ECLI:NL:HR:2020:1235
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt premieplicht volksverzekeringen voor rijnvarende op grond van Rijnvarendenovereenkomst
Belanghebbende stelde in zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2013 en 2014 vrijstelling te willen voor de premie volksverzekeringen vanwege zijn loon uit Luxemburg. De Inspecteur verleende slechts gedeeltelijk vrijstelling voor het jaar 2014 en niet voor 2013.
Het geschil betrof of belanghebbende in de betreffende periode in Nederland verzekerd en premieplichtig was. Het Hof oordeelde dat belanghebbende als rijnvarende valt onder de Rijnvarendenovereenkomst en dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is, omdat de onderneming waartoe het schip behoort in Nederland is gevestigd. De Inspecteur was bevoegd de premieplicht vast te stellen en hoefde niet de procedure van artikel 16 van Pro de Toepassingsverordening te volgen, omdat de Rijnvarendenovereenkomst uitzonderingen bevat op artikel 13 van Pro de Basisverordening.
Belanghebbendes beroep dat er sprake was van dubbele heffing en dat artikel 16 Basisverordening Pro toegepast moest worden, werd door het Hof verworpen. De Hoge Raad onderschreef dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de premieplicht voor de volksverzekeringen wordt bevestigd.