Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
10 juli 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een civiel geschil tussen twee broers over de vraag of bepaalde betalingen en schenkingen van hun vader aan de jongste zoon en diens partner zijn gedaan onder misbruik van omstandigheden. De vader, afkomstig uit een vermogende familie, had gezondheidsproblemen en beperkte financiële interesse. In de periode 2008-2009 ontving hij een groot Zwitsers legaat dat vrijwel geheel werd besteed aan betalingen aan de jongste zoon en diens partner, onder meer voor de renovatie van een landhuis.
De rechtbank oordeelde dat slechts een deel van de betalingen als schenking door misbruik van omstandigheden kon worden aangemerkt. Het hof vernietigde dit oordeel deels en veroordeelde de jongste zoon en diens partner tot betaling van een hoger bedrag. In hoger beroep stelde het hof dat de vader de bewijslast droeg voor misbruik van omstandigheden, wat de vader betwistte.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof omdat het oordeel over de bewijslastverdeling onvoldoende is gemotiveerd en het hof niet heeft gereageerd op alle griefpunten, waaronder een bedrag van €150.000,--. De zaak wordt verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling. De Hoge Raad benadrukt dat de bewijslastregel van art. 7:176 BW Pro alleen mag worden afgeweken indien dit goed is gemotiveerd en in overeenstemming is met redelijkheid en billijkheid.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.