Conclusie
1.Feiten en procesverloop
coaching-traject gestart. Een maand later heeft de werkneemster zich ziek gemeld. Op haar verzoek heeft op 23 april 2015 een gesprek plaatsgevonden met de directeur, die toen zijn visie op het functioneren van de werkneemster heeft gegeven. Op 12 mei 2015 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden. Op verzoek van de werkneemster hebben partijen vanaf juli 2015 een
mediation-traject doorlopen. De mediator heeft in oktober 2015 dit traject beëindigd omdat zijns inziens er onvoldoende basis voor partijen was om tot een oplossing te komen.
mediation-traject (hiervoor al genoemd) was volgens het hof sprake van een voldragen arbeidsconflict, dat volgens het hof ‘op scherp’ is gesteld doordat de werkneemster zich rechtstreeks tot de RvC heeft gewend en in gesprekken met leden van de RvC − in de beleving van die leden ten onrechte − integriteitsschendingen van (onder meer) de directeur aan de orde heeft gesteld.
hoogtevan de billijke vergoeding werd overwogen:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
tot spreken noopte. [7] Wuisman drukt het zo uit, dat niet ieder zwijgen een ‘oneerlijke proceshouding’ oplevert op basis waarvan tot ‘bedrog’ in de zin van art. 382 Rv Pro kan worden geconcludeerd: nodig is dat het verzwijgen ertoe leidt dat de rechter en de wederpartij een onwaarachtig feitencomplex krijgen voorgespiegeld, waardoor het materiële recht een verkeerde uitwerking krijgt. [8] Ten Kate en Wesseling-van Gent schrijven hierover het volgende: [9]
op dat bedrog berusten dat het bedrog is gepleegd
in het gedingwaarin de te herroepen uitspraak is gegeven. Het bedrog moet dus aan de uitspraak vooraf zijn gegaan. Niet nodig is dat de bedrieglijke gedraging besloten ligt in een processuele handeling. Voldoende is dat het bedrog van dien aard was, dat het de uitspraak of de totstandkoming daarvan heeft beïnvloed en aldus de wederpartij in enig opzicht heeft benadeeld. [10]
Subonderdeel 1.2voegt hieraan toe dat het hof bij elk van deze drie oordelen heeft verzuimd te bepalen of de kennis van de directeur in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als kennis van de rechtspersoon BWV, waarbij, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, ook moet worden beoordeeld of de wederpartij het ervoor mocht houden dat de rechtspersoon van deze kennis op de hoogte was. [11]
onderdeel 1.3onbegrijpelijk, nu het hof wel de kennis van de RvC volledig aan BWV toerekent, maar de kennis van de directeur niet, hoewel de in het Integis-rapport vermelde misstanden en onregelmatigheden zagen op gedragingen van de directeur. Het middelonderdeel vervolgt dat de laatste twee volzinnen van rov. 5.3 onbegrijpelijk zijn, nu het hof de volgende stellingen van de werkneemster niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken: (i) dat de directeur de enige statutair bestuurder was, (ii) dat de directeur als gevolg van de uitkomsten van het Integis-onderzoek uit zijn functie is ontheven, (iii) dat de in het Integis-rapport vastgestelde misstanden en onregelmatigheden betrekking hadden op deze directeur, (iv) dat de werkneemster deze misstanden heeft aangekaart bij de RvC, en (v) dat de directeur in de ontbindingsprocedure in beide instanties BWV vertegenwoordigde en de proceshouding van BWV werd bepaald door de directeur.
rechtshandeling verricht, geldt (bij de beoordeling van inhoud en rechtsgevolgen van die rechtshandeling) de kennis van die bestuurder als kennis van de rechtspersoon. [13] Verricht een bestuurder geen rechtshandeling, maar is hij wel betrokken bij (een aspect van) de rechtsverhouding tussen de rechtspersoon en haar wederpartij waarbij van belang is of de rechtspersoon een bepaald feit wel of niet kende, dan wordt acht geslagen op meer gezichtspunten dan alleen de vertegenwoordigingsbevoegdheid en verantwoordelijkheid. Katan schrijft daarover: [14]
nietis gebleken van fraude en/of zelfverrijking ofwel integriteitsschendingen in enge zin. Voor zover de werkneemster in middelonderdeel 1 het oog heeft gehad op kennis van de directeur van BWV met betrekking tot díe aspecten, heeft die kennis geen betekenis gehad voor de verzochte herroeping. De Autoriteit Woningcorporaties schreef verder dat het forensisch onderzoek duidelijk heeft gemaakt dat veel van de (door Integis onderzochte) aantijgingen wat betreft slecht werkgeverschap (willekeur), verkeerde bedrijfscultuur en forse onvolkomenheden in de interne
governancejuist waren. Dit oordeel van de toezichthouder had wel raakvlakken met de onderwerpen “integriteit, bevoordeling van medewerkers en de dominantie van de bestuurder” die in de gesprekken tussen de werkneemster en de RvC aan de orde waren geweest, maar wat de door de Autoriteit Woningcorporaties bedoelde ‘aantijgingen’ precies inhielden is in de herroepingsprocedure echter niet duidelijk gemaakt. Het Integis-rapport zelf is niet aan het hof overgelegd.
governance, in de ontbindingsprocedure sprake is geweest van een ‘oneerlijke proceshouding’ van BWV door het verzwijgen van bij de directeur aanwezige kennis. Uit deze door de Autoriteit Woningcorporaties gemaakte gevolgtrekking blijkt of volgt immers niet dat BWV onjuiste stellingen heeft aangevoerd in de ontbindingsprocedure, noch dat BWV bepaalde – aan haar directeur bekende − voor de ontbindingsprocedure relevante feiten voor de wederpartij en de rechter heeft verzwegen. Om deze redenen falen alle klachten van dit middelonderdeel.
corporate governance code. [16] Zij wijst met name op de
Principles2.6.1, 2.6.2 en 2.6.4 van deze Code. [17]
corporate governance codeop de te onderzoeken kwestie niet van toepassing was. [18] Dit neemt niet weg dat – op grond van de norm van ‘goed werkgeverschap’ in art. 7:611 BW Pro − ook op een kleine of middelgrote werkgever tot op zekere hoogte een verplichting kan rusten om een door een werknemer aan de orde gestelde misstand in de onderneming deugdelijk te onderzoeken. In het cassatieverzoekschrift presenteert de werkneemster zich als een onbetwiste ‘klokkenluidster’. [19] Die wijze van presentatie, die overigens niet gekoppeld is aan één of meer bepaalde klachten, is echter door BWV betwist. [20] Het standpunt dat zij optrad als klokkenluider is naar mijn mening ook niet te verenigen met stellingen die de werkneemster zelf in de ontbindingsprocedure had aangevoerd en waaruit volgt dat het haar alleen te doen was om haar arbeidsrechtelijke positie en dat zij niet de intentie had ‘enige klok te doen luiden’. [21]
in ruimere zin. De werkneemster betoogt dat veel van de overige aantijgingen juist waren en bovendien lijken te duiden op geconstateerde misstanden en onregelmatigheden. Zij stelt dat het oordeel van het hof des te meer onbegrijpelijk is, nu de directeur na het onderzoek van de RvC kon aanblijven, maar op basis van het Integis-rapport slechts acht maanden voor zijn pensioen “de laan uit is gestuurd”. Volgens het middelonderdeel is dit alleen mogelijk indien de verschillen tussen beide rapporten aanzienlijk zijn.
governanceomvatten, leidt dat nog niet tot de slotsom dat het (interne) onderzoek door de RvC in 2015 onder de maat is geweest. De motiveringsklacht faalt.
subonderdeel 2.3komt de werkneemster op tegen de laatste alinea van rov. 5.3. De klacht houdt in dat het hof heeft nagelaten te beoordelen wat als subjectieve kennis van de RvC heeft te gelden, althans dat het oordeel op dit punt onbegrijpelijk is. De werkneemster betoogt dat het vereiste van subjectieve kennis niet absoluut is: BWV had in de ontbindingsprocedure geen stellingen mogen innemen waarvan zij met een eenvoudig onderzoek al had kunnen weten dat deze onjuist waren. [23] Door dit toch te doen is volgens het middelonderdeel sprake geweest van een ‘oneerlijke proceshouding’ van BWV. Verder had het hof − gezien de grote verschillen in uitkomst tussen de twee onderzoeken en de beperkte omvang en onjuiste richting van het interne onderzoek door de RvC − niet mogen voorbijgaan aan de stelling van de werkneemster dat de RvC
bewustde resultaten van zijn onderzoek niet bekend heeft gemaakt, dan wel een beperkter onderzoek heeft uitgevoerd dan BWV had gesteld. [24]
onderdeel 4.