eiseressen in
randnummer 38dat, nu de Staat ‘een zekere feitelijke invloed’ kan uitoefenen op de positie van Eiseressen (zoals het hof onder 6.3 van zijn arrest heeft vastgesteld), het oordeel van het hof over het ontbreken van rechtsmacht blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans nadere motivering behoeft. Dit klemt volgens Eiseressen temeer, omdat hun subsidiaire vordering slechts strekt tot nakoming van ‘een inspanningsverplichting om te doen wat mogelijk is teneinde door repatriëring de bescherming van de genoemde rechten te bevorderen’. [315] Onder
randnummer 39voegen Eiseressen hieraan toe dat, zonder het aannemen van rechtsmacht, een ‘vacuüm in de mensenrechtenbescherming’ zou ontstaan, omdat er in Syrië geen andere staat is die de mensenrechten van Eiseressen beschermt. [316] Onder
randnummer 42voeren Eiseressen aan dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het ontbreken van
effective controlof zeggenschap in de weg staat aan het aannemen van een op de Staat rustende verdragsverplichting.
inspanningsverplichtingvan de Staat, maakt het voorgaande niet anders. Het EHRM aanvaardt dat de verdragsrechten op maat gesneden kunnen worden (
divided and tailored) in gevallen waarin een verdragsstaat extraterritoriale rechtsmacht uitoefent door middel van zijn vertegenwoordigers in het buitenland (
agents). In die context kan een verdragsstaat zich niet onttrekken aan een ‘proportionele’ toepassing van het verdrag, met het argument dat hij geen
volledigecontrole uitoefent over de extraterritoriale situatie in kwestie. Er blijft echter, ook in die context, een zekere mate van
control and authorityvereist (hiervoor 4.14). Men kan de redenering van het EHRM dus niet omdraaien. Het is niet zo, dat voor het aannemen van een positieve verplichting tot het verrichten van inspanningen in het buitenland geen (of ‘minder’) rechtsmacht is vereist.
legal spacevan het verdrag (hiervoor 4.15). Daarvan is hier geen sprake.
onderdelen 3 en 4. Zij komen erop neer dat het hof een te grote terughoudendheid heeft betracht bij de toetsing van het repatriëringsbeleid van de Staat. Volgens Eiseressen had het hof, gelet op de door Eiseressen ingeroepen mensenrechten, in dit verband niet met een ‘marginale toetsing’ mogen volstaan. Meer concreet stellen de klachten vier kwesties aan de orde: de reflexwerking van verdragen (
subonderdeel 3.1), de toetsing van buitenlands beleid (
subonderdeel 3.2), het onderscheid tussen de primaire en de subsidiaire vorderingen (
subonderdeel 3.3) en de toetsing van overheidshandelen op grond van het EVRM (
subonderdeel 3.4).
randnummer 46). Volgens Eiseressen heeft het hof miskend dat het voor de beoordeling van hun vorderingen ‘geen verschil’ maakt, of een rechtstreekse toetsing aan de mensenrechtenverdragen plaatsvindt, dan wel een toetsing aan art. 6:162 BW Pro. In beide kaders komt het erop aan welke maatregelen redelijkerwijs van de Staat kunnen worden verwacht (
randnummer 48). [318] Er bestaat volgens Eiseressen geen reden om in het kader van art. 6:162 BW Pro terughoudender te toetsen dan in het kader van het EVRM of het IVRK (
randnummer 50). Resumerend betogen Eiseressen dat het hof een ‘te vergaande marginale toetsing’ heeft toegepast. Volgens Eiseressen kunnen slechts ‘zeer zwaarwegende concrete belangen’, die het hof niet heeft vastgesteld, in de weg staan aan toewijzing van hun vorderingen (
randnummer 56).
Mothers of Srebrenica, [319] maar hiervoor 6.5 bleek reeds waarom dit niet juist is.
randnummer 47). Voor zover Eiseressen bedoelen te betogen dat in cassatie veronderstellenderwijze moet worden uitgegaan van een
real and immediate riskvan schending van art. 3 EVRM Pro (in de zin van de onder 6.26 e.v. besproken
Osman-jurisprudentie), kan dat betoog mijns inziens niet als juist worden aanvaard. Het gerechtshof heeft in zijn arrest onder 1.3 vastgesteld dat Eiseressen ten tijde van de mondelinge behandeling
nietgeconfronteerd werden met bombardementen, seksueel misbruik en marteling. Een eventuele verslechtering op dit punt heeft het hof onder 7.5 slechts als
mogelijkheidaanvaard, door te overwegen dat de erbarmelijke omstandigheden waarin Eiseressen verkeren, ‘mogelijkerwijs nog zouden kunnen verslechteren’. [320] Uit deze terughoudende bewoordingen blijkt mijns inziens dat het hof het beroep van Eiseressen op een reëel en onmiddellijk gevaar van schending van art. 3 EVRM Pro in zoverre heeft verworpen.
mensenrechten(zoals door Eiseressen aan hun vorderingen ten grondslag gelegd) niet met een marginale toetsing kan worden volstaan (
randnummers 57 en 66). [321] Ook ’s hofs verwijzing onder 7.8 naar de arresten
Joegoslavische militairen/Staat [322] en
VJV c.s./Staat, [323] over de toetsing van overheidsbeleid in vraagstukken van buitenlandse politiek en defensie, geeft volgens Eiseressen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Hiermee miskent het hof, aldus Eiseressen, dat in die arresten geen schending van mensenrechten aan de orde was (
randnummer 67). Ter vergelijking verwijzen Eiseressen naar de recentere arresten
Mothers of Srebrenica [324] en
Urgenda, [325] zoals ook aangehaald door het hof onder 4.4. In die arresten ging het om concrete (dreigingen van) mensenrechtenschendingen en was geen sprake van marginale toetsing (
randnummer 68).
Mothers of Srebrenicaen
Urgenda. In beide arresten heeft de Hoge Raad (in navolging van de feitenrechters) het handelen van de Staat getoetst aan rechtsnormen. In het
Srebrenica-arrest ging het om aan art. 2 en Pro 3 EVRM ontleende normen, waarvan in cassatie vaststond dat die ook in de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW Pro besloten lagen. [326] In het
Urgenda-arrest ging het om positieve verplichtingen uit art. 2 en Pro 8 EVRM, waarvan de concrete inhoud mede werd gebaseerd op breed gedeelde inzichten uit de klimaatwetenschap en de internationale gemeenschap. [327] De aan de overheid toekomende beleids- en beoordelingsruimte werd in beide arresten verdisconteerd in de toetsing aan deze rechtsnormen. [328] Aldus liggen beide arresten – ondanks hun politiek-gevoelige uitkomst – geheel in het juridische domein.
normering. Vraagstukken van buitenlandse politiek en defensie liggen grotendeels buiten het juridische domein. In andere rechtsstelsels wordt dit ook zo gezien (hiervoor 5.19).
mensenrechtenligt het voorgaande niet anders. Dit blijkt uit het arrest
VJV c.s./Staat, waarin de Hoge Raad het beroep van VJV c.s. op fundamentele rechten, zoals het recht op leven en het recht op ongestoord genot van persoonlijke bezittingen, afwees onder verwijzing naar ‘hetgeen hiervoor is overwogen’ (lees: de terughoudendheid die is geboden bij de toetsing van overheidsbeleid in vraagstukken van buitenlandse politieke en defensie). [329] Ook bij een beroep op mensenrechten komt het er dus op aan of er een
rechtsnormbestaat die het desbetreffende overheidsbeleid aan banden legt.
beleidsniveaukúnnen mensenrechten minimumeisen voorschrijven aan de overheid, zoals blijkt uit het al genoemde
Urgenda-arrest, maar dat is wel een ‘uitzonderlijke situatie’. [331] In de regel eisen mensenrechten slechts dat de overheid bij de toepassing van haar beleid in
individuelegevallen de mensenrechten van burgers respecteert. Dit verklaart waarom in het arrest
Joegoslavische militairen/Staatmet een terughoudende toetsing werd volstaan, ondanks het door de militairen gedane beroep op mensenrechten. De Hoge Raad overwoog:
rechtsnormvoortvloeit die de verweten handelwijze verbiedt. In hoofdstuk 6 heb ik uiteengezet waarom volgens mij geen sprake is van een rechtsnorm die het door de Staat gevoerde repatriëringsbeleid in algemene zin verbiedt. Dit laat onverlet dat toepassing van dat beleid in
individuelesituaties onrechtmatig kan zijn, mede in het licht van de mensenrechten van de uitreizigers en hun kinderen. Rechtsnormen die op beleidsniveau geen (voldoende) concrete gedragslijn voorschrijven aan de overheid, kunnen in individuele situaties wél afdwingbare verplichtingen opleggen aan de overheid (hiervoor 5.23 e.v.). De aan de overheid toekomende beleids- en beoordelingsruimte komt daardoor niet onder druk te staan: uitzonderingen in individuele situaties laten het beleid als zodanig onverlet. Een individuele toetsing is echter niet de inzet van dit geding (hiervoor 3.16 e.v.).
Joegoslavische militairen/Staaten
VJV c.s./Staat.
inspanningen. ’s Hofs afwijzing van
allevorderingen zou daarom in strijd zijn met art. 23 Rv Pro, althans onvoldoende gemotiveerd (
randnummer 71). Het hof heeft volgens Eiseressen ofwel een onbegrijpelijke uitleg aan hun subsidiaire vorderingen gegeven (
randnummer 72), ofwel een onjuiste maatstaf aangelegd door bij de beoordeling van de primaire en de subsidiaire vorderingen een even grote mate van terughoudendheid te betrachten (
randnummer 73). Eiseressen benadrukken in dit verband dat toewijzing van de subsidiaire vordering de beleidsvrijheid van de Staat onverlet laat, omdat daarmee niet wordt voorgeschreven
welke maatregelende Staat moet treffen (
randnummer 74).
inspanningenvorderen. [333] Voor zover de klachten van een andere lezing van het bestreden arrest uitgaan, missen zij feitelijke grondslag.
actievepogingen tot repatriëring onderneemt. Bovendien hebben Eiseressen hun subsidiaire vorderingen in appel aldus vermeerderd, dat zij drie concrete repatriëringsinspanningen vorderen die de Staat ‘in ieder geval’ moet verrichten (het contacteren van de Koerdische autoriteiten, de Amerikanen en het Rode Kruis). [335] Tegen deze achtergrond heeft het hof kennelijk gemeend, en mogen menen, dat tussen de primaire en de subsidiaire vorderingen slechts een gradueel, en geen principieel verschil bestond. [336] Men bedenke hierbij dat de Staat, zoals hij in cassatie heeft aangevoerd, hoe dan ook niet kan
garanderendat Eiseressen worden gerepatrieerd. De Staat is immers, bij gebreke van diplomatieke vertegenwoordiging in Syrië, niet bij machte om Eiseressen zonder medewerking van derden te repatriëren. [337] Ook daarom bestaat tussen de primaire en de subsidiaire vorderingen van Eiseressen niet zoveel verschil als zij doen voorkomen.
randnummer 76). Onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM betogen Eiseressen dat het hof ‘hoogstens’ had mogen toetsen of repatriëring een ‘onmogelijke of disproportionele last’ oplevert voor de Staat (
subonderdeel 4.1), dan wel of de aan de Staat toekomende
margin of appreciationtoelaat dat de Staat weigert Eiseressen te repatriëren (
subonderdeel 4.2).
rechtsnormbestaat die het gedrag van de Staat verbiedt. Van een dergelijke rechtsnorm is mijns inziens niet gebleken (zie de bespreking van subonderdeel 3.2). Bij die stand van zaken hebben Eiseressen geen belang bij klachten over de precieze bewoordingen die het hof bij zijn rechtmatigheidstoetsing heeft gebruikt.
Osman-verplichting, waarop Eiseressen zich in dit verband beroepen, een zekere beleids- en beoordelingsruimte gunt aan verdragsstaten, naargelang van de ernst van de dreigende mensenrechtenschending in kwestie (hiervoor 6.27).
belangenafwegingdie het gerechtshof in zijn arrest onder 7.1 e.v. heeft gemaakt. Dat is het derde geschilpunt in cassatie, naast het rechtsmachtvereiste (waarover onderdeel 2) en de rechterlijke toetsingsintensiteit (waarover de onderdelen 3 en 4). Het onderdeel vangt aan met de inleidende klacht dat de door het hof gemaakte belangenafweging onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd is (
randnummer 96). Deze klacht wordt uitgewerkt in vier subonderdelen. De eerste drie subonderdelen zijn (eveneens) inleidend van aard. Zij betreffen de door Eiseressen ingeroepen IVRK-rechten (
subonderdelen 5.1-5.2) en de op de Staat rustende stelplicht (
subonderdeel 5.3). Het vierde subonderdeel gaat inhoudelijk in op de door het hof gemaakte belangenafweging (
subonderdeel 5.4).
nationale veiligheidonder 7.10 e.v. van zijn arrest. Daar overweegt het hof, in navolging van de Staat en toegespitst op het gevaar dat kan uitgaan van repatriëring van de
kinderen, ‘dat het gevaar oplevert om de kinderen terug te halen omdat dan ook hun gevaarlijk geachte ouders naar Nederland zullen komen’ (onder 11). Volgens Eiseressen is deze overweging in strijd met het discriminatieverbod van art. 2 lid 2 IVRK Pro. [339] Daaruit volgt, aldus Eiseressen, dat een kind niet gediscrimineerd of gestraft mag worden op grond van de omstandigheden, activiteiten, meningen of overtuigingen van de ouders. De geciteerde overweging komt er volgens Eiseressen op neer ‘dat de kinderen juist wel in erbarmelijke omstandigheden aan hun lot mogen worden overgelaten omdat van hun moeders een veiligheidsrisico uitgaat, althans dat dit meeweegt in de belangenafweging’ (
randnummer 98).
samenmet hun kinderen wensen te worden gerepatrieerd (arrest onder 7.5). Over die uitleg van de vorderingen wordt in cassatie niet geklaagd. Hiervan uitgaande kunnen Eiseressen het hof niet verwijten dat het de gevaren die kunnen uitgaan van een eventuele repatriëring van de kinderen, tot op zekere hoogte heeft vereenzelvigd met de gevaren die kunnen uitgaan van een repatriëring van Eiseressen zelf. Een dergelijke vereenzelviging ligt immers besloten in de door Eiseressen (mede namens hun kinderen) gekozen inzet van dit geding. Het hof heeft de vorderingen ten aanzien van de kinderen dus niet afgewezen ‘omdat van hun moeders een veiligheidsrisico uitgaat’, maar omdat Eiseressen geen repatriëring van alleen de kinderen
hebben gevorderd. De klacht mist dus feitelijke grondslag omdat zij uitgaat van een verkeerde lezing van het bestreden oordeel.
randnummer 99).
doorslaggevendbehoren te zijn. Wel behoren die belangen
a primary considerationte zijn. [342] Dát heeft het hof niet miskend, nu het bij zijn belangenafweging uitdrukkelijk heeft vooropgesteld dat van de kinderen de ‘meest fundamentele belangen’ in het geding zijn (arrest onder 7.5), dat ‘zeker de kinderen’ aldus een ‘zeer groot belang’ hebben bij repatriëring (onder 7.6) en dat gelet hierop ‘de lat voor de Staat om de marginale toets te kunnen doorstaan navenant hoger ligt’ (onder 7.9).
randnummer 101). [343] Volgens Eiseressen heeft de Staat de door hem ingeroepen belangen slechts ‘marginaal onderbouwd’ (
randnummer 102). Eiseressen presenteren in dit verband een reeks van kanttekeningen bij (de feitelijke onderbouwing van) de door de Staat ingeroepen belangen (
randnummer 103 e.v.).
subonderdeel 5.4, dat zoals gezegd de inhoudelijke belangenafweging door het hof onder 7.4 e.v. ter discussie stelt. Het subonderdeel vangt aan met twee klachten die betrekking hebben op (A) de door
Eiseresseningeroepen belangen (
randnummers 107 e.v.). Hierop volgt een reeks klachten die betrekking hebben op (B) de door de
Staatingeroepen belangen (
randnummers 109 e.v.). Ten slotte richt het subonderdeel nog klachten tegen (C) de door het hof bereikte
conclusievan de belangenafweging (
randnummers 124 e.v.). Op één uitzondering na (in
randnummer 125) bevat het subonderdeel uitsluitend motiveringsklachten.
kinderengaat om ‘de belangen die de kinderen hebben bij leven, overleven en ontwikkeling’ en ten aanzien van
Eiseressen zelfom ‘fundamentele belangen, (…) waaronder hun belang bij vrijheid en veiligheid’. Eiseressen achten deze overweging onbegrijpelijk. Enerzijds betogen zij dat ook namens de
kindereneen beroep is gedaan op hun ‘vrijheid en veiligheid’. Anderzijds betogen zij dat ook namens
Eiseresseneen beroep is gedaan op hun ‘leven en overleven’ (
randnummer 107).
kinderenin het geding zijn, diezelfde belangen (voor zover van toepassing) ook ten aanzien van
Eiseressenin het geding zijn, en
vice versa. Eiseressen en hun kinderen bevinden zich immers in dezelfde ‘erbarmelijke omstandigheden’, waaraan het hof onder 7.5 refereert.
randnummer 108). [346] Onder 6.1 heeft het hof kennelijk de in dit geding meest belangrijke (want meest verstrekkende) verdragsbepalingen genoemd waarop Eiseressen zich ‘meer specifiek’ hebben beroepen, te weten art. 2, 3 en 5 EVRM enerzijds en art. 2 lid Pro 2, 3 en 6 IVRK anderzijds. Dit waren de verdragsbepalingen waarop het partijdebat was toegespitst. Het hof was, mede omdat het hier een kort geding betreft, niet gehouden om aan alle door Eiseressen genoemde verdragsbepalingen afzonderlijk te toetsen, temeer nu die verdragsbepalingen bij gebreke van rechtsmacht niet rechtstreeks van toepassing zijn (zie de bespreking van onderdeel 2). Eiseressen lichten overigens ook niet toe hoe en waarom een toetsing aan de
nietdoor het hof genoemde (minder verstrekkende) verdragsbepalingen tot een andere uitkomst had moeten leiden.
Staatingeroepen belangen (
randnummers 109 e.v.). Deze belangen – en ook de desbetreffende klachten – zijn drieërlei: het gaat om (i) het belang van de nationale veiligheid, (ii) het belang van de lokale veiligheidsrisico’s en (iii) het belang van de internationale betrekkingen.
randnummer 110). Deze klacht gaat uit van een verkeerde lezing van het bestreden oordeel. Ik werk dit uit.
individueelniveau kan een belangenafweging meerwaarde bieden ten opzichte van een algemene beoordeling van de rechtmatigheid van overheidsbeleid. Vergelijk hiervoor 5.23 e.v. Ook de hiervoor 6.46 e.v. besproken buitenlandse rechtspraak illustreert dat. Op dat individuele niveau kan bijvoorbeeld worden meegewogen hoe een uitreiziger in Syrië is beland, wat hij of zij daar heeft gedaan, of hij of zij een thuisfront in Nederland heeft, of een eventuele berechting in Nederland in het verschiet ligt, welk gevaar ná repatriëring (nog) van hem of haar uitgaat en in hoeverre repatriëring van déze uitreiziger onder de gegeven omstandigheden urgent, mogelijk en/of bezwaarlijk is. Toegespitst op de kinderen kan op individueel niveau worden onderzocht of een eventuele scheiding van ouder en kind – al dan niet met instemming van de betrokkenen – denkbaar is.
algemene belangenover en weer. Enerzijds heeft het hof geconstateerd dat eiseressen en hun kinderen een ‘zeer groot belang’ hebben bij terugkeer naar Nederland, gelet op de ‘erbarmelijke omstandigheden’ waarin zij verkeren. [347] Dat is een algemene constatering, die het hof bij gebreke van verdere feitelijke concretisering door eiseressen zelf niet nader (per individuele eiseres) heeft kunnen specificeren. Anderzijds heeft het hof geconstateerd dat het repatriëringsbeleid van de Staat berust op drie algemene belangen, te weten het belang van (i) de nationale veiligheid, (ii) de lokale veiligheidsrisico’s en (iii) de internationale betrekkingen (onder 7.7 e.v.). Ook dit zijn algemeenheden. Met name het onder (i) bedoelde belang van de nationale veiligheid weegt niet voor iedere eiseres (laat staan voor ieder kind) even zwaar: het betreft een heterogene groep.
gewichtdat het gerechtshof aan deze algemene belangen over en weer heeft toegekend, laat het arrest enige onduidelijkheid bestaan. De belangen van eiseressen noemt het hof zoals gezegd ‘zeer groot’. Met betrekking tot de belangen van de Staat gebruikt het hof terughoudender bewoordingen: belang (i) ‘kan al met al een zekere kracht niet worden ontzegd’ (onder 7.11), belang (ii) kan ‘niet als onjuist’ of ‘verwaarloosbaar’ worden gekwalificeerd (onder 7.12), belang (iii) komt ‘in ieder geval enige betekenis’ toe (onder 7.13). Kennelijk gebruikt het hof deze bewoordingen om tot uitdrukking te brengen dat het hof het door de Staat gevoerde uitreizigersbeleid terughoudend toetst, conform de rechtspraak van de Hoge Raad over de toetsing van overheidsbeleid op het gebied van buitenlandse politiek en defensie, welke rechtspraak het hof noemt onder 7.8.
nietterughalen van de vrouwen (ook) een gevaar voor de nationale veiligheid vormt’ (
randnummer 111). [349] Dit heeft het hof niet miskend, maar juist uitdrukkelijk benoemd onder 7.10 van zijn arrest. Daar overweegt het hof immers dat Eiseressen aanvoeren ‘dat de algemene opinie inmiddels is dat het beter is om de vrouwen terug te halen, omdat de vrouwen anders van de radar zouden verdwijnen en ongecontroleerd zouden kunnen terugkeren, met alle risico’s van dien’. Aansluitend overweegt het hof dat dit argument berust op ‘inschattingen’ en bovendien is ‘onderkend door de NCTV’, die daaraan ‘niet de gevolgtrekking heeft verbonden dat terugkeer vanuit veiligheidsoogpunt de voorkeur verdient’. Met deze overwegingen heeft het hof voldoende op de bedoelde stelling van Eiseressen gereageerd. Het hof heeft de onder 7.10 genoemde veiligheidsanalyse van de NCTV, als ter zake deskundige autoriteit, tot de zijne gemaakt en op die grond gewicht toegekend aan het belang van de nationale veiligheid, zulks in weerwil van de andersluidende stelling van Eiseressen. Een en ander is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de beperkte ruimte die in een kort geding bestaat voor bewijsgaring en feitenonderzoek.
randnummer 112). Deze klacht faalt op dezelfde gronden als de zojuist besproken klacht in randnummer 111.
kinderenwordt nog geklaagd dat het hof zou hebben miskend ‘dat het niet actief terughalen [van de kinderen] grotere risico’s meebrengt voor de nationale veiligheid dan het wel actief terughalen’ (
randnummer 113). Het hof heeft dit niet miskend, maar onder 7.11 juist benoemd. Daar overweegt het hof, onder verwijzing naar een door Eiseressen als productie 33 in het geding gebracht rapport van de NCTV, [350] ‘dat het niet terughalen van de kinderen meer risico’s voor de nationale veiligheid meebrengt aangezien kinderen als zij ouder worden meer vatbaar zijn voor jihadistische indoctrinatie’. Het hof heeft dit echter niet doorslaggevend geacht in het licht van een ándere vaststelling van de NCTV, te weten ‘dat met het terughalen van de kinderen de kans bestaat dat de ouders mee terugkomen’. Hieruit heeft het hof afgeleid ‘dat het gevaar oplevert om de kinderen terug te halen omdat dan ook hun gevaarlijk geachte ouders naar Nederland zullen komen’. Die gevolgtrekking is in lijn met het bedoelde NCTV-rapport en als zodanig niet onbegrijpelijk. Voor het overige faalt deze klacht op dezelfde gronden als de klacht in subonderdeel 5.1. [351]
randnummer 115). Eiseressen lichten niet toe waarom een kwestie van ‘praktische uitvoerbaarheid’ geen rechtens te respecteren belang zou kunnen zijn. Reeds daarom is de klacht tevergeefs voorgesteld.
randnummer 116), temeer nu voor repatriëring niet is vereist dat er Nederlandse ambtenaren naar het gebied worden gestuurd (
randnummer 117).
randnummers 118 e.v.uitsluitend (motiverings)klachten tegen de
eerstezelfstandig dragende grond (meer in het bijzonder de vierde volzin van alinea 7.13). Zij bestrijden niet de
tweedezelfstandig dragende grond. De betreffende klachten kunnen daarom bij gebrek aan belang onbesproken blijven. Zij behelzen, kort samengevat, een herhaling van het betoog van Eiseressen dat de Staat het belang van de internationale betrekkingen onvoldoende zou hebben onderbouwd. Dat betoog heeft het hof in het tweede gedeelte van alinea 7.13 (vanaf de zesde volzin) verworpen onder verwijzing naar een drietal manieren waarop de Staat het belang van de internationale betrekkingen heeft geconcretiseerd. Deze verwerping berust op een aan het hof voorbehouden waardering van de gedingstukken, die niet onbegrijpelijk is. Ten overvloede merk ik nog op dat het belang van de internationale betrekkingen, naar van algemene bekendheid is, ten dele onvermijdelijk een vertrouwelijk karakter draagt. [352] Ook daarom heeft het gerechtshof terecht van de Staat geen uitputtende onderbouwing van dit belang gevergd. [353]
randnummer 125). [354] Hierop voortbouwend klagen Eiseressen dat het hof onder 7.5 ‘slechts globaal’ verwijst naar hún belangen (
randnummer 126), terwijl het hof onder ‘tamelijk uitvoerig’ ingaat op de door de Staat ingeroepen belangen. Met zijn ‘generieke omschrijving’ van de ‘erbarmelijke omstandigheden’ waarin Eiseressen en hun kinderen verkeren, gaat het hof volgens Eiseressen voorbij aan hun ‘essentiële en onvoldoende gemotiveerd bestreden stelling’ dat zij ‘moord en marteling’ te vrezen hebben, als de kampen worden overgenomen door het regime van de Syrische president Assad. Het hof geeft er volgens Eiseressen geen blijk van te beseffen dat die ‘erbarmelijke omstandigheden’ neerkomen op een schending van ‘fundamentele mensenrechten’ (
randnummer 127).
individuelebelangen bij repatriëring (per Eiseres, respectievelijk per kind) en (iii) de volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geboden rechterlijke terughoudendheid in vraagstukken van buitenlands beleid en defensie, heeft het hof mijns inziens, op het
algemene niveauzoals in dit geding aan de orde, tot een belangenafweging in het voordeel van de Staat kunnen komen. Hierop stuiten de klachten af.
onderdeel 3.1, randnummer 47. De klacht dat het hof de ‘fundamentele mensenrechten’ van Eiseressen uit het oog zou zijn verloren, mist feitelijke grondslag. Het hof heeft die mensenrechten onder 7.5 uitdrukkelijk benoemd en (ook onder 7.6 en 7.9) als zwaarwegend aangemerkt.
onderdeel 1zijn hiervoor al grotendeels besproken in samenhang met de daarop voortbouwende klachten in de onderdelen 2 tot en met 5 (met verwijzing naar de desbetreffende randnummers in de voetnoten). Hier verdient nog vermelding dat Eiseressen in
randnummer 8een beroep doen op een ‘norm’ die zich zou hebben ontwikkeld in ‘de internationale publiekrechtelijke setting van de beide Kampen’, inhoudende ‘dat ieder van de Europese landen zijn eigen staatsburgers repatrieert’. [355] Uit mijn analyse in hoofdstuk 6 blijkt al dat ik geen aanknopingspunten heb kunnen vinden voor een dergelijke norm. [356] De Europese statenpraktijk wijst daar ook niet op. Het repatriëringsbeleid in andere Europese lidstaten stemt in hoofdlijn met de Nederlandse aanpak overeen. Repatriëring van onderdanen vindt alleen in
uitzonderingssituatiesplaats, met name waar het minderjarige (wees)kinderen betreft (hiervoor 3.25). Het beroep op deze beweerde ‘norm’ kan Eiseressen dus niet baten.
kort gedingbetreft (
randnummer 10). Deze klacht is kennelijk ingegeven door wat het hof onder 7.8 overweegt, namelijk dat ‘zeker in kort geding’ een grote mate van terughoudendheid is geboden. [357]
Joegoslavische militairen/Staat, [358] maar niet herhaald in het arrest
VJV c.s./Staat(dat overigens wel een kort geding betrof). [359] De ruimte voor rechterlijke toetsing van overheidsbeleid is in kort geding niet in materiële zin, maar wel in processuele zin beperkter, omdat in kort geding de mogelijkheden voor
bewijsgaring en feitenonderzoekbeperkter zijn (hiervoor 7.39). Zo beschouwd geeft de bestreden overweging van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
effective remedyals bedoeld in art. 13 EVRM Pro. Eiseressen koppelen hieraan geen specifieke klacht. Bij gebreke van rechtstreekse werking van de door Eiseressen ingeroepen EVRM-rechten (zie de bespreking van onderdeel 2), kan ook het beroep op art. 13 EVRM Pro Eiseressen niet baten.
onderdeel 6. Deze is gericht tegen het arrest van het hof onder 7.3, waar het hof oordeelt dat een aan mensenrechten gerelateerde zorgplicht van de Staat ‘hooguit kan worden aangenomen voor personen met de Nederlandse nationaliteit’. Eiseressen achten een dergelijk onderscheid tussen Nederlanders en niet-Nederlanders onjuist, mede in het licht van het door art. 8 EVRM Pro beschermde recht op
family life. De veronderstelling van het hof onder 7.3, dat Eiseressen het bedoelde onderscheid zelf ook ‘tot uitgangspunt nemen’, is volgens Eiseressen eveneens onjuist, althans onbegrijpelijk (
randnummer 130).
8.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
afgewekenvan deze vaste rechtspraak. [362]
subonderdeel 1.1betoogt de Staat dat de hier geboden terughoudendheid van dien aard is, dat het beleid van de Staat in vraagstukken van buitenlandse politiek en defensie slechts onrechtmatig kan worden geoordeeld indien dat beleid gegrond is op ‘willekeur’, indien daaraan ‘geen redelijke gronden’ ten grondslag liggen en/of indien ‘geen redelijk handelend kabinet’ tot dit beleid had kunnen komen. In
subonderdeel 1.2herhaalt de Staat dat de bestreden overwegingen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het hof hiermee doelt op een ‘andere, minder terughoudende toets’. Een en ander geldt volgens de Staat óók indien de belangen die aan de vordering tegen de Staat ten grondslag liggen, groot en/of fundamenteel van aard zijn (zoals het hof in dit geval ten aanzien van de belangen van Eiseressen heeft vastgesteld).
normbestaat die een bepaalde handelwijze van de overheid verbiedt. Ik verwijs naar mijn bespreking van subonderdeel 3.2 van het cassatiemiddel in het principaal beroep.
belangenvan Eiseressen die door deze grondrechten worden beschermd, heeft de Staat daartegen geen bezwaar, afgezien van de al besproken klachten over de rechterlijke toetsingsintensiteit (
subonderdeel 2.1). Voor zover het hof met die kwalificatie méér bedoelt dan het meewegen van grondrechten als belangen, verzet de Staat zich daartegen met het argument dat hij, bij gebreke van rechtsmacht, de grondrechten van Eiseressen niet kan waarborgen, zodat hij daartoe ook niet gehouden kan zijn, ook niet via het ‘indirect’ meewegen van deze grondrechten in het kader van de zorgvuldigheidstoetsing (
subonderdeel 2.2). Hierop voortbouwend verzet de Staat zich ook tegen de kwalificatie door het hof van ‘een aan grondrechten gerelateerde zorgplicht’ (arrest onder 7.3). Daarvan kan volgens de Staat bij gebreke van rechtsmacht geen sprake zijn. Althans is voor het aannemen van een dergelijke zorgplicht onvoldoende de enkele omstandigheid dat een (zich buiten de rechtsmacht van de Staat bevindende) persoon de
Nederlandse nationaliteitbezit, aldus de Staat (
subonderdeel 2.3).
belangendie meewegen in het kader van de zorgvuldigheidstoetsing. Een ‘aan grondrechten gerelateerde zorgplicht’ van de Staat voor een gebied waarin hij geen rechtsmacht heeft, ‘kan’ volgens het hof ‘hooguit’ worden aangenomen ten aanzien van personen met de Nederlandse nationaliteit (onder 7.3). Het hof heeft dus niet geoordeeld dat de
enkeleomstandigheid dat een onderdaan zich buiten de rechtsmacht van de Staat bevindt, voldoende is voor het aannemen van een dergelijke ‘zorgplicht’.
subonderdeel 2.3stelt de Staat ook nog een ander thema ter discussie, namelijk het recht op diplomatieke en/of consulaire bijstand. De Staat verzet zich tegen de overweging van het hof, dat Nederlanders in bepaalde gevallen ‘aanspraak’ kunnen maken op consulaire bijstand en/of diplomatieke bescherming van de Staat (arrest onder 4.2), en tegen de kwalificatie hiervan als ‘rechten/aanspraken’ (onder 7.3). Volgens de Staat miskent het hof hiermee dat Nederlandse staatsburgers ‘geen recht op diplomatieke bescherming door de Staat, noch een recht op consulaire bijstand’ hebben.
samenmet hun kinderen wensen te worden gerepatrieerd. Hij baseert het gevaar voor de nationale veiligheid dan ook op ‘het gevaar dat van Eiseressen tot cassatie zélf uitgaat als zij samen met hun kinderen zouden terugkeren’ (
subonderdeel 3.1). Verder merkt de Staat nog op dat de onder 7.11 genoemde productie 33 van Eiseressen geen ‘rapport’ van de NCTV is, en ook niet ‘gebaseerd op de onder 7.10 genoemde NCTV-analyse’, zoals het hof overweegt, maar een ‘memo’ naar aanleiding van een ‘brainstormsessie’. Voor zover het hof aan die productie heeft ontleend dat het standpunt van de Staat ten aanzien van de nationale veiligheid ‘uitsluitend of in hoofdzaak is gebaseerd op het risico bij eventuele terugkeer van (alleen) de kinderen’, is het hof volgens de Staat uitgegaan van een onbegrijpelijke, want te beperkte uitleg van dat standpunt (
subonderdeel 3.2).
samenmet hun kinderen worden gerepatrieerd.