ECLI:NL:HR:2020:1200
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Kosten invordering bij versnelde belastingaanslag en dwangbevel
De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag over de aan belanghebbende in rekening gebrachte kosten van vervolging bij versnelde invordering van zes belastingaanslagen.
De ontvanger had op 27 februari 2018 een dwangbevel uitgevaardigd en kosten van € 12.197 in rekening gebracht, direct na betekening van de aanslagen. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende gelegenheid had gekregen om de belastingschuld te voldoen en dat de kosten daarom ten onrechte waren opgelegd.
De Hoge Raad stelt dat kosten pas in rekening mogen worden gebracht als degene aan wie de aanslag is betekend in gebreke is gebleven na een redelijke betalingstermijn. Bij versnelde invordering met een dwangbevel is een termijn van twee dagen in beginsel redelijk. Omdat de kosten in deze zaak werden opgelegd voordat deze termijn was verstreken, vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en bevestigt de uitspraak op bezwaar.
De Hoge Raad wijst tevens op het onderscheid tussen de beoordeling van de rechtmatigheid van versnelde invordering, die niet door de belastingrechter maar door de burgerlijke rechter moet worden beoordeeld. De proceskosten worden niet aan de verliezende partij opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt dat kosten pas verschuldigd zijn na het verstrijken van een redelijke betalingstermijn van twee dagen.