De zaak betreft een cassatieberoep van een werkneemster tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met Woningstichting Vechtdal Wonen (BWV). Het geschil draait om een verzoek tot herroeping van de ontbindingsbeschikking op grond van bedrog, zoals bedoeld in artikel 382, onder a, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar eerdere uitspraken van de kantonrechter te Zwolle en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Na beoordeling van de klachten over de beschikking van het hof concludeert de Hoge Raad dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van de beschikking. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en veroordeelt de werkneemster in de kosten van het geding in cassatie, begroot op een bedrag van € 2.679,07. De beschikking is uitgesproken door de raadsheren en in het openbaar bekendgemaakt op 10 juli 2020.