Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel in verband met de opgevraagde verklaring van de griffier niet wordt gehandhaafd en dat een nieuw middel, dat als derde middel wordt aangeduid, wordt voorgesteld.
derde) middel moet evenwel buiten bespreking blijven omdat kennisneming van de toegezonden verklaring van de griffier voor het opstellen van het in de aanvullende schriftuur geformuleerde middel niet onontbeerlijk was. [2] Voor de uitkomst van de zaak maakt dat overigens geen verschil, gelet op hetgeen Uw Raad inmiddels ambtshalve heeft geoordeeld in genoemde zaak waarin A-G Harteveld heeft geconcludeerd (HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914).
tweedemiddel klaagt dat de verwerping van het verweer en de beslissingen van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de schadevergoedingsmaatregel tekortschieten in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, met name nu hieruit niet, althans onvoldoende, zou volgen dat het hof heeft vastgesteld dat en waarom de deelneming aan de gedragingen in groepsverband de verdachte kan worden toegerekend. Voordat ik overga tot de bespreking van het middel geef ik de bewezenverklaring, de bewijsvoering, het in hoger beroep gevoerde verweer en de overwegingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij weer.
welk geweld bestond uit het
- van de fiets trekken van die [slachtoffer 2] en
- slaan/stompen op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] en
- duwen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] waardoor die [slachtoffer 2] weer op de grond valt en
- schoppen tegen het hoofd, van die [slachtoffer 2] , terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag en
- schoppen/trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] , ook terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag en
- springen op het hoofd van die [slachtoffer 1] , terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag.’
NJ2018/476 m.nt. Vellinga. Hofstee beschrijft daarin dat de civielrechtelijke literatuur een viertal vereisten onderscheidt waaraan voor de toepassing van art. 6:166, eerste lid, BW moet zijn voldaan (randnummer 9):
(BFK: kan)worden toegerekend, terwijl verdachte heeft aangevoerd dat en waarom het niet redelijk is dat dit aan hem wordt toegerekend, nu hij het jegens (
BFK: [slachtoffer 1]) gepleegde geweld niet heeft waargenomen en pas nadien gedragingen heeft verricht waarbij hij in de veronderstelling verkeerde dat zijn vrienden in de problemen verkeerden en verdachte zijn vrienden wenste te beschermen en de deelneming aan de gedragingen juist heeft gestaakt op het moment dat hij zich bewust werd van de onjuistheid van die veronderstelling.’