Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
[verbalisant 1]:
, konden de verdachten de opvallende politieauto zien staan voor de deur en kunnen aannemen dat wij van de politie waren. Ik zag dat de man die recht tegenover mij stond een koevoet in zijn hand had. Ik zag dat hij de koevoet dreigend achter zijn schouder/hoofd hield, kennelijk met de intentie om te gaan slaan. Ik kreeg een duw naar buiten.
[verbalisant 2]:
, omdat ze zag dat [betrokkene 1] met de koevoet in onze richting sloeg. Omdat mijn collega ineen dook, kon ik mij over haar heen strekken en plaatste mijn beide handen voor de arm van [betrokkene 1] om de klap met de koevoet op te vangen. Ik voelde dat de koevoet met meer dan geringe kracht op mijn beide handen terechtkwam. Als ik dit niet had gedaan dan had [betrokkene 1] mij mogelijk of mijn collega tegen het hoofd geslagen. Ik voelde vervolgens enig moment later pijn aan mijn linker pols. Ik zag vervolgens dat [verdachte] mij en mijn collega in de portiek wegduwde.
mededeling van verbalisanten (of één van hen):
mededeling van verbalisanten (of één van hen):
mededeling van verbalisant:
de woningen [a-straat 1] en [a-straat 2] . Ik had het vermoeden dat deze twee jongens bij elkaar hoorden. De jongen bij onze portieken liep schichtig heen en weer bij de deur.
Noord-Afrikaanse afkomst,
licht getinte huidskleur,
ongeveer begin twintig (20) jaar oud,
normaal postuur,
donkerblauw/zwart kortjack, mogelijk een bomberjack zonder capuchon, betrof in ieder geval geen dikke/lange winterjas,
kort zwart haar.”
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
5.Het derde middel
NJ2013/467 m.nt. B.F. Keulen, heeft de Hoge Raad bepaald dat noch het Nederlandse strafprocesrecht noch art. 6 EVRM Pro vereist dat de feitenrechter alleen dan een zwaardere straf mag opleggen dan door het Openbaar Ministerie is gevorderd, indien de procespartijen in de gelegenheid zijn gesteld zich daarover uit te laten. [14] Vellinga heeft betoogd dat dit uitgangspunt niet is te rijmen met het beginsel van hoor en wederhoor zoals onder meer volgt uit art. 6 lid 1 EVRM Pro. [15] De benadering van Vellinga spreekt mij aan.
NJ2023/129, m.nt. J.M. ten Voorde. Aan deze terughoudendheid ligt volgens de Hoge Raad ten grondslag “dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt.” De Hoge Raad erkent dat de grote straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter “ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee (brengt) om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf.” Anderzijds benadrukt de Hoge Raad dat “de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht (kan) verschaffen in en uitleg (kan) geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing”, “(m)ede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf”. [20] Hieruit volgt dat aan de strafmotivering geen hoge eisen (mogen) worden gesteld. In eerdere arresten overwoog de Hoge Raad zelfs dat de keuze voor en de waardering van de factoren die de rechter van belang heeft geacht voor de straf, geen motivering behoeven. [21]
benoemddat alleen een gevangenisstraf passend en geboden is. [23] Daarmee zijn de eisen die worden gesteld aan art. 359 lid 6 Sv Pro formeel van aard, in plaats van materieel. Een nadere motivering wordt slechts geëist wanneer de strafoplegging verbazing wekt en daarom onbegrijpelijk is of wanneer een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren is gebracht. De lat daarvoor ligt echter hoog. [24]
Oplegging van straf