Uitspraak
wonende te [woonplaats], Brazilië,
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
.
.
17 juli 2020.
Hoge Raad
In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van verweerder, gewezen vennoot van een vof, wegens een onjuist advies omtrent het beëindigen van een levensverzekering en het niet melden van een nieuwe ziekte aan de verzekeraar. De rechtbank en het hof wezen de vordering af wegens verjaring.
De Hoge Raad stelt vast dat vorderingen op een vof en op de individuele vennoten als afzonderlijke samenlopende vorderingen moeten worden beschouwd, die elk afzonderlijk verjaren en gestuit moeten worden. Een stuitingsverklaring gericht aan de vof wordt geacht alle vennoten te bereiken en werkt in beginsel ook jegens hen, tenzij bijzondere omstandigheden een andere uitleg rechtvaardigen.
De brief van eiser uit 2005, gericht aan de vof, was niet duidelijk genoeg om ook een stuiting jegens verweerder persoonlijk te bewerkstelligen. Het hof heeft dit onjuist beoordeeld door te oordelen dat stuiting jegens de vof niet automatisch stuiting jegens verweerder betekent. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van duidelijke stuitingsverklaringen jegens individuele vennoten en verduidelijkt de rechtspositie bij vorderingen tegen vof en vennoten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling vanwege onjuiste beoordeling van stuiting van verjaring jegens individuele vennoot.