Conclusie
advocaat: mr. J. den Hoed
advocaat: mr. J.P. van den Berg
1.Feiten en procesverloop
de [A] vennootschappen, failliet verklaard met benoeming van de curator als zodanig.
de VSO). [5] Daarin zijn partijen overeengekomen dat [eiser] een bedrag van € 750.000 aan de curator zal betalen, en wel in een termijn van € 450.000 bij ondertekening van de VSO en een termijn van € 300.000, te betalen uiterlijk één jaar vanaf de dag van ondertekening.
het voorliggende arrest). [eiser] heeft geconcludeerd dat het hof het arrest van 17 mei 2016 zal herroepen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog de vorderingen van de curator zal afwijzen, met veroordeling van de curator in de kosten. [7]
primairdat het voorliggende arrest berust op bedrog door de curator in het geding gepleegd als bedoeld in art. 382 aanhef Pro en
sub aRv, en
primairegrondslag van de herroepingsvordering heeft het hof in het bestreden arrest – samengevat – geoordeeld dat hetgeen [eiser] heeft gesteld onvoldoende is voor het oordeel dat de curator bedrog in het geding in de zin van art. 382, aanhef en sub a, Rv heeft gepleegd (rov. 3.6).
subsidiairegrondslag van de herroepingsvordering heeft het hof geoordeeld dat de stukken waarop [eiser] zijn vordering baseert geen stukken van beslissende aard zijn (rov. 3.10-3.11) en niet door toedoen van de curator zijn achtergehouden (rov. 3.12-3.13).
2.Juridisch kader: herroeping
processueel causaal verbandzijn tussen de als grond voor herroeping aangewezen gedragingen of feiten en de als gevolg daarvan in twijfel getrokken juistheid van de in de uitspraak aangenomen feiten althans van de totstandkoming van het desbetreffende oordeel, en vervolgens tussen de aldus in twijfel getrokken feiten en de daarop genomen beslissing. Als de feiten en omstandigheden die grond kunnen opleveren voor herroeping in het gegeven geval van dien aard waren dat gezegd kan worden dat zij de (totstandkoming van de) beslissing daadwerkelijk hebben beïnvloed, dan is het vereiste verband gegeven. Een vordering tot herroeping zal echter niet slagen als de daaraan ten grondslag gelegde grond(en) slechts één van de pijlers treft, waarop de besteden uitspraak rust, en een of meer van de andere, die de uitspraak op zichzelf kan of kunnen dragen, intact laat. [19] Voorts is geen sprake van in het licht van art. 382 Rv Pro voldoende verband als de wederpartij in de desbetreffende instantie heeft nagelaten gepleegd bedrog, een overgelegde (valse) akte, althans de feiten die de ander beoogde aldus ingang te doen vinden, te ontzenuwen of te controleren, hoewel dit wel mogelijk was. [20]
lites finiri oportet). De rechtvaardigheid stelt daartegenover dat een uitspraak ook dan slechts met een dergelijke binding mag worden bekleed, indien deze niet voor een der partijen ten onrechte op enig punt nadelig is gewezen of tot stand gekomen. Niet elke onrechtvaardigheid kan echter aanleiding zijn de verworven bindende kracht te doorbreken. Het moet gaan om ernstige inbreuken op de rechtvaardigheid. Dit is niet het geval als de klagende partij in het omstreden geding voldoende gelegenheid heeft gehad ter zake verweer te voeren en – zo nodig – bewijs te leveren, maar dit niet is gebeurd. [21]
sub a, Rv kan een arrest worden herroepen indien het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd.
sub c, Rv kan een arrest ook worden herroepen indien de vorderende partij na het arrest stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.
'culpa') voldoende. [33] Ook bij een ‘nalaten’ of een ‘niet doen’ kan van een toedoen als in art. 382 sub c Rv Pro bedoeld worden gesproken. [34]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1 t/m 3hebben betrekking op de
subsidiairegrondslag van de herroepingsvordering, dat stukken van beslissende aard door toedoen van de wederpartij zijn achtergehouden (art. 382, aanhef en sub c, Rv). Daarvan zijn de
onderdelen 1 en 2gericht tegen rov. 3.13, waarin het hof heeft geoordeeld dat de betreffende stukken niet door toedoen van de curator zijn achtergehouden, terwijl
onderdeel 3zich keert tegen het oordeel van het hof in rov. 3.11, dat de stukken waarop [eiser] zijn herroepingsvordering baseert niet van beslissende aard zijn.
Onderdeel 4heeft betrekking op de
primairegrondslag van de herroepingsvordering en richt zich tegen rov. 3.6 van het bestreden arrest, waarin het hof heeft geoordeeld dat het betoog van [eiser] onvoldoende is voor het oordeel dat de curator bedrog heeft gepleegd in de zin van art. 382, aanhef en sub a, Rv.
de oorspronkelijke procedure.
subonderdelen 4a en 4bhebben betrekking op het oordeel van het hof (rov. 3.6, 3e t/m 5e volzin) dat waar [eiser] zich beroept op een stelling van de curator dat de administratie deels vernietigd was, deze mededeling is gebaseerd op een verklaring van het hoofd administratie van de [A] vennootschappen dat de digitale administratie grotendeels is gewist, zodat die mededeling niet kan dienen ter staving van stellingen over achtergehouden fysieke stukken.
“ [eiser] zich – onder verwijzing naar de in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 17 mei 2016 zijdens de curator ingenomen stellingen – beroept op een gedeeltelijke vernietiging van de ‘fysieke administratie van [A5] ’.” [40] Uit de s.t. (nr. 5.2) leid ik af dat met deze klacht is bedoeld dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat [eiser] heeft gesteld dat de curator in de oorspronkelijke procedure ten onrechte het hof heeft voorgehouden dat de fysieke administratie ten dele zou zijn vernietigd.
subonderdeel 4bbehoefde dit oordeel van het hof in rov. 3.6 nadere motivering, gelet op de stellingen van [eiser] dat de door de curator gestelde vernietiging van de administratie een onwaarheid was, omdat de fysieke administratie nagenoeg volledig in tact bleek te zijn, [41] en de curator zelf ook wist wel degelijk over een complete administratie te beschikken. [42]
productie 4). Dat de digitale administratie over 2005 immer in het bezit van de curator was en toegankelijk was, is [eiser] eerst ook op 25 januari 2019 gebleken. Naar [eiser] thans is gebleken is deze fysieke administratie – die (door de Curator) extern was opgeslagen – nagenoeg volledig intact. (…)”
Ik weet wel dat ik overzichten, excel bestanden, op de computer van [A4] had, waarop de grootte en de samenstelling van de schuld aan BMW stond. Het eerste overzicht heb ik, naar ik meen in januari/februari 2006 van een medewerker van BMW, [betrokkene 2] , gekregen. Deze bestanden zijn verloren gegaan doordat de server is gedeleet. Dat is gebeurd nadat ik weg was. Het zat op het computernetwerk van [A] . Ik weet nog dat ik op een gegeven moment, in meen in april 2006, nog een eigen bestand wilde kopiëren. De computers stonden er nog wel, maar de server was gewist.”
digitale administratiegrotendeels is gewist (MvG, nr. 34), en dat deze stelling derhalve niet kan dienen ter onderbouwing van de stelling van [eiser] dat de curator ten onrechte
fysieke stukkenheeft achtergehouden. Het hof hoefde dit oordeel niet nader te motiveren.
in de eerste plaats(p.i., nr. 6.6) tegen de overweging van het hof in rov. 3.6 dat ook voor het oordeel dat de curator anderszins bedrog in het geding heeft gepleegd als bedoeld in art. 382 aanhef Pro en sub a Rv, het betoog van [eiser] niet volstaat. Volgens het subonderdeel getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het hof daarmee heeft geoordeeld dat van bedrog aan de zijde van de curator geen sprake is,
omdat hij zich verliet op een verklaring van [betrokkene 1]. Deze verklaring ontsloeg de curator immers niet van zijn verplichting om zelfstandig na te gaan of de administratie inderdaad ten dele was vernietigd. Voorts getuigt het oordeel volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting, indien het hof heeft miskend dat de betreffende verklaring van [betrokkene 1] voor risico van de curator komt.
in de eerste plaatsgeoordeeld dat [eiser] met zijn uiteenzetting onvoldoende heeft toegelicht dat de curator bedrog heeft gepleegd
door feiten te verzwijgen die tot een voor hem gunstige afloop van de procedure zouden hebben kunnen leiden. Daarmee heeft het hof kennelijk het oog gehad op de overweging van uw Raad in het arrest
Goosen/Goosen [46] (zie het juridisch kader hiervoor onder 2.10), dat van bedrog reeds sprake is wanneer een partij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de tegenpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden, en dat dit zich onder meer kan voordoen wanneer een partij feiten verzwijgt, terwijl zij wist of behoorde te weten dat de tegenpartij niet met die feiten bekend was of redelijkerwijs bekend behoorde te zijn.
In dit kaderheeft het hof geoordeeld dat de stelling van [eiser] , dat de curator in de oorspronkelijke procedure ten onrechte zou hebben aangevoerd dat de administratie deels vernietigd is, geen rol kan spelen, omdat die stelling van de curator kennelijk zag op de gedeeltelijke vernietiging van de digitale administratie, terwijl [eiser] zijn herroepingsvordering baseert op stukken uit de fysieke administratie.
Vervolgensheeft het hof in rov. 3.6 geoordeeld dat het betoog van [eiser] ook niet volstaat voor het oordeel dat de curator
anderszinsbedrog in het geding heeft gepleegd (dus anders dan door het verzwijgen van feiten). Dit laatste oordeel van het hof is niet gebaseerd op de verklaring van [betrokkene 1] .
subonderdeel 4c(p.i., nrs. 6.8-6.10) zich tegen de overweging van het hof in het slot van rov. 3.6, dat dit te meer klemt omdat – kort gezegd – [eiser] bekend was met de administratie, aangezien hij in het door hem begeleide saneringstraject de administratie heeft onderzocht en hij de curator destijds toegang tot de fysieke administratie heeft verschaft. Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel van het hof niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel liet de curator [eiser] niet tot de bewuste informatie toe [47] en betreft het een enorme hoeveelheid documenten. [48] [eiser] diende voor zijn verdediging tegen de vordering van de curator over de administratie te kunnen beschikken, al was het maar om de desbetreffende stukken in het geding te kunnen brengen. [49] Het hof heeft in het arrest van 17 mei 2016 (rov. 3.11 en 3.15) immers overwogen dat [eiser] , nu hij geen documentatie overlegde waarmee zijn bezwaren tegen de belastingaanslagen zouden kunnen worden onderbouwd, niet aan zijn substantiëringsplicht voldeed, aldus het subonderdeel.
“dat klemt temeer”), zodat de tegen deze overweging gerichte klacht faalt bij gebrek aan belang.
door het achterhouden van stukken uit de (fysieke) administratie, waarde heeft gehecht aan de – op zichzelf in cassatie niet bestreden – omstandigheid dat [eiser] tijdens het door hem begeleide saneringstraject toegang had tot de administratie van de [A] vennootschappen en deze administratie heeft onderzocht. Een vordering tot herroeping kan immers niet met succes worden ingesteld tegen een uitspraak die mede berust op door de wederpartij gepleegd bedrog, indien het bedrog reeds tijdens de voorafgaande procedure is ontdekt of bij een redelijkerwijs van de bedrogene te verwachten onderzoek had kunnen worden ontdekt (zie het juridisch kader hiervoor onder 2.12).
[eiser] heeft betwist dat de belastingschuld onaantastbaar is, met een beroep op (toepassing naar analogie van) het oordeel van de Hoge Raad van 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2722.Dat arrest betreft een zaak waarin een bestuurder in persoon door de ontvanger werd aangesproken uit hoofde van een belastingschuld van de gefailleerde vennootschap. Die schuld was door de rechtbank onherroepelijk vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde, onder verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van art. 49, lid 7, Invorderingswet 1990, dat die bepaling niet eraan in de weg staat dat de door de ontvanger aansprakelijk gestelde bestuurder, in een procedure betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling voor een belastingaanslag, feiten en omstandigheden betreffende die aanslag aanvoert die niet eerder aan de belastingrechter zijn voorgelegd of waarover die rechter geen onherroepelijke uitspraak heeft gedaan.
Dat oordeel laat onverlet dat in de verhouding tussen de ontvanger en de gefailleerde vennootschap de vaststelling van de belastingschuld formele rechtskracht had gekregen. De onderhavige zaak betreft een civielrechtelijke vordering, ingesteld door de curator jegens [eiser] , tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad ten behoeve van de gezamenlijke faillissementscrediteuren (een zogenaamde Peeters/Gatzen-vordering) en van de vennootschappen zelf. Het gaat niet om een - publiekrechtelijke - aansprakelijkstelling door de ontvanger ingevolge de Invorderingswet 1990 van [eiser] als bestuurder van de gefailleerde vennootschappen. Het arrest van 2 december 2016 strekt ertoe dat de door de ontvanger aangesproken bestuurder in zijn verdediging jegens de ontvanger niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat de belastingschuld in de relatie tussen de ontvanger en de vennootschap formele rechtskracht heeft verkregen.
Die strekking brengt niet mee, dat in de onderhavige zaak de curator de vaststelling van de omzetbelasting, die in de verhouding tussen de ontvanger en de gefailleerde [A] vennootschappen formele rechtskracht heeft, namens die vennootschappen zou kunnen aantasten, met een beroep op feiten en omstandigheden die niet zijn betrokken in die vaststelling.Dat de curator de belastingaanslagen in de verhouding tot de ontvanger met succes had kunnen aanvechten ofschoon deze reeds vóór de faillissementen formele rechtskracht hadden gekregen, is gesteld noch gebleken. Dit betekent dat de stukken waarop [eiser] zijn herroepingsvordering baseert in de procedure die heeft geleid tot het voorliggende arrest van 17 mei 2016 niet zouden hebben kunnen leiden tot het oordeel dat de omzetbelastingschuld niet bestond. De aangetroffen stukken zouden de uitspraak van 17 mei 2016 daarom niet anders hebben doen uitvallen als zij in die procedure aan het hof bekend zouden zijn geweest. Zij zijn derhalve niet van beslissende aard zoals bedoeld in art. 382 aanhef Pro en sub c Rv. De (subsidiaire) vordering tot herroeping stuit reeds daarop af.”
de formele rechtskracht van de tegen de vennootschappen gerichte aanslagen ook heeft te gelden tegenover [eiser] , of tevens kan worden ingeroepen tegen [eiser]. De formele rechtskracht van de aanslagen geldt immers enkel tegenover de rechtspersonen waaraan de aanslagen zijn opgelegd, althans neemt niet het recht weg van [eiser] om de juistheid van deze aanslagen ter discussie te stellen in een tegen hem door de curator ingestelde Peeters/Gatzen-vordering, aldus het subonderdeel. [50]
subonderdeel 3bgaat het hof, voor zover het oordeelt dat [eiser] niet het recht toekomt zich tegen de aanslagen te verzetten, bovendien uit van een onjuiste rechtsopvatting, omdat dit oordeel zich niet verdraagt met art. 6 EVRM Pro. [51] Als [eiser] wordt aangesproken uit een Peeters/Gatzen-vordering voor door de rechtspersonen onbetaald gelaten belastingaanslagen, terwijl hij als derde geen mogelijkheid had die belastingaanslagen aan te vechten, moet hij de gelegenheid hebben zich tegen die aanslagen te verzetten, althans de juistheid hiervan te betwisten.
subonderdelen 3c en 3dklagen (samengevat) dat het hof in rov. 3.11 uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het hof daarin oordeelt dat [eiser] in de tegen hem gevoerde procedure niet zijn bezwaren tegen de opgelegde aanslagen aan de rechter kan voorleggen (subonderdeel 3c), dan wel dat het beroep op het arrest van 2 december 2016 niet opgaat (subonderdeel 3d),
op de grond dat de Ontvanger hem niet zelf (rechtstreeks) aanspreekt ter zake de door de rechtspersonen onbetaald gelaten aanslagen.Volgens de subonderdelen is niet van (beslissend) belang of de Ontvanger [eiser] zelf aanspreekt (uit hoofde van een publiekrechtelijke aansprakelijkheid), of dat [eiser] voor dezelfde schuld langs een andere – civielrechtelijke – weg (door de curator op grond van een Peeters/Gatzen-vordering) aansprakelijk wordt gehouden. Het gaat erom dat [eiser] zich tegen de jegens hem ingestelde, op de belastingaanslagen gebaseerde, vordering moet kunnen verdedigen, althans dat hij, om zich naar behoren tegen de vordering van de curator te kunnen verweren, ook de juistheid van de belastingaanslagen ter discussie moet kunnen stellen, aldus het subonderdeel. [52]
subonderdeel 3eis het oordeel van het hof in rov. 3.11 bovendien zonder nadere motivering onbegrijpelijk,
voor zover het hof tevens uitgaat van een vordering tot schadevergoeding ten behoeve van de vennootschappen zelf. Het hof heeft in het arrest van 17 mei 2016 immers de vordering van de curator ten behoeve van de vennootschappen zelf afgewezen (rov. 3.5), tegen welk oordeel de curator in cassatie niet is opgekomen. Voor zover het hof in rov. 3.11 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de curator met de Peeters/Gatzen-vordering desalniettemin de bevoegdheid toekomt [eiser] aan te spreken namens de vennootschappen zelf, gaat het hof volgens het subonderdeel uit van een onjuiste rechtsopvatting.
in de eerste plaatsdat het hof daarmee uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, als het hof heeft geoordeeld dat
[eiser] ,om zich tegen de Peeters/Gatzen-vordering te kunnen verweren,
namens de betrokken vennootschappen de aanslag zou moeten kunnen aantasten.Voortswordt geklaagd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, als het hof heeft geoordeeld dat
het [eiser] er (juist) om te doen zou zijn namens de vennootschappen de formele rechtskracht van de aanslagen te kunnen aantasten. [eiser] heeft dit niet gesteld en de inzet van de procedure was of [eiser] zelf, ter afwering van de tegen hem ingestelde Peeters/Gatzen-vordering, de juistheid van de belastingaanslagen aan de rechter ter beoordeling voor kon leggen, [53] aldus het subonderdeel.
gesteld noch gebleken isdat de curator de belastingaanslagen in de verhouding tot de ontvanger met succes zou hebben kunnen aanvechten ofschoon deze reeds vóór de faillissementen formele rechtskracht hadden gekregen. Deze vaststelling is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. [eiser] heeft namelijk wel degelijk gewezen op de mogelijkheid voor de curator om de belastingaanslagen aan te tasten. [54] Voortsbevat subonderdeel 3g de
voortbouwklacht(p.i., nr. 5.16) dat, als de voorgaande klachten opgaan, ook de overweging aan het slot van rov. 3.11 niet in stand kan blijven.
subonderdeel 3hdat, indien het oordeel van het hof in rov. 3.11 niet zou worden gedragen door de door de voorgaande subonderdelen bestreden oordelen, het hof, tegenover de uiteenzetting van [eiser] , onderbouwd met een rapport van een ter zake kundig kantoor, [55] onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de stukken niet zouden hebben kunnen leiden tot het oordeel dat de omzetbelastingschuld niet bestond.
degenen die zich tegen dat besluit niet in een bestuursrechtelijke rechtsgang kunnen verzetten. Formele rechtskracht geldt derhalve niet ten aanzien van
derden. [60] Zo werd door uw Raad ter zake van een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering van de Ontvanger op een derde die het verhaal van een (jegens de belastingschuldige onherroepelijke) belastingschuld illusoir zou hebben gemaakt, overwogen dat niet kan worden aanvaard dat de omvang van de door de aangesproken derde te vergoeden schade zonder meer zou worden bepaald door de aanslag waarvan hij niet langs bestuursrechtelijke weg de rechtmatigheid heeft kunnen doen vaststellen. [61] Dat betekent dat de civiele rechter zich bij gebrek aan adequate rechtsbescherming in een bestuursrechtelijk traject ook een oordeel moet vormen over de rechtmatigheid van de aanslag als zodanig. [62] De rechtvaardiging hiervoor is te vinden in de
nauwe samenhangtussen de vordering jegens de derde enerzijds en de aan de belastingschuldige opgelegde belastingaanslag anderzijds, die in verband met de eisen van een doeltreffende rechtsbescherming kan meebrengen dat de aangesproken partij die de gegrondheid van de belastingschuld niet aan de belastingrechter heeft kunnen voorleggen, het bestaan en de hoogte van die belastingschuld door de burgerlijke rechter moet kunnen laten beoordelen. [63]
Iw 1990) bevat bepalingen op grond waarvan de Ontvanger derden persoonlijk aansprakelijk kan stellen voor (een deel van) een door een belastingschuldige onbetaald gelaten belastingschuld. [64] Art. 49 lid 1 Iw Pro 1990 bepaalt dat een dergelijke aansprakelijkstelling moet geschieden door middel van een voor bezwaar vatbare beschikking. Het bezwaar kan zowel gericht zijn tegen de aansprakelijkheid op zich als tegen de onderliggende belastingaanslag(en). [65] Op grond van art. 49 lid 7 Iw Pro 1990 kan een bezwaar tegen een aansprakelijkstelling echter geen betrekking hebben op feiten of omstandigheden die van belang zijn geweest bij de vaststelling van een belastingaanslag en ter zake waarvan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan. De bepaling geeft dus een zekere ‘formele rechtskracht’ in de richting van een aangesproken derde van de in rechte vastgestelde belastingschulden van een vennootschap. [66] In de literatuur is kritiek geuit op deze bepaling; de aansprakelijkgestelde zou de dupe worden indien de belastingschuldige niet optimaal heeft geprocedeerd. [67]
X/Staatssecretaris van Financiën) [68] was een bestuurder en enig aandeelhouder van een BV door de Ontvanger aansprakelijk gesteld voor een door de BV onbetaald gelaten naheffingsaanslag. De BV had zelf beroep ingesteld tegen deze naheffingsaanslag, welk beroep door de rechtbank (in een onherroepelijk geworden uitspraak) ongegrond was verklaard. Uw Raad oordeelde, onder verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van art. 49 lid 7 Iw Pro 1990, dat deze bepaling er niet aan in de weg staat dat de aansprakelijk gestelde bestuurder in een procedure betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling voor een belastingaanslag feiten en omstandigheden betreffende die aanslag aanvoert die niet eerder aan de belastingrechter zijn voorgelegd of waarover die rechter geen onherroepelijke uitspraak heeft gedaan.
Notarissen THB II [72] heeft uw Raad overwogen dat wanneer de curator een Peeters/Gatzen-vordering instelt, geen plaats is voor een onderzoek omtrent de individuele positie van elk der betrokken schuldeisers, nu het gaat om verhaal van door de schuldeisers
gezamenlijk geleden schade. Bovendien wettigt het
collectieve belangdat is betrokken bij de bevoegdheid van de curator om op te treden tegen bij benadeling van de gezamenlijke crediteuren betrokken derden, te aanvaarden dat de derde tegenover de curator niet gebruik kan maken van alle verweren die hem wellicht tegenover bepaalde individuele schuldeisers ten dienste zouden hebben gestaan, aldus uw Raad. Op deze overweging van uw Raad is in de literatuur door een aantal auteurs kritiek geuit. [73]
of de gezamenlijke faillissementscrediteuren een vordering hebben op de [A] vennootschappen, kort samengevat, als volgt overwogen:
geen sprake was van een materiële belastingschuld uit hoofde van omzetbelasting. [75] Het betoog komt er, zeer kort samengevat, op neer dat de voorraden BMW’s van de vennootschappen volledig aan leverancier BMW blijken te zijn betaald, zodat geen sprake was van uitoefening van een eigendomsvoorbehoud door BMW en BMW de inkoopfacturen ten onrechte heeft gecrediteerd, waarna de vennootschappen ten onrechte aangifte hebben gedaan van negatieve voorbelasting [76] en ten onrechte aanslagen omzetbelasting zijn opgelegd (vgl. rov. 3.1, 3.5 (slot) [77] en 3.10 van het bestreden arrest).
formele rechtskrachthadden. [78] Volgens de curator had hij geen mogelijkheden om de formeel vastgestelde belastingschuld op enigerlei wijze “
aan te tasten” zodat, zelfs indien het door [eiser] omtrent de materiële belastingschuld gestelde juist zou zijn, dat niet afdoet aan de verplichtingen van de gefailleerden. [79]
onaantastbaaris. De wetgever heeft betoogd dat ook de aansprakelijk gestelde de mogelijkheid heeft om de belastingaanslag te bestrijden, mits die argumenten niet reeds aan de rechter zijn voorgelegd en er een onherroepelijke rechterlijke uitspraak voorhanden is (artikel 49, lid 7 Inv.). In dit verband wordt verwezen naar ECLI:NL:HR:2016:2722 waarin de Hoge Raad [HR 2 december 2016, JOR 2017/27] dat nog eens heeft bevestigd (zie middel 10). Naar analogie geldt dat [eiser] in de onderhavige civiele procedure de aanslagen mag betwisten, voor zover de rechter op bepaalde verweren al niet heeft beslist. Het verweer van nu is nieuw - tot nu toe werd gediscussieerd of art. 31 (oud) Wet OB van toepassing was -, daarop is niet eerder beslist, van beslissende aard en dus toelaatbaar.
Het kan niet zo zijn dat [eiser] geen verweer kan voeren tegen de jegens hem door de curator ingestelde vordering tot schadevergoeding gebaseerd op een belastingschuld bij de gefailleerden die aantoonbaar materieel gezien niet bestaat.Een dergelijke beperking zou een beperking zijn die strijdig is met het EVRM. Bovendien is de grondslag (o.d.) en het soort vordering (schadevergoeding) die tegen [eiser] is ingesteld niet gelijk te stellen aan de vordering die de fiscus op de [A] -vennootschappen heeft.”
formele rechtskracht,waarmee de omzetbelastingschulden van de [A] vennootschappen reeds voorafgaand aan de oorspronkelijke procedure
vast stonden;
onaantastbaarwas;
X/Staatssecretaris van Financiën);
een bestuurderaansprakelijk wordt gesteld voor een belastingschuld van een gefailleerde vennootschap
door de Ontvanger, art. 49 lid 7 Iw Pro 1990 er niet aan in de weg staat dat de bestuurder feiten en omstandigheden betreffende de belastingaanslag aanvoert die niet eerder aan de belastingrechter zijn voorgelegd of waarover die rechter geen onherroepelijke uitspraak heeft gedaan, terwijl
in de verhouding tussen de Ontvanger en de gefailleerde vennootschapformele rechtskracht heeft gekregen;
door de curator ten behoeve van de gezamenlijke faillissementscrediteurenjegens [eiser] ingestelde – civielrechtelijke – Peeters/Gatzen-vordering;
X/Staatssecretaris van Financiënstrekt ertoe dat de door de Ontvanger aangesproken
bestuurderin zijn verdediging
jegens de Ontvangerniet wordt belemmerd door de omstandigheid dat de belastingschuld in de relatie tussen de Ontvanger en de vennootschap formele rechtskracht heeft gekregen;
de curatorde vaststelling van de omzetbelasting, die in de verhouding tussen de Ontvanger en de gefailleerde vennootschappen formele rechtskracht heeft, namens die vennootschappen kan
aantastenmet een beroep op feiten en omstandigheden die niet in die vaststelling zijn betrokken;
niet onaantastbaarwas, omdat (ii) de
curatorde vaststelling van de omzetbelasting, die in de verhouding tussen de Ontvanger en de vennootschappen formele rechtskracht heeft, namens de vennootschappen zou kunnen aantasten (zie de hiervoor onder 3.21 onderstreepte passages), welke stelling het hof heeft verworpen. Deze uitleg is als zodanig in cassatie niet bestreden.
subonderdelen 3a t/m 3dmissen derhalve feitelijke grondslag voor zover zij berusten op de lezing dat het hof in rov. 3.11 (met zoveel woorden) heeft geoordeeld dat de formele rechtskracht van de belastingaanslagen ook geldt ten aanzien van [eiser] , of dat [eiser] zich in de oorspronkelijke procedure, waarin hij door de curator is aangesproken op grond van een Peeters/Gatzen-vordering, niet op de onjuistheid van de aanslagen kon beroepen.
rechtsklachtuit
subonderdeel 3eontbeert feitelijke grondslag, omdat het hof in rov. 3.11 niet heeft geoordeeld dat de curator met de Peeters/Gatzen-vordering de bevoegdheid toekomt [eiser] aan te spreken namens de vennootschappen zelf. Waar het hof in rov. 3.11 overweegt dat de onderhavige zaak een civielrechtelijke vordering betreft, ingesteld door de curator jegens [eiser] , tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad ten behoeve van de gezamenlijke faillissementscrediteuren
en van de vennootschapen zelf, geeft het hof slechts de door de curator ingestelde vordering weer. [80] Dit heeft niet tot gevolg dat het oordeel van het hof in rov. 3.11 onbegrijpelijk is, zodat ook de
motiveringsklachtuit
subonderdeel 3efaalt.
rechtsklachtals de
motiveringsklachtuit
subonderdeel 3ffaalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft met de door dit subonderdeel bestreden overweging immers niet geoordeeld dat
[eiser], om zich tegen de Peeters/Gatzen-vordering te verdedigen, namens de vennootschappen de aanslagen zou moeten kunnen aantasten, noch heeft het hof daarmee geoordeeld dat het [eiser] erom te doen zou zijn namens de vennootschappen de formele rechtsklacht van de aanslagen te kunnen aantasten. Zoals hiervoor (onder 3.44) is uiteengezet, verwerpt het hof de stelling dat de
curatorde omzetbelastingaanslagen namens de failliete vennootschappen zou kunnen aantasten.
Productie 27.Brief van Belastingdienst d.d. 19 maart 2018 aan [eiser] . Daarin wordt door de Belastingdienst melding gemaakt dat niet tegemoet wordt gekomen aan het verzoek van [eiser] om over te gaan tot ambtshalve herziening van o.a. naheffingsaanslagen omzetbelasting over het jaar 2006 en ten onrechte niet geclaimde voorbelasting over het jaar 2005. Volgens de Belastingdienst is [eiser] in het verzoek niet-ontvankelijk, omdat het verzoek niet binnen een termijn van zes weken is binnengekomen. Daarnaast geeft de Belastingdienst aan dat de 5-jaars termijn inmiddels (ruim) verstreken was en daarom geen ambtshalve vermindering kon worden toegepast. Indien de curator anders had gehandeld en binnen voormelde termijnen (wél) in actie was gekomen en (tijdig) bezwaar had gemaakt, dan hadden de opgelegde (OB) aanslagen bestreden kunnen worden en zou geen belastingschuld zijn aangenomen waarvoor [eiser] uiteindelijk (onterecht, nu er aantoonbaar geen belastingschuld is) veroordeeld is.”
voortbouwklachtuit
subonderdeel 3geveneens.
‘culpa’) van de curator.
subonderdeel 1cwordt geklaagd dat het oordeel van het hof in de eerste volzin van rov. 3.13 getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, indien het hof miskent dat van lichte schuld ook sprake kan zijn bij een ‘nalaten of een niet doen’, bijvoorbeeld als stukken niet toegankelijk worden gemaakt of niet in het geding worden gebracht, terwijl de desbetreffende partij moest begrijpen dat die stukken voor de beoordeling van de vordering en het daartegen gevoerde verweer van belang zouden (kunnen) zijn.
Subsidiair klaagt
subonderdeel 2bdat niet voldoende is gemotiveerd waarom hetgeen het hof daarvoor heeft overwogen niet anders wordt doordat het arrest van 2 december 2016 van later datum is dat het voorliggende arrest.
“nog afgezien van het gebrek aan toepasselijkheid van die uitspraak in deze civiele procedure, zoals hiervoor is overwogen” –de curator niet kan worden verweten dat hij geen actief onderzoek heeft verricht naar de omvang van de omzetbelastingschulden. Aangezien het oordeel van het hof in rov. 3.11, dat het arrest van 2 december 2016 ziet op een publiekrechtelijke aansprakelijkstelling door de Ontvanger op grond van de Iw 1990, en niet op een door de curator ingestelde civielrechtelijke Peeters/Gatzen-vordering, in cassatie niet als zodanig is bestreden, heeft [eiser] geen belang bij zijn klachten tegen het door de subonderdelen 2a en 2b bestreden – als overweging ten overvloede te kwalificeren – oordeel van het hof.