Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
1 september 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld tot tien dagen gevangenisstraf wegens diefstal. Het hof had in zijn vonnis de strafoplegging gemotiveerd door te verwijzen naar de ernst van de feiten, de omstandigheden, en de persoonlijke situatie van de verdachte, waaronder het feit dat hij met een geprepareerde tas in de winkel rondliep en dat hij in proeftijd verkeerde.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof in strijd met artikel 359 lid 6 van Pro het Wetboek van Strafvordering heeft nagelaten de specifieke redenen te geven die hebben geleid tot de keuze voor een vrijheidsbenemende straf. Dit gebrek aan motivering leidt volgens artikel 359 lid 8 Sv Pro tot nietigheid van het strafopleggingsdeel van het arrest.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en beslissing over de straf. Het overige van het beroep wordt verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 1 september 2020.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd vanwege het ontbreken van een specifieke motivering voor de vrijheidsbenemende straf en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.