Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
De vordering van [verweersters] met betrekking tot het derdenbeslag onder de v.o.f.
Geen reeds bestaande rechtsverhouding”meer in het bijzonder tegen het oordeel in rov. 3.13 dat het gelet op de aard van de v.o.f. niet uitmaakt dat bij de v.o.f.-akte niet de v.o.f. zelf partij is, maar beide vennoten.
subonderdeel 2.1.1getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van art. 475 Rv Pro, doordat het hof aldus heeft beslist dat de v.o.f. wordt gebonden aan een reeds bestaande rechtsverhouding waarbij de v.o.f. zelf geen partij is. In dit kader wordt benadrukt dat de v.o.f. geen rechtspersoonlijkheid bezit en niet zelfstandig draagster is van subjectieve rechten en verplichtingen. [14]
“Geen rechtstreekse grondslag in de zin van art. 475 Rv Pro”.
subonderdeel 2.2.2dat het hof in rov. 3.14 de nadruk legt op de volgens hem bijzondere omstandigheden die tot de uitkomst in het Kredietruimte-arrest hebben geleid. Dat geeft, aldus het subonderdeel, blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zijn beslissing zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het Kredietruimte-arrest moet volgens het subonderdeel in een breder, algemeen kader, worden geplaatst waarin de beslaglegger in beginsel niet bevoegd is om aan de beslagene toekomende wilsrechten uit te oefenen.
voor zover [betrokkene 2] voorschotbetalingen aan hemzelf bij de v.o.f. heeft afgeroepen(curs. A-G), dit vorderingen heeft doen ontstaan die geacht moeten worden rechtstreeks voort te vloeien uit de v.o.f.-overeenkomst die ten tijde van de beslaglegging al bestond. Voor zover de klachten van subonderdeel 2.2 op de lezing berusten dat het hof heeft geoordeeld dat het beslag rust op het wilsrecht, missen deze feitelijke grondslag.
Kredietruimte-arrest(zie de eerste volzin van rov. 3.13).
Kredietruimte-arrestsprake is van betalingen op afroep en dat ook hier de voorschotbetalingen door de v.o.f. aan [betrokkene 2] een grondslag vinden in een overeenkomst die ten tijde van het beslag al bestond (rov. 3.13 tweede volzin).
Kredietruimte-arrestafgeleid dat de omstandigheid dat het wilsrecht (de afroep) nog moet worden uitgeoefend, er niet aan in de weg staat om de grondslag waaruit de vorderingen na afroep dan voortvloeien, voldoende rechtstreeks te achten zoals bedoeld in art. 475 Rv Pro. Er is volgens het hof dus sprake van een onmiddellijke grondslag (rov. 3.13 derde volzin).
Kredietruimte-arrest. Van een onjuiste toepassing of miskenning van de bredere betekenis van dit arrest, is mitsdien in zoverre geen sprake. [37]
Kredietruimte-arrest, in het onderhavige geval een blokkerende maatregel van onbepaalde duur zonder uitzicht op executie niet en de bewarende functie van het conservatoire beslag wel aan de orde is. Het subonderdeel klaagt dat deze oordelen van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, althans onbegrijpelijk zijn in het licht van de essentiële stelling dat nooit sprake is geweest en zal zijn van winst.
subonderdeel 2.3.3gaat de door het hof gemaakte vergelijking met loonbeslag niet op, omdat loonbetalingen voortvloeien uit een duurovereenkomst waarbij altijd sprake is van hetzelfde bedrag, zoals vergelijkbaar met huurovereenkomsten. [45] Volgens het subonderdeel is hier geen sprake van een obligatoire overeenkomst die leidt tot periodieke betalingen, omdat [betrokkene 2] pas aan zichzelf kon uitkeren na het uitoefenen van zijn wilsrecht. [46]
Kredietruimte-arrestmet betrekking tot beslag op kredietruimte.
Kredietruimte-arrestwaarin het een bank- en cliëntrelatie betrof en leidt (ii) de wetsgeschiedenis evenmin tot het oordeel dat het beslag de vorderingen die in de onderhavige zaak aan de orde zijn, vanwege de aard daarvan niet zou omvatten. Dit laatste wordt door het hof gemotiveerd met de overwegingen dat:
Kredietruimte-arrestin aanmerking zijn genomen niet nopen tot eenzelfde oordeel in de onderhavige zaak, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook voldoende begrijpelijk gemotiveerd. In het
Kredietruimte-arrestis uitdrukkelijk belang toegekend aan de aard van de relatie tussen bank en cliënt terwijl in dit geval, aldus het hof, andersoortige partijen en een andersoortige relatie aan de orde zijn. Daarin ligt kennelijk en niet onbegrijpelijk het oordeel besloten dat (het afgescheiden vermogen van) de v.o.f. niet fungeert als bank/kredietverstrekker ten opzichte van de vennoten, zodat beslag op kredietruimte wezenlijk verschilt van beslag op een na afroep ontstane vordering tot betaling van een voorschot, waarbij geen sprake is van een wilsrecht dat nog moet worden uitgeoefend. Daarnaast speelde in het
Kredietruimte-arrestde uit de wetgeschiedenis blijkende beduchtheid van de wetgever voor een beslag zonder een reëel uitzicht op executie een belangrijke rol. Daarvan is, aldus het hof, ook geen sprake bij betaalde voorschotten (rov. 3.14 tweede volzin). De stellingen van [eiser] (zie onder 2.29), die m.i. alle betrekking hebben op het feit dat de v.o.f. geen winst heeft gemaakt, laten onverlet dat met betrekking tot de afgeroepen voorschotbetaling een verklaring namens de v.o.f. had moeten worden afgelegd. Voor zover het hof in het tweede gedeelte van rov. 3.14 overwegingen heeft gewijd aan het geval dat voorschotbetalingen niet zijn afgeroepen, is zijn oordeel ten overvloede gegeven.
Het voorgaande brengt mee dat [eiser] hierna zal worden veroordeeld tot betaling van € 83.303(curs. A-G), nu de v.o.f. tot dit totaalbedrag betalingen aan [eiser] heeft gedaan in weerwil van het beslag. De vordering die strekt tot het afleggen van een met stukken onderbouwde daartoe strekkende verklaring (petitum sub 1 en 2) wordt bij gebrek aan belang afgewezen. Het hof verwerpt het verweer dat een eventuele betalingsverplichting van de v.o.f. hier niet aan de orde kan zijn omdat de v.o.f. niet in deze procedure als partij is betrokken. Ingevolge art. 18 WVK Pro zijn immers de vennoten hoofdelijk verbonden.
Zij zijn ieder - ook na ontbinding van de v.o.f., zoals hier heeft plaatsgehad - gehouden voor zover mogelijk dezelfde prestatie te verrichten als de vennootschap verschuldigd was(curs. A-G). [verweersters] was niet gehouden eerst van de v.o.f. nakoming te vorderen voordat zij nakoming door [eiser] vorderde.”
subonderdeel 3.4.
subonderdeel 1.2is genoemd oordeel van het hof in elk geval onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aangezien uit de antwoordmemorie onder 28 duidelijk volgt dat sprake is van een nieuw door [verweersters] gelegd beslag, waarover hij niet eerder heeft kunnen grieven. Hieruit volgt, aldus het subonderdeel, dat een van de uitzonderingen op de in beginsel strakke regel aan de orde is.
productie 6 en 7). De Rabobank als hypotheekhouder heeft zich daarop genoodzaakt gezien om de executie over te nemen en daarbij wederom vanwege de beslaglegging kosten aan [eiser] door te belasten (
productie 8). Door deze beslaglegging werd [eiser] in zijn bedrijfsvoering wederom belemmerd. Daarnaast zijn wederom advocaatkosten noodzakelijkerwijze gemaakt. [verweersters] heeft als gevolg van de beslaglegging in 2014 wederom schade veroorzaakt bij [eiser] voor welke schade [verweersters] eveneens aansprakelijk is;
hernieuwdbeslag is gelegd, behoorden in 2014 derhalve niet tot het afgescheiden vermogen van de v.o.f., ten aanzien waarvan de Hoge Raad in het verwijzingsarrest heeft geoordeeld (zie hierboven onder 1.13) dat privé-schuldeisers van [betrokkene 2] hierop geen verhaal kunnen nemen.