Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
zelfstandigfeiten heeft vastgesteld, in afwijking van de door de rechtbank vastgestelde feiten. Ik leg hierna onder 3.23 uit waarom ik meen dat dit ten onrechte is.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
gemanipuleerd, vergist zich dus deerlijk.
schenkerzelf was die de uitvoeringshandelingen had verricht, en wel uit vrijgevigheid. [15] Ik merk nog op dat het Duitse, Franse en Belgische recht het vormvereiste van een notariële akte tot op de dag van vandaag kennen. [16] Opmerkelijk is verder dat bij de receptie van het Nederlandse Nieuw BW in de andere landen van het Koninkrijk ervoor gekozen is om het vormvereiste van een notariële akte te handhaven en wel met een beroep op ‘de maatschappelijke verhoudingen hier te lande’. [17]
eigen onnadenkendheid of overijling. Het wilsgebrek misbruik van omstandigheden zou dit moeten waarborgen. Het spreekt vanzelf dat deze gedachtegang van de wetgever veronderstelt dat de maatlat voor de kwalificatie ‘misbruik’ in gevallen van schenking relatief laag behoort te worden gelegd.
donationin een bewijslastomkering en wel zonder dat een mogelijkheid van ‘omkering van de omkering’ wordt benoemd. De
commentsop de bepaling benoemen nadrukkelijk dat met de bewijslastomkering bedoeld is om begiftigden af te schrikken om in dubieuze gevallen een schenking te aanvaarden: [23]
commentsvermelden als een voorbeeld waarin de begiftigde zal slagen in het tegenbewijs tegen het wettelijk vermoeden van misbruik: ‘a normal birthday present’.
estate planningzelfs veelvuldig door professionals geadviseerd. De teneur is echter duidelijk: ook in internationaal verband bestaat er zorg over de bescherming van schenkers die zich in een kwetsbare positie bevinden. Die zorg leidt in vele landen tot (handhaving van) een vormvereiste voor schenking van een notariële akte. In het stelsel van het Nederlandse recht en het DCFR wordt de schenker beschermd door een bewijslastomkering wat betreft het wilsgebrek van misbruik van omstandigheden. Daarbij biedt het Nederlandse recht de begiftigde bovendien een alternatief, namelijk om toch de gang naar een notaris te maken. In dat geval geldt de bijzondere regel van bewijslastverdeling niet. Het spreekt vanzelf dat daarbij de veronderstelling van de wetgever is dat de notaris de schenker en de begiftigde kritische vragen zal stellen, ook met het oog op het risico van onnadenkendheid of overijling aan de zijde van de schenker. Die vragen zullen, lijkt me, niet alleen gaan over de verhouding tussen schenker en begiftigde, maar ook over de vermogenspositie van de schenker, de vraag of de schenker (andere) kinderen heeft, enzovoort. Ik meen dat een behoorlijke taakvervulling door de notaris in veel gevallen mee zal brengen dat hij de begiftigde ook buiten de aanwezigheid van de begiftigde spreekt. Blijft de schenker bij zijn voornemen en wordt de schenking inderdaad notarieel vastgelegd, dan is een later beroep op misbruik van omstandigheden weliswaar niet onmogelijk, maar het slagen daarvan wel aanzienlijk minder waarschijnlijk. In de eerste plaats geldt geen bewijslastomkering. In de tweede plaats ligt het voor de hand om in de notariële bemoeienis een min of meer gewichtige aanwijzing te zien dat de schenker weloverwogen tot zijn besluit is gekomen.
nietklaagt. Eenvoudigheidshalve begin ik daarmee. Ter voorkoming van misverstanden nog: hoewel sprake is van een schuldbetekenis voor een bedrag van € 351.225,60 en de schuldbetekenis een specificatie kent (die behalve naar het verblijf van de vader bij de jongste zoon en diens partner naar nog tal van andere gebeurtenissen tussen de partijen verwijst), [24] is niet in geschil dat het in werkelijkheid een schenking betreft. [25]
welke (door de broer gestelde) feitendeze afwijking van de hoofdregel van art. 7:176 BW Pro rechtvaardigen.
ambtshalvede bewijslastomkering van de hoofdregel van art. 7:176 BW Pro ongedaan te maken, of op andere feitelijke gronden dan door de begiftigde zijn aangevoerd. In de onderhavige zaak hebben de jongste zoon en diens partner mijns inziens geen (gemotiveerd) beroep gedaan op de uitzondering. Ik ben zo’n beroep althans niet tegengekomen in de gedingstukken. Wel is in de verzetdagvaarding onder 120 en 130 zonder omhaal te lezen dat de bewijslast van misbruik van omstandigheden op de vader rust, maar dat kan uiteraard niet gelden als een gemotiveerd beroep op de uitzondering. Ik merk nog op dat hetzelfde processtuk onder 104 ook een passage bevat waaruit lijkt te volgen dat de jongste zoon en zijn partner de op hen conform de hoofdregel van art. 7:176 BW Pro rustende bewijslast juist aanvaardden. [27] Kortom, het hof is met zijn beslissing om de ‘omkering om te keren’ buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen getreden. Een
duidelijkeklacht in deze zin lees ik in het cassatiemiddel niet. De strekking (en herhaalde formulering) van onderdeel I is dat de door het hof gebezigde
motiveringende ‘omkering van de omkering’ niet kunnen rechtvaardigen. Een welwillende lezing van het onderdeel onder I.5 laatste alinea levert eventueel iets anders op. Daar klaagt de steller van het onderdeel dat de motivering van het hof in strijd is met de eigen stelling van de jongste zoon en diens partner ter comparitie in eerste aanleg dat zij de ‘challenge van een eventuele omkering van de bewijslast overigens best aandurven door getuigenverklaringen’, [28] alsook in strijd met door de jongste zoon en diens partner in eerste aanleg en in hoger beroep gedane bewijsaanbiedingen; dat zij ter zake van de schenking in bewijsnood verkeren, hebben zij volgens klacht in het geheel niet betoogd. Hierin kan worden gelezen de klacht dat het hof de uitzondering van art. 7:176 BW Pro heeft toegepast, zonder dat hierop door de begiftigden een beroep was gedaan. Uitgaande van die lezing, slaagt deze klacht.
zelfstandigheeft vastgesteld, volgens hun kennelijke bedoeling geheel of gedeeltelijk in afwijking van de door de rechtbank vastgestelde feiten. Daarnaast voeren zij aan dat het hof tot een andere
waarderingvan de feiten kan komen of andere gevolgtrekkingen uit de feiten kan maken dan de rechtbank. Dit laatste is uiteraard juist, zij het dat die andere waardering dan wel begrijpelijk moet zijn, alsook verenigbaar met de juiste opvatting van het recht. Het eerste (het hof heeft zelfstandig de feiten vastgesteld) is een lezing die ik niet kan delen. Het is wezenlijk, zowel voor partijen als voor een hogere rechter, dat duidelijk is van welke feiten de rechter bij zijn oordeel als vaststaand is uitgegaan (vergelijk art. 230 lid 1 onder Pro e Rv). Daarmee is niet verenigbaar een lezing volgens welke het hof, dat in zijn arrest van 11 augustus 2015 uitdrukkelijk had laten weten van dezelfde feiten uit te gaan als de rechtbank, daarvan in een volgend arrest stilzwijgend zou zijn teruggekomen. Bovendien voert het onderdeel onder I.1 terecht aan dat voor zover het hof niet van die feiten is uitgegaan, het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, omdat de jongste zoon en diens partner in hoger beroep tegen de feitenvaststelling door de rechtbank geen bezwaar hebben gemaakt, maar daarop integendeel (deels) hebben voortgeborduurd. [29] Zo is door hen uiteengezet dat de vader een bescheiden inkomen had en in moeilijke financiële omstandigheden verkeerde (waarin zij hem behulpzaam waren), [30] dat de vader bij hen verbleef en warmte en hartelijkheid ontving (en daarvoor iets terug wilde doen) [31] en dat de vader aan suikerziekte leed, in een slechte lichamelijke conditie verkeerde en zijn kortetermijngeheugen slecht was (in tegenstelling tot zijn langetermijngeheugen). [32]
onverplichtaan de vader bewijs heeft opgedragen. Ik zie onvoldoende aanknopingspunten voor die lezing. De strekking van rechtsoverweging 35 is, in samenhang met de erop volgende rechtsoverweging 36, klaarblijkelijk dat het hof misbruik van omstandigheden onwaarschijnlijk achtte, een geval dat – ervan uitgaande dat daarop door de begiftigde een beroep is gedaan – op zichzelf inderdaad reden kan zijn voor een ‘omkering van de omkering’. [33]
zelfheeft kunnen waarnemen, namelijk ‘dat niet kan worden geoordeeld dat er misbruik is gemaakt door opposanten van omstandigheden’. Ik meen echter dat uit rechtsoverweging 18 van het eindarrest volgt dat deze lezing niet juist is en dat het hof slechts heeft geoordeeld dat de vader het hem opgedragen bewijs niet heeft geleverd (‘Niet is komen vast te staan dat er sprake is van misbruik van omstandigheden…’) en het meerdere in het midden heeft willen laten (naar volgt uit gebruik van het woordje ‘
lijkt’in wat volgt: ‘…uit de bewijsmiddelen die door de opposanten zijn aangedragen lijkt eerder het tegendeel te volgen).
Onderdeel Vonder V.3 klaagt er terecht over dat de verwijzing door het hof naar wat het ter zitting heeft waargenomen onvoldoende inzicht geeft in de gedachtegang van het hof. Het hof diende behoorlijk te omschrijven wát het ter zitting had waargenomen. Uiteraard kan niet juist zijn wat het arrest van het hof naar de letter zegt, namelijk dat het hof
ter zitting(dus tijdens de pleitzittingen op 15 juli 2016 en 11 januari 2017 en/of bij gelegenheid van de getuigenverhoren op 1 februari 2018) zelf heeft waargenomen dat door de jongste zoon en zijn partner geen misbruik van omstandigheden
is gemaakt(in 2008). Ook klaagt hetzelfde onderdeel onder V.2 mijns inziens terecht erover dat het hof in zijn eindarrest, bij de bespreking van de getuigenverklaringen, geen kenbare aandacht heeft besteed aan het belang van (1) de omstandigheid dat de vader weinig financieel inzicht en overzicht had en gemakkelijk schulden maakte (hiervoor onder 2.1 sub ii); (2) het verzoek van beide zonen tot onderbewindstelling in 2007 (idem); en (3) zijn gezondheidsproblemen (idem), en het aan een en ander verbonden gevaar van (financieel) misbruik van onder meer de afhankelijkheid van de vader van de jongste zoon en diens partner (hiervoor onder 2.1 sub iii), in het bijzonder ter zake van de schenkingen.